![]() |
Vorstelijk Vervoer |
![]() |
Paarden, Rijtuigen, Auto's, Trein, Bus en Vliegtuig
Rijtuigen en Koetsen
De Gouden Koets werd in 1898 door de Amsterdamse bevolking aangeboden aan Koningin Wilhelmina ter gelegenheid van haar troonsbestijging in dat jaar, bedoeld als geschenk bij haar inhuldiging tot Koningin op 6 september 1898. Wilhelmina wilde echter geen geschenken ter gelegenheid van haar inhuldiging aanneme, en nam daarom de koets op 7 september 1898 in ontvangst. Koningin Wilhelmina nam de Koets voor het eerst in gebruik op 7 februari 1901 bij haar huwelijk met prins Hendrik. Een maand later werd de koets in Amsterdam gebruikt bij de intocht van het Koninklijk paar. Sinds 1903 maakt het Staatshoofd in de regel één keer per jaar gebruik van dit rijtuig, op Prinsjesdag. Normaal gesproken wordt de koets alleen gebruikt tijdens eerder genoemde dag. Toch is er incidenteel ook op andere gelegenheden van het rijtuig gebruik gemaakt. Bijvoorbeeld bij de doop van Prinses Juliana op 5 juni 1909, die van Prinses Beatrix op 12 mei 1938, het huwelijk van Prinses Juliana en Prins Bernhard in 1937 en dat van Prinses Beatrix en Prins Claus in 1966 werd de Gouden Koets ingezet. Tevens tijdens het huwelijk van Willem Alexander met Maxima. Alleen als het Staatshoofd de koets gebruikt, mag deze getrokken worden door acht paarden, vandaar dat bij het huwelijk van Prins Willem-Alexander en Prinses Maxima deze koets door zes paarden werd getrokken. Voor de doop van Prins Willem-Alexander werd een auto gebruikt. |
||
|
|
|
De Gouden Koets werd ontworpen en gebouwd door de gebroeders Spijker, de latere autofabrikant. Gewicht is 2500 kg. Het hout van het rijtuig is gedeeltelijk verguld met bladgoud, maar ook gedeeltelijk beschilderd. De koets is gebouwd in Hollandse Renaissancestijl en voorzien van veel symbolische ornamenten. De Gouden Koets wordt getrokken door acht paarden. Wilhelmina wilde graag kunnen staan in de koets. Vandaar de gebogen vorm van de kroonlijst. De hoogte van de koets levert overigens voor de koetsier problemen op bij het manoeuvreren door de nauwe toegangspoorten van het Binnenhof. De koets is een berline op acht veren, getrokken door een achtspan. De koets is geheel verguld en rijk versierd met allegorisch lofwerk en diverse paneelschilderingen van Nicolaas van der Waay. Het interieur is van zijden petit-point-naaldwerk. Dit borduurwerk werd deels verricht door meisjes uit weeshuizen. Aan weerszijden van de staatsiebok is het nationale rijkswapen opgenomen. De bok zelf is bekleed met rood laken. |
||
Interieur Gala glasberline |
Interieur Glazen Koets |
|
De vier wielen van de koets symboliseren zonnen. Op de kroonlijst van de koets zijn de wapens van de toenmalige 11 provincies van Nederland te zien. Er is een bijkomend wapen van de stad Amsterdam, als schenker van de koets aangebracht en dat bevindt zich op de achterbovenkant van het rijtuig. Voor het huwelijk van Prinses Margriet en mr. Pieter van Vollenhoven werden de zijpanelen van de oudste Gala berline vervangen door glas. Sindsdien vervoert dit rijtuig hen ieder jaar op Prinsjesdag. Deze Gala glasberline werd ook gebruikt tijdens het huwelijk van Prinses Laurentien en Prins Constantijn als volgkoets voor de beide ouders van het bruidspaar op 19 mei 2001 bij het Kerkelijk huwelijk in Den Haag. De binnenzijde is geheel bekleed met rood laken. |
