![]() |
Oranje-Nassau Keramiek |
![]() |
Tableaus en Tegels
Plateel of aardewerk met afbeeldingen van het Nederlands Vorstenhuis Oranje-Nassau neemt een aparte plaats in het gebruik's- en sieraardewerk. Al sinds het einde van de 16e eeuw met Willem de Zwijger kent Nederland als een van de weinige naties, gelegenheidskeramiek met de Oranje familie als onderwerp. Heraldisch gezien waren de aangebrachte wapens meestal juist, de pottenbakker moest een wapenboek bijvoorbeeld hebben gehad. In 1544 erfde Willem I, de Zwijger de titel Prins van Oranje en in 1559 werd hij benoemd tot stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht. Vermoord in 1584 in Delft. De (baardman) kruiken en kannen van gres uit die tijd laten dit stuk historie zien. De decoratie werd met een matrijs op een plaatje klei gedrukt welke op een kan of kruik geappliqueerd werd. De vroegste tegeltableaus met portretten zijn de meest indrukwekkende. Het gaat om bijna manshoge voorstellingen zoals die in Rotterdam in de periode tussen 1615-1630 voor achterwanden van open haarden gemaakt werden. In de afgelopen jaren heeft Herbert van den Berge in een serie artikelen deze tableaus uitgebreid in kaart gebracht. De voorstellingen op deze tableaus zijn altijd personen of personificaties. De afgebeelde personen waren Koningen, Helden, Goden uit de bijbelse en de klassieke oudheid, zoals Saul en David, Alexander de Grote, Hannibal en Julius Caesar. Als personificaties kennen we de christelijke deugden geloof, hoop en liefde en de elementen water en vuur. Wie in de zeventiende eeuw de Latijnse school had bezocht, kreeg tegelijk met de taal de bijbehorende, voor hem tijdloze, geschiedenis mee. |
||||
|
Tegeltableau |
Tableau portret van |
Tableau portret van |
|
| Bij het huwelijk van Prins Frederik Hendrik met Amalia van Solms-Braunfels was er nauwelijks tijd om een officieel portret te laten maken, daarom heeft Van Mierevelt bij deze gelegenheid een iets ouder, bestaand portret van Amalia als voorbeeld genomen en daar de kostbare sieraden in verwerkt die Frederik Hendrik aan zijn bruid gegeven had. Dit portret is ruim verspreid dankzij de prenten van de schoonzoon van Van Mierevelt, Willem Jacobsz Delff. Deze was een uitstekend graveur en genoot het alleenrecht om de werken van zijn schoonvader te reproduceren. Dit huwelijksportret vinden we terug in een tableau in bezit van het Haag's Gemeentemuseum. Omstreeks 1629 maakte Van Mierevelt opnieuw portretten van de stadhouder en zijn vrouw, de laatste herkennen we terug in het tableau uit Brussel. De tableaus werden in de achterwand van de haard aan weerszijden van de vuurplaats toegepast, als naar elkaar toegewende dubbelportretten. Het portret aan de linkerzijde bezet de ereplaats – vanuit de geportretteerde zelf gezien is dit immers de rechterzijde! Tot 1625 staat het portret van Prins Maurits ter linkerzijde, de ereplaats dus. Omdat hij ongehuwd was staat ter rechterzijde Frederik Hendrik, zijn veel jongere halfbroer en toekomstige erfgenaam van het Prinsdom Orange en van het Graafschap Nassau. Na de dood van Maurits neemt het portret van Frederik Hendrik de ereplaats in en komt Amalia van Solms-Braunfels aan de rechterkant. Tegeltableaus met afbeeldingen van Vorsten uit het Oranjehuis zijn in Nederland gemaakt vanaf de vroege zeventiende eeuw tot nu toe. Deze tableaus, die deel uitmaakten van een vaste tegelwand bij de haard of in een betegelde kamer, geven een beeld van de wisselende betekenis die het Oranjehuis in de loop van de geschiedenis had. Het is alleen al een opvallend gegeven dat deze portretten zo’n prominente plaats hadden in interieurs van ambachtslieden, burgers en boeren. Dit artikel wil een overzicht geven van de meest voorkomende tableaus uit de periode tot 1830, waarbij steeds de vraag gesteld wordt wie de geportretteerde was, wat het voorbeeld voor de tegelschilder was, hoe ze geportretteerd zijn en waarom. |
||||
Kopjes en vazen van Maria Louise |
Maria Louise van Hessen-Kassel |
Kamer Maria Louise met borden |
