![]() |
Vorstelijk Vervoer |
![]() |
Paarden, Rijtuigen, Auto's, Trein, Bus en Vliegtuig
Ontstaan Vorstelijk vervoer
Vervoer wat is dat nu eigenlijk. Het is een samenraapsel van vele middelen die men kan gebruiken om mensen, dieren en vracht te vervoeren van de ene bestemming naar de andere. De uitrusting die hiervoor kan worden gebruikt, verschilt van geval tot geval. Mensen vervoert je nu eenmaal op een andere manier dan dieren of vracht. Het zou bepaald niet best zijn als je alles over een kam zou scheren en voor elk vervoer een transportmiddel ter beschikking had. Ziet u het al voor u, je wordt vervoert in een veewagen, achterin een vrachtauto, of vrachtvliegtuig. Hmm, niet zo best voor onze toch al kostbare lijf en de botten daarin. Neen, dan liever een vervoersmiddel afgestemd op de eisen die dit nu eenmaal met zich brengt. Dus, mensen in een fatsoenlijk vervoersmiddel, dieren in een transportmiddel dat daarvoor is bestemd en vracht gestapeld en wel daar waar het hoort; duidelijk minder luxueus dus. Er zijn diverse middelen en mogelijkheden om vervoer te plegen. Neem bijvoorbeeld het dier, al eeuwen lang een transmiddel bij uitstek. Bekend zijn de Amerikaanse postkoeten die bij weer en wind onderweg waren om mensen, vracht en post ter bestemder plekke te brengen. In andere delen van de wereld ging dat ongeveer op dezelfde manier. Zoals ten tijde van de Batavieren, welkbekend waarschijnlijk, ging het voornamelijk met de benenwagen. In latere eeuwen ontdekte men bijvoorbeeld het paard, ezel en os als vervoermiddel en als lastdier bij uitstek. De trekschuit deed ook nog opgang en de koets zag het levenslicht. Nog een aantal jaren later vonden mensen de auto uit. Deze was bij uitnemendheid geschikt als vervoer- en vrachtmiddel en is dat ook nu nog. De trein kwam en is niet meer weg te denken uit ons straatbeeld. Het vliegtuig liet zich dominant gelden, de fiets en ga zo maar door. Het is eigenlijk teveel om om te noemen. Om het verhaal over het ontstaan van Vorstelijk Vervoer, enigszins leesbaar te houden beperken wij ons hier tot dieren, rijtuigen, auto's, trein, bus en het vliegtuig. Voorlopig lijkt dat wel voldoende te zijn voor het Koninklijk Huis om zijn leden adequaat te kunnen vervoeren van A naar B en van B naar A. Onderstaand het verhaal over de ontwikkeling van het vervoer, gericht op onze Koningen, Vorstinnen, Prinse(ssen)n van den bloede en! van het geslacht Oranje-Nassau. |
|
Met ‘Prinsjesdag’ werd in de tweede helft van de 18e eeuw de verjaardag van Prins Willem V (1748-1806) aangeduid. Op zijn geboortedag, 8 maart, manifesteerden de Oranje-gezinden hun aanhankelijkheid aan de stadhouderlijke familie die meer en meer onder schot kwam te liggen van de Patriotten. In 1752 bracht de toen vierjarige Prins Willem (V) een tegenbezoek aan de pas benoemde Franse ambassadeur. Hij reed daartoe met alle pracht en praal in een Gouden Koets getrokken door een achtspan paarden door de straten van Den Haag. De schilder Tethart Haag legde de stoet vast op een zes meter lange rol papier, waarvan hier het middendeel. |
Thans is Prinsjesdag niet meer de juiste benaming. Die dag is 'verhuist' naar de derde dinsdag van september, zijnde de opening van het nieuwe Parlementaire jaar. Bovendien is het onderwerp van een andere rangorde dan ten tijde van Prins Willem V. Het heet nu 'Koninginnedag'. Met respect aan haar moeder Koningin Juliana, heeft Koningin Beatrix besloten om 30 april te handhaven als haar verjaardag. Zelden wordt hier een koets voor gebruikt. Het automobiel of de Koninklijke bus geniet de voorkeur. Ook qua veiligheid is dit van belang. Men kan die beter waarborgen. Kijk maar naar wat in Apeldoorn 2009 op Koninginnedag gebeurde. |