Deze koets werd ook gebruikt als volgkoets bij de uitvaarten van zowel Prins Claus in 2002 ( 15 oktober). Ook bij de uitvaarten van zowel Koningin Juliana als bij Prins Bernhard in 2004 werd deze koets gebruikt als volgkoets. Bij de uitvaart van Koningin Juliana op 30 maart 2004 namen in een Gala berline de 4 oudste kleinkinderen van elke dochter plaats en wel Kroonprins Willem Alexander, Prins Maurits, Prins Carlos en Bernardo Guillermo. De route ging van Paleis Noordeinde naar de Katholieke Leergangen te Delft en hierna namen de 4 oudste dochters plaats in een auto en vertrokken zij allen richting de Nieuwe Kerk. De te gebruiken koetspaarden staan in de koetsstal, die volgens traditie allemaal zwart zijn. De soorten wisselen elkaar ieder jaar af voor de rit met de Gouden Koets op Prinsjesdag. De meeste koetspaarden behoren tot het het Friese Paardenstamboek, het Koninklijk Warmbloed Paardenstamboek Nederland of het Stamboek vereniging ter bevordering en instandhouding van het Groninger Paardenras in Nederland. Opgericht op 27 februari 1982, erkend bij Koninklijk besluit van 28 november 1985. De te gebruiken rijpaarden staan in de rijstal. Zij worden bereden door leden van het Koninklijk Huis en de adjudanten van de Koningin. Deze paarden zijn erkend luidens het oorspronkelijk stamboek volgens de regels van de Europese Unie in maart 1995 en hebben diverse kleuren. Er zijn drie soorten koetspaarden:
|
|
|
Het Friese paard is een inlands raspaard. Zijn wortels gaan ver terug in de tijd. Al in de 13e eeuw was de Fries bekend en tegenwoordig vertoont het nog steeds duidelijke overeenkomsten met zijn verre voorouders. Het Friese paard is een sierlijk ogend paard met veel behang en een fiere houding. Het lichaam is compact en sterk. Een Fries is vrijwel altijd zwart zonder aftekeningen. Aftekeningen zijn dan ook verboden, hoewel een klein kolletje een enkele keer door de vingers wordt gezien. Een enkele keer komt er een zeer zeldzame bruine variant voor. De schofthoogte ligt tussen 1,55 m (voor opname in het stamboek) en 1,70 m. Bekend zijn de Friezen vooral van de shownummerrubrieken, waarin ze voor de Friese Sjees lopen en gereden worden door boeren en boerinnen in Friese klederdracht. In Friesland heeft zich dit tot een elk jaar terugkerend festijn ontwikkeld, waarbij vele toeristen komen kijken. Het paard is namelijk oorspronkelijk gefokt als werkpaard dat doordeweeks gewoon moest ploegen, en op zondag werd het paard voor de koets gespannen als de familie naar de kerk ging. Maar ook onder het zadel presteert de Fries goed. De Fries heeft duidelijk aanleg voor dressuur en hij wordt ook veel gebruikt als hogeschoolpaard bijvoorbeeld in het circus. |
Het Groninger paard is een Noord-Nederlands paardenras. Dit ras vindt zijn oorsprong bij het inlandse noordelijke paard zoals dat door de eeuwen heen in de gebieden langs de kust van de Noordzee is gefokt in ons land, Duitsland en Denemarken. Sinds ca. 1870 werd het gekruist met hengsten uit Oldenburg en Oost-Friesland. Het paard is een zwaar, lang gelijnd en kortbenig warmbloedpaard met een krachtige bouw, een sprekend hoofd, een gespierde middellange hals, voldoende schoft die soepel overgaat in een niet te lange, sterke rug, een tamelijk schuine schouder, een brede en diepe zwaargespierde romp, ronde welving der ribben, een zwaar ontwikkelde achterhand, massief beenwerk met korte platte |
|
pijpen en ruime harde voeten. Het Groninger paard heeft een stap die ruim en energiek, de draf is vlot en economisch, er is sprake van een voldoende goede galop. Ze kunnen langdurig grote werkprestaties leveren en hebben een goede gezondheid. Favoriete kleuren binnen de populatie zijn (donker)bruin en zwart met geringe witte aftekeningen. Andere kleuren komen ook voor, maar zijn minder algemeen. Stamboekvereniging ter bevordering en instandhouding van het Groninger Paardenras in Nederland.Opgericht op 27 februari 1982, erkend bij Koninklijk besluit van 28 november 1985. Erkend als oorspronkelijk stamboek volgens de regels van de Europese Unie in maart 1995. |