Deze tableaus hebben alle kenmerken van een staatsieportret voor vorstelijke personen: de personen zijn staande en ten voeten uit geschilderd. De Prinsen dragen hun wapenrusting met zwaard en in de rechterhand houden ze de commandostaf. In de eerste helft van de zeventiende eeuw kwam er - voor het eerste - een afbeelding van een Oranje, Prins Maurits op een delftsblauw tegeltableau. Portretteren van een Vorst in vol ornaat op een steigerend paard was de favoriete afbeelding op een tegeltableau in de zeventiende en nog achttiende eeuw. Het symbool van de Oranjes is de sinaasappel of oranjeappel. Deze vrucht stond voor de aanhankelijkheid voor Oranje en de strijd tegen Spanje. Vermoedelijk werd dit symbool in gebruik genomen in het begin van de zeventiende eeuw."Vivat Oranje". Goudse pijpen betuigden wat later hun sympathie voor Prins Willem III. Deze oranjepijpen waren eenvoudig doch van goede kwaliteit tot 1670 ongeveer. Vanaf half 1700 werden deze dunwandige pijpen voor zo'n 10 jaar prachtig gedecoreerd door knappe graveurs. Ook de Friese Prinsen, Vorsten van Nassau Dietz en Stadhouders deden mee in het verzamelen van zoveel mogelijk Porselein, Aardewerk en Terra Cotta. Bekend werd Maria Louise van Hessen-Kassel om haar schitterende verzameling aardewerk en Porselein. Met name het Delfts blauw had haar grote belangstelling. Regelmatig kwam zij op de bezoek in de Fabriek die in Delft was gehuisvest en altijd vertrok zij met een bord, schotel of een vaas. Een mooi uitgevoerd portret van Prins Willem V en Prinses Wilhelmina vinden we op de pilasters die bij een schouw uit Koudekerk aan de Rijn horen. Het is niet eenvoudig om hierbij een voorbeeld te vinden. Het echtpaar werd nooit op officiële schilderijen en profil geportretteerd en op prenten al heel weinig. In de toegepaste kunsten, op munten, plaquettes, silhouetten en keramiek des te meer. |
||
Stadswapen Leiden |
Inkt- en Pennenset van Prins Willem III |
Stadswapen Delft |
Zo is er een serie Wedgwood plaquettes van omstreeks 1782 waarop de stadhouderlijke familie op dezelfde wijze afgebeeld wordt. Prins Willem V en Prinses Wilhelmina zijn het meest op aardewerk afgebeeld wegens tegenstellingen in het land en eind zeventien honderd kwam aardewerk met een versje in opmars als reactie op een gebeurtenis. Zoals: De Vorst is nu weer, hersteld in zijn eer!! De Oranjegezinden vertrouwden in God en in de Prins. Paleis Het Loo heeft in 2004 bij Sotheby's 13 borden van een zeldzaam servies uit 1829 gekocht voor circa 30.000 euro. Het servies was speciaal voor Koning Willem I gemaakt door de Brusselse fabrikant Frederic Faber, het gehele servies kostte toentertijd zo'n 3200 euro. Ook ander vormen van Porselein waren gewild in die tijden. Geschenken werden niet alleen uitgedeeld in zilver, goud en platina maar ook fraai vorm gegeven asbakken, pennensets, ganzenveders vielen in de smaak. Onderstaand een penneset die Prins Willem III cadeau kreeg van de steden Delft en Leiden. Daarmee toonden beide steden hun verbondenheid - sinds jaren - met de leden van het Huis van Oranje-Nassau. De set is gemaakt van het fijnste Porselein en alleen het ontwerp geeft aan welk vakmanschap hierachter stak. Het wapen van de Prins werd met veel kennis van zaken aangebracht met zijn lijfspreuk rondom. Helaas, was de maker van al dit fraai's niet bekend. Wel de fabriek en dat was De Porceleyne Fles in Delft. |
||
Tableau portret van |
Wapen Prins Willem III |
Tableau portret van |
Gezocht, maar tegenwoordig over het algemeen zeer duur zijn tegeltableaus, die binnen speciale randtegels één geschilderd tafereel bevatten dat over een aantal tegels doorloopt. Het oudste tableau zou uit 1503 dateren en werd in Italië gemaakt. In de Zuidelijke Nederlanden verschenen de eerste tableaus halverwege de 16de eeuw, in het Noorden een halve eeuw later. Ze waren meestal bestemd voor de achterwand van de haard. De meeste tableaus dateren uit de late 17de eeuw en de 18de eeuw. Beroemd zijn Delftse bloemenvaastableaus naar schilderijen van Rachel Ruys en Jan van Huysum, maar niet minder fraai zijn die met K’ang-Hsi-motieven, ontleend aan Oosters porselein. In 1795 kwam met de inval van een Frans leger een eind aan het zelfstandig bestaan van de Republiek. De stadhouderlijke familie vertrok naar Engeland, Willem V overleed in 1806 in Brunswijk. Zijn opvolger, erfprins Willem Frederik, was in 1791 in Berlijn met zijn nicht Prinses Frederika Louisa Wilhelmina van Pruisen getrouwd. Hij onderhield contacten met oranjegezinden binnen de Bataafse Republiek, maar toen pogingen tot verzet geen succes hadden wist hij van Napoleon Bonaparte een schadeloosstelling te krijgen in ruil voor het opgeven van zijn aanspraken. Nadat hem later de soevereiniteit over Fulda en Nassau ontnomen werd voegde hij zich weer in Pruisische, respectievelijk Oostenrijkse dienst tegen Napoleon. |
||
Koningin Frederika Louisa Wilhelmina van Pruissen |
Paar tegels Prins Willem IV |