In Europa werd het systeem van veren ontwikkeld in de 16e eeuw, toen men op het idee kwam de carosserie van een wagen te scheiden van de assen en het in leren riemen werd gehangen. De overleving vertelde dat de Hongaarse stad Koczi zijn naam gaf aan dit comfortabele voertuig. De wagon van Koczi populair werd in Europa als Kutsche, Koets, Coach, Coche et cetera. De luxe van een rijtuig vergemakkelijkte het reizen en vanaf dat moment werden verschillende soorten rijtuigen gebouwd. Voor lange afstanden verving men de huifkar door rijtuigen met een dak. Later met een gesloten cabine met deuren en ramen. De Berlin is daarvan een bekend voorbeeld. |
Een rijtuig is een voertuig voor menselijke vervoer, (Chaise) |
Rijkelijk versierde zware carosses werden gebouwd voor Koningen, Prinsen en Bisschoppen. En dan waren er nog de eenvoudigere voertuigen, vaak genoemd naar hun functie of vorm. De chaise was een stoel op wielen, de openheid van een Calèche leek op een kelk. Toen de techniek van het smeden van ijzer zich ontwikkelde na 1800, stalenveren het leer vervangen. Industrieel vervaardigde veren, assen en andere metalen onderdelen verbeterden de kwaliteit van de rijtuigen. Bovendien was het mogelijk om de productiekosten te verlagen en een groot aantal verschillende modellen gebaseerd op standaard onderdelen te ontwikkelen. Elke plaatselijke wagenmaker kon dus zijn eigen coach ontwerpen . |
De allereerste voorloper van de auto's waren wellicht de zeilwagens, die in de 18e eeuw in Europa onder gunstige omstandigheden reeds een zeer behoorlijke snelheid konden bereiken. Er zijn zelfs bronnen, die aangeven dat er onder de Egyptische farao Amenemhat III, in het tweede millennium vóór Christus, al zeilwagens bestonden. Voordat de moderne verbrandingsmotor werd toegepast, gebruikte men eerst nog stoommachines. Eén van de bekendste ontwerpers van de stoomauto is Nicolas Joseph Cugnot (1725-1804). Deze officier gebruikte zijn stoomauto (1765) voor opdrachten binnen het leger. Ook Gurney ontwierp een stoomauto in 1832 voor de verbinding tussen Gloucester en Cheltenham in Engeland. De gangbare snelheid was toen ongeveer 25 kilometer per uur. Eenzelfde ontwikkeling was te zien in Nederland waar Sibrandus Stratingh uit Groningen in 1834 een (succesvol) experiment deed met een stoomauto. Tot aan de uitvinding van de verbrandingsmotor ontwikkelde de stoomauto zich geleidelijk, maar hij kon niet op tegen de verbrandingsmotor. De voordelen van deze motor waren voornamelijk een veel lager gewicht en minder brandstofverbruik voor meer vermogen. Hiermee was de opmars van dit type motor niet meer te stuiten.Een auto of automobiel (van Grieks auto- ("zelf") en Latijn mobile ("bewegend")) is een zelfstandig voortbewegend rijtuig om mensen, voorwerpen en/of dieren te verplaatsen. Voor de aandrijving worden hoofdzakelijk verbrandingsmotoren toegepast. Alternatieve aandrijvingen zijn de hybride aandrijving, en de elektrische aandrijving met accu’s of een brandstofcel als energiebron. In de loop der jaren zijn er talloze automerken en nog meer modellen op de markt verschenen. Door de hoeveelheid auto’s, en het intensief gebruik daarvan, doen er zich files voor, voornamelijk bij zogenoemde knooppunten. In Nederland dienen motorvoertuigen regelmatig een Algemene Periodieke Keuring te ondergaan om aan het verkeer te mogen deelnemen, in andere landen zijn soortgelijke keuringen, zoals de Belgische Automobielinspectie, de Engelse MOT, de Ierse NCT en de Duitse HU. Daar de auto ontwikkeld is uit onder andere het rijtuig, werden vroeger de carrosserieën van auto's gemaakt van hout, leder en riet (voor zover bekend alleen de Hanomag 2/10 PS, ook wel Kommissbrot genoemd, de Beacon en de Bisacar). Tegenwoordig wordt meer voor metaal of kunststof gekozen. Een personenauto heeft vier, soms drie of zes, eventueel acht, wielen die (tegenwoordig) voorzien zijn van radiaal luchtbanden. Zijn er meer wielen, dan spreekt men van een vrachtauto. Het woord automobiel is een Frans leenwoord en komt van automobile. Dit komt weer uit het Grieks en Latijn. De automobiel zoals wij hem