Het Gelders paard is ook een Noord-Nederlands paardenras. De schofthoogte is minimaal 155 cm en maximaal 160 cm. Ze zijn vaak bruin van kleur maar ook wel eens schimmel. Schimmel is een kleur waarbij het paard donker wordt geboren en later grijs en zelfs helemaal wit wordt Het uiterlijk van dit paard kenmerkt zich door heel veel wit aan hun benen en hoofd. De paarden kunnen hun voorbenen heel hoog optillen. Daarom lopen ze vaak voor een rijtuig. De paarden willen heel graag werken. De paarden vallen onder het KWPN stamboek. Vroeger had je in Gelderland een sterk trek- en werkpaard. Dit paard leek een klein beetje op het Groninger paard. Het paard uit Gelderland zag er echter minder zwaar en veel slanker uit. Toen de paarden naast het werken ook voor een koets moesten lopen, zijn de mensen de trekpaarden uit Gelderland gaan kruisen (paren) met andere paardenrassen. Met Engelse volbloed paarden (hele slanke paarden met lange benen die heel hard kunnen lopen), maar ook met paarden uit Egypte, Rusland, Frankrijk en Duitse paarden. De Duitse paarden zijn ook gebruikt om te kruisen met Groningse paarden. De mensen vonden het mooier als een paard er slank uitzag. Je ziet nu niet zo heel veel verschil meer tussen het Gelderse paard en het Groninger paard. Er zijn nu mensen die het paard aanspannen of op het paard rijden. Er zijn zelfs paarden die heel goed kunnen springen! |
|
Het Staldepartement beschikt over zes Gala Berlines. De naam komt van Berlijn, de stad waar het rijtuig in 1662 werd ontworpen. Berlines zijn gesloten rijtuigen, geschikt voor vier personen. De rijtuigen zijn zwart en ossenbloedrood gelakt en worden met twee of vier paarden bespannen. De Gala Berlines worden regelmatig gebruikt. Zij vervoeren bijvoorbeeld de buitenlandse ambassadeurs die bij hun aantreden hun geloofsbrieven gaan aanbieden aan de Koningin op Paleis Noordeinde. De Gala Glas Berline werd in 1836 gebouwd door de firma Pearce & Co in Londen voor de latere Koning Willem II. De Gala Glas Berline is de oudste Koninklijke Berline. Prinses Margriet en Prof. mr. Pieter van Vollenhoven gebruikten de Gala Glas Berline bij hun huwelijk. De Koninklijke stallen beschikken zelf over voldoende medewerkers die in staat zijn de oude ambachten die nodig zijn voor het in goede staat houden van deze toch wel kostbare antiquiteiten, met verve te hanteren. Zij hebben de aloude kennis verworven voor het o zo broodnodige onderhoud van deze rijtuigen. Daarom geschiedt dit grotendeels in eigen beheer. Hiervoor beschikt het Staldepartement over speciaal opgeleide vakmensen, zoals een zadelmaker, een rijtuigen schilder en een beheerder van de galatuigen. Echter ook het Staldepartement onder leiding van de Stalmeester Kolonel Wassenaar, kan niet alle klussen aan. Sommige werkzaamheden kosten of teveel tijd of daarvoor is de kennis niet in huis. Dan doet met een beroep op externe specialistische kennis. |
De Crème Caleche |
||
| De Crème Caleche was een geschenk van Koningin Emma aan haar dochter Wilhelmina. De Haagse firma Hermans bouwde het rijtuig in 1898. De caleche is ivoorkleurig en versierd met gouden eikenloof. Op het rijtuig prijken twee beeldengroepen van vergulde gratiën met een gouden Koningskroon, lauwerkrans en zegepalm. De Crème Caleche wordt door zes paarden getrokken. Twee postiljons sturen het rijtuig vanaf de paarden linksvoor en linksachter. Koningin Emma wilde de koets zoveel mogelijk reserveren voor familiegebeurtenissen. Het rijtuig werd ingezet bij de inhuldiging van Koningin Juliana (1948) en die van Koningin Beatrix (1980). | ||
“De Witte Kronings calèche” beter bekend als de “Crème Calèche”. Vervaardigd bij
M. L. Hermans & co. Den Haag in 1898.
Nr. 4215 en het aankoopbedrag was |
|
Het rijtuig moest naast de Glazen Koets- het statie rijtuig voor staatsceremoniën- een functie krijgen als familie rijtuig. In 1908 kreeg de firma Hermans de opdracht voor het bijmaken van een drafkoffer en lakeienzitting. Zodat het rijtuig ook in draf uitgebracht kon worden. Het rijtuig werd o. a. ingezet bij verlovingen, huwelijken en regeringsjubilea van achtereenvolgens Koningin Wilhelmina, Juliana en Beatrix. In 1955 ging de Calèche mee met Koningin Juliana en Prins Bernhard op bezoek naar de Nederlandse koloniën Curaçao en Suriname. Bij al deze gelegenheden werd het rijtuig door 6 paarden getrokken. In 1963 raakte De Crème Calèche tijdens de opening van de Staten-Generaal betrokken bij een ongeval maar de schade bleef gelukkig beperkt. |
In 1928 werd het rijtuig opnieuw gelakt. De wapens op de deuren werden vervangen door de modernere versie van 1907; de leeuwen kijken elkaar aan. In 1929 verving men het witte rubber om de wielen door het meer praktische zwarte rubber. Datzelfde jaar werd het leer van het voorschild en spatborden vervangen door nieuw lakleer. Over de periode 1929-1985 is van Crème Calèche geen restauratie verslag bijgehouden. In 1985 startte het Koninklijk Departement in eigen beheer een grootschalige restauratie op. Het onderstel werd grotendeels opnieuw gelakt. In 1998 stond het Departement voor een groot dilemma. De restauratie bleek een véél te grote klus voor de éénmans schildersafdeling van het Departement. Daardoor waren verschillende delen pas half klaar. Oude en nieuw gelakte delen pasten niet bij elkaar. De nog aanwezige lakpatijen van 1928 vertoonden ernstige onthechting. De stoffering zat vol lelijke waterkringen en de constructie had aanzienlijke schade geleden door vochtintrek. Het verval kreeg de overhand. |
||
| Men schakelde een gespecialiseerd bedrijf in. Er vond een uitgebreid onderzoek en overleg met textiel- en schilderij restaurateurs plaats. Eind 2000 lag een voorstel klaar waarin de keuze was verwoord om de Crème Calèche als “kasplantje” te laten voortbestaan of terug te brengen in de oorspronkelijk staat met behoud van oude details. In 2002 kreeg men eindelijk groen licht. De keuze was gevallen op voorzetting van de opgestarte restauratie stammende uit het midden van de jaren tachtig. De uitdrukkelijke wens was het rijtuig optimaal inzetbaar te houden. In oktober 2002 werd de restauratie begonnen. De wapens, kronen en lakpartijen welke nog een goede hechting hadden en behouden konden blijven, werden gereinigd met een oplosmiddel. De lakpartijen welke reeds vernieuwd waren en die welke door de jaren heen herhaaldelijk zijn overgeschilderd, dienden tot op het kale hout verwijderd. Nadat de schade aan de constructie was hersteld, werd een nieuw laksysteem opgezet, waarin de oude Koninklijke wapens en kronen met hun omgeving praktisch onzichtbaar konden worden geïntegreerd. Tijdens dat onderzoek –eind jaren negentig- kwam aan het licht dat het rijtuig opnieuw was gestoffeerd. Archief materiaal uit het Koninklijk Huisarchief bevestigde, dat dit was gebeurd in 1928, tijdens de eerste grote restauratie. |