nu kennen ontstond geleidelijk uit de rijtuigen die getrokken werden door paarden en de fiets en de zogenaamde Ottomotor. François Isaac de Rivaz, een Zwitserse uitvinder, ontwierp de eerste verbrandingsmotor met waterstofgas als brandstof in 1806. In 1862 bouwde Etienne Lenoir zijn eerste auto de hippomobile met een verbrandingsmotor op waterstofgas. Pas toen de Duitser Nikolaus Otto in 1878 verbeteringen aanbracht werd de gasmotor van Lenoir een commercieel succes. De finishing touch werd geleverd door Gottlieb Daimler met zijn patent op de eerste succesvolle hogesnelheidsverbrandingsmotor (1885). De grootste verbeteringen aan de zware oliemotor zijn gedaan door Rudolf Diesel uit Duitsland, die zijn eerste patenten nam in 1892. Tegen het einde van de negentiende eeuw was de verbrandingsmotor de grote concurrent van de stoommachine in industrie en transport. Carl Benz bouwde in 1885 de (driewiel-)auto uitgerust met een benzinemotor. Dit voertuig was de start voor de ontwikkeling en doorbraak van dit type verbrandingsmotoren. De eerste in België gebouwde auto was de Vincke en de eerste in Nederland gebouwde auto de Eysink. Welk merk auto de eerste personenauto in Nederland was is niet bekend, maar wel bekend is dat de industrieel Jos Bogaers de auto had gekocht en op 17 december 1895 zou hebben bereden. |
||
|
|
|
De 19de eeuw was de Gouden Eeuw voor het vervoer. Regeringen legden verharde wegen aan en het verkeer werd daardoor gestimuleerd. De Industriële Revolutie verhief de rijkdom van de middenklasse en deze kochten duizenden van de wagens. Vervoersfabrieken werden opgericht in vele landen. Zij publiceerde catalogi, waren aanwezig op tentoonstellingen en de industrie verscheepte hun producten wereldwijd. Cartwrights ontwikkelden zich tot industriëlen. Rond 1900 ontstond de 'Belle Epoque'. Europese rijtuigen waren alom aanwezig als gevolg van de Industriële Revolutie en het Europese imperialisme. Maar toen het gemotoriseerde paard de dieren ging vervangen ontstond er een andere economisch interessante situatie. Tal van vervoer bouwers probeerden te overleven door het bouwen van auto's van cabriolet tot coupe's . Maar een enkeling gelukte dit. Andere wagenmakers startten garages en tankstations. Tegenwoordig zijn rijtuigen zeldzaam en behoren zij tot de antieke voorgangers van de auto, motor, bus en vliegtuig. Ons vorstenhuis heeft in de loop der tijden maar weinig gebruik gemaakt van het openbaar vervoer. Van Koningin Emma is bekend dat zij een kleine tramwegmaatschappij gesteund heeft. Het was de Soester Paardentramweg opgericht in november 1894. De lijn liep van Baarn langs de rijksweg en via het particuliere domein van Emma langs Soestdijk naar Soest en vandaar naar Amersfoort. De lijn werd al na tien jaar weer opgeheven omdat de Koningin-regentes niet meer woonde in 'Zoestdijck'. Van Koningin Wilhelmina is bekend, dat zij op 7 juni 1917 betrokken was bij een spoorwegongeluk. Die dag ontspoorde de trein, waaraan de Koninklijke rijtuigen gekoppeld waren, tussen Houten en Schalkhaar. Uit het verslag komt naar voren dat de Koninklijke wagens niet ontspoorden en dat de Koningin met haar gevolg overstapte in het restauratierijtuig en daarmee naar Utrecht reisde met de andere reizigers. |
||
Op 26 februari 1908 was Koningin Wilhelmina betrokken bij een tramongeval in Den Haag. Volgens het verslag van dit ongeval reed die dag om even na een uur een motorwagen van lijn 8 van de HTM komend uit Scheveningen in de Parkstraat bij de hoek Oranjestraat. Er waren geen passagiers voor in- en uitstappen en de tram reed met een matige snelheid verder. Uit de Oranjestraat kwam een motorrijtuig, waarin Koningin Wilhelmina en Prins Hendrik gezeten waren op weg naar Scheveningen. De Prins, die het rijtuig bestuurde , kon toen hij de tram bemerkte nog naar rechts uitwijken en reed daarop rakelings voor de tram over de trambaan, waarna het rijtuig moest uitwijken voor een van de |
De eerste auto, een Spijker uit 1904 |
tussen de tramsporen staande leidingmastenen bekneld raakte tussen deze mast en de linkerzijde van het voorbalcon van de tram en aan de achterzijde in elkaar gedrukt werd. Als door een wonder kon het Vorstelijk paar ongeschonden het wrak van het lichte rijtuig verlaten. De bestuurder van de tram C. Reder werd direct op het matje geroepen bij de directeur van de HTM en op staande voet ontslagen. Hij kreeg geen enkele kans tot verweer en er werd ook niet uitgezocht bij wie de schuld van het ernstige ongeval lag. Bij het nadere onderzoek van het ongeval bleek echter dat bestuurder door zijn energiek optreden de snelheid van de tramwagen had weten te bedwingen. |
| Maar dat hielp de trambestuurder Reder niet veel. Hij was en bleef ontslagen. De Prins was hierover zo verstoord dat hij zijn adjudant van de Koningin een brief opdroeg gericht aan de directeur van de HTM, waarin de adjudant op bevel van de Prins meedeelde, dat deze geheel de schuld van het ongeval op zich nam. Hendrik was van mening dat de trambestuurder niets aangerekend kon worden, dus werd Reder weer in dienst genomen door de HTM. Hij werd zelfs een held en kreeg een gratificatie van 25 gulden. Op 25 maart 1908 ontving hij uit handen van de Minister van Landbouw het Ridderkruis van de Orde van Oranje Nassau. Die Minister van Landbouw was de anti-revolutionaire predikant-staatsman A. S. Talma. | ||
Wie schaft wagens etc. aan en onderhoudt nu de voertuigen - in welke vorm dan ook - bestemd voor het Koninklijk huis? Dat is het Koninklijk Staldepartement. Dit instituut zit in 's Gravenhage en een dependance bevindt zich op Paleis het Loo te Apeldoorn. Het Koninklijk Staldepartement verzorgt het vervoer van de leden van het Koninklijk Huis en de hofhouding. Het maakt deel uit van het Civiele Huis van de Dienst van het Koninklijk Huis. Het Koninklijk Staldepartement is in 1815 door Koning Willem I opgericht. In 1878 werd de huidige behuizing aan de Hogewal in Den Haag in gebruik genomen. Sindsdien is het stallencomplex een aantal malen verbouwd. |
|
|
|
Het Koninklijk Staldepartement werd tussen 1876 en 1879 gebouwd in eclectisch renaissancistische stijl naar ontwerp van architect H. P. Vogel. Hier staan onder meer de paarden van de Koninklijke familie en (sinds 1898) de Gouden Koets De gebouwen liggen in carrévorm rond een rechthoekige binnenplaats. Meest opvallend is de entree met gesneden dubbele paneeldeuren onder een middenpoort met naaldspits en fronton waarin het Koninklijk wapen is gebracht. In het midden van de binnenplaats staat een ronde gemetselde drinkwaterbak met hierin een ijzeren lantaarnpaal. In de noordhoek van het terrein ligt de Fordgarage die uit 1912 dateert en als onderkomen is gebouwd nadat de auto als officieel vervoermiddel voor het Koninklijk Huis was ingevoerd. Het departement bestaat uit:
De dagelijkse leiding van het departement is in handen van de Stalmeester. Het Koninklijk Staldepartement mag gerekend worden tot een van de meest spectaculaire stalbedrijven ter wereld, met een uitzonderlijke collectie rijtuigen, tuigen en livreien. Het Staldepartement is verantwoordelijk voor het dagelijks vervoer van de leden van het Koninklijk Huis. Werden de paarden vroeger ook voor dit vervoer ingezet, tegenwoordig vervullen zij een representatieve en ceremoniële rol. Wanneer de Koningin op Het Oude Loo verblijft, het Middeleeuwse kasteeltje naast Paleis Het Loo of wanneer de paarden getraind worden, doet een deel van die de Stallen op Paleis Het Loo weer als vanouds dienst als onderkomen voor deze paarden. |
||
De Grote Tuigenkamer |
Livrei knecht
|
|
In de koetshuizen staan naast een gala-berline en een gala-coupé, sport-, jacht- en dienstrijtuigen, die dateren uit de eerste helft van de 19de tot het begin van de 20ste eeuw, ook eerbiedwaardig en historisch bezien interessante koetsen.