|
|
|
Fragmenten van de oorspronkelijke stoffering, een katoenzijden stof met jacquard patroon, werden door het restauratiebedrijf Stolk gevonden. Echter totaal door gesleten. Tevens vond men de restanten van een Hermelijn vloer- en opstap bekleding. Door fa. Stief te Augsburg - een specialist in het vervaardigen van dit soort stoffen - werden de gewenste stof en passementen in de oorspronkelijke kleuren en materialen gereproduceerd. Het bedrijf gebruikte hiervoor de beste kwaliteiten zijde, katoen en wol. Het rijtuig kon daardoor in Augsburg opnieuw worden gestoffeerd. De finishing touch vond plaats in Balkbrug. Gezien de moderne opvattingen ten aanzien van Hermelijn bont, werd er wollen tapijt als vloerbekleding gebruikt. Al het oude materiaal werd aan het Koninklijk Huisarchief over gedragen, ter meerdere zekerheid. Na het stofferen konden de lakwerkzaamheden worden vervolgd. Snijwerk op body en onderstel werden weer verguld. Naar de traditie van rijtuigschilders gebruikte men weer olie om te vergulden. Voor het bladgoud werd een kwaliteit gekozen van 23¾ karaat. Tijdens de vele restauraties in het verleden waren er veel eikenblad slingers en verguldwerk niet meer terug aangebracht op het rijtuig. In 1928 was er geen eikenblad slinger meer aangebracht op de flêche. |
||
| Op 7 september 1898 aanvaardde de jonge Koningin Wilhelmina als inhuldigingsgeschenk van de Amsterdamse burgerij een bijzondere staatsiekaros, de Gouden Koets.
Voor het schenkingscomité was het een probleem dat Koningin Wilhelmina vóór haar inhuldiging te kennen had gegeven dat zij ter ere van deze gebeurtenis geen geschenken zou aannemen. Pas nadat veel brieven en telegrammen verstuurd waren en er heel wat afgepraat was in vergaderingen, besloot de Koningin de koets toch te aanvaarden: niet tijdens de inhuldigingsfeesten, maar op een nader te bepalen tijdstip. Deze "nader te bepalen datum" werd de dag na de inhuldiging, 7 september 1898. |
||
|
|
Van voren naar achteren |
Pas ter gelegenheid van het huwelijk van Koningin Wilhelmina en Prins Hendrik, op 7 februari 1901, werd de koets van stal gehaald. In 1903 werd de Gouden Koets voor de eerste maal gebruikt om de Koningin en Prins op Prinsjesdag naar het Binnenhof te rijden. Een vaste gewoonte werd hiermee ingeluid, al is de koets lang niet ieder jaar op Prinsjesdag gebruikt. Bevreesd als men was de koets te beschadigen, werd aanvankelijk bij slecht weer de zogenaamde Glazen Koets gebruikt in plaats van de Gouden Koets. |
||
Bij de restauratie In de jaren tachtig waren er geen eikenblad slingers meer aangebracht op de achterkanten van de velgen en de drafkoffer. Diverse foto’s wezen uit dat men verschillende uitvoeringen van de eikenblad slinger op de voorkoffer had gestileerd. Wat weer aangeeft dat het rijtuig –door de jaren heen- meerdere keren is over gelakt en door verschillende vakmensen.. Vanuit het Koninklijk Huisarchief werd medegedeeld dat er één foto van vóór de grote restauratie van 1928 was gevonden. Tevens leverde het Nationaal Rijtuigmuseum “Nienoord” te Leek de originele ontwerptekeningen van de Crème Calèche aan. Aan de hand van deze tekeningen en