Een bijzonder rijtuig is de witte lijkwagen, die dienst heeft gedaan bij de begrafenis van Prins Hendrik (1934) en Koningin Wilhelmina (1962). Een brede verzameling livreien van koetsiers, chauffeurs en lakeien uit verleden en heden geeft een indruk van de nuancering, die bij ontvangsten aan het hof aan de dag wordt gelegd. Een ontwikkeling die ook de dag van vandaag nog geldt. Alhoewel, er veel veranderd is in het stijve en strakke hofprotocol. |
||
|
|
|
Het Paleis Het Loo, alsmede een groot deel van de stallen zijn sinds jaar en dag museum. In de ruimten die de vroegere stallen herbergden staan nu de oude auto's van Prins Bernhard, Koningin Juliana, Wilhelmina en de sportcoupe van Beatrix en Claus. Zelfs de Willy jeep uit de Tweede Wereld oorlog inclusief voorop het bord met de vier generaals-sterren van de Prins laat in de rust en stilte pontificaal zich gelden. In een hoekje ver weg gezet, staat de Mercedes Cabriolet 300 van Bernhard alsmede een oude Ford Scorpio in de kleur donkerblauw. Alles staat achter solide beschermend glas, Ook de oude koetsen die vroeger in gebruik waren mijmeren daar over hun roemruchte verleden. Een verleden dat zich uitstrekt van de periode van Koningin Emma en Koning Willem III tot haar dochter Koningin Wilhelmina en haar echtgenoot Prins Hendrik van Mecklenburg-Schwerin. Vervolgens maakte de volgende Vorstin fervent gebruik van deze vervoersmiddelen. Juliana had een zwak netzo als haar man Prins bernhard voor deze oude koetsen en nostalgische automobielen. Vandaar deze behoorlijk kostbare verzameling aan voertuigen. Koningin Beatrix heeft daar niet zo'n binding mee als haar vader Bernhard dit had. Hij was een echte snelheidfreak. Diverse auto-ongelukken - waar hij het er levend bij afgebracht heeft - symboliseerden zijn sterke neiging naar snelheid. |
||
Mercedes Cabriolet 300 |
Koets van Wilhelmina
|
Hofauto |
| Slechts bij bijzondere gelegenheden worden deze vehikels van stal gehaald. De stallen van Paleis Het Loo huisvesten een groot deel van de rijtuigen, slede's en automobielen in Koninklijk bezit. Wanneer de Koningin op Het Oude Loo verblijft, wordt een aantal nog regelmatig gebruikt. De paarden zijn dan ondergebracht in de linkerstal, die plaats biedt aan 40 paarden. In het stallencomplex kunnen in totaal 88 paarden staan. Het uiterst linkergedeelte van de Stallen tegen het midden aan, herbergt de gebruikte auto's van Bernhard, Juliana, Wilhelmina, Beatrix en Claus. Het middenstuk is bestemd voor de rijtuigen die al bijna nostalgisch aandoen. | ||