foto kon het lofwerk en verguldsel weer terug worden gebracht op de originele plekken. De leren klep- en kap omranding waren enkele decennia geleden vernieuwd maar pasten niet bij het voorscherm en spatborden, waarop in de loop der tijd een mooi craquelé is ontstaan. Besloten werd de klep- en kap omranding te vervangen en te voorzien van een craquelé uiterlijk, zodat het geheel mooi met elkaar kon harmonieeren. De messing sierlijsten werden waar nodig grondig gerestaureerd. Bovendien werden nieuwe |
Hersteld Wapen |
nageltjes in gesoldeerd. Hierna werden de lijsten opnieuw elektrolytisch verguld. Vlak voordat de laatste vernislaag op het rijtuig gekwast kon worden, werden de lijsten terug geplaatst. Na het afvernissen, werd eerst het onderstel weer samengebouwd. Vervolgens kon de body met een hefinrichting worden opgetild en probleemloos op het onderstel worden geplaatst. De met rood saffiaan leer overtrokken C-riemen werden op maat gesneden en afgesteld. Juni 2004 was deze restauratie van de Crème Calèche met voorkoffer en lakeienzitting voltooid. Pas in de winter van 2004/2005 konden de beeldengroepen van het rijtuig worden gerestaureerd. Op 18 juni 2004 werd de Calèche door de Stolk directie persoonlijk overgedragen aan Hare Majesteit Koningin Beatrix. Het mogen restaureren van de absolute topstukken op rijtuiggebied, zoals de Crème Calèche, was voor dat bedrijf een onvergetelijke ervaring waar je uitsluitend terugkijkend pas écht voluit van kan genieten. Hartelijk dank aan het team van medewerkers en adviseurs! Zonder hun was het Stolk nooit gelukt deze fantastische klus te klaren |
Bladgoud en bladzilver is te verkrijgen in boekjes vast of los op vloei. De afmeting van de blaadjes is circa 9x9 cm.Vast op vloei Bladgoud is bladgoud dat op een zijdevloeipapiertje zit geperst. Het zijdevloeipapier heeft iets grotere afmetingen als het bladgoud zodat u een blaadje voorzichtig met de hand uit het boekje kunt nemen en eventueel met een scherpe schaar op maat kunt knippen. Het goud word geplakt in een laag die op het gevoel droog is, maar nog juist de exacte kleefkracht heeft om een zo glanzend mogelijk resultaat te behalen. Wordt goud te vroeg geplakt dan ‘ verzuipt ‘ het en slaat het mat. Wordt goud te laat geplakt dan is de kleefkracht niet meer voldoende en laat het los. Vanaf een gehalte van 23,5 karaat kunt u het bladgoud buiten verwerken. Het speciaal garantie dubbel Torengoud is het meest gevraagd. Dit goud is extra dik en bevat een toeslag van platina, het heeft de grootste buitenduurzaamheid. Bladgoud of bladzilver los op vloei wordt in de regel binnen toegepast. In tegenstelling tot het bladgoud en zilver vast op vloei is bij deze goud- of zilversoort soort het blaadje niet met de hand beet te pakken. De blaadjes liggen tussen zijdevloeipapier los in het boekje. Het goud kan ook niet op maat geknipt worden maar wordt met een goudmes gesneden op een bladgoudkussen. Daarna wordt het goud met een speciaal kwastje -een goudoplegger- naar het werkstuk toegebracht. Het werken met los goud vraagt zeer veel vaardigheid. Bij de minste of geringste luchtverplaatsing waait het goud weg. Een bladgoudkussen is meestal voorzien van een windkapje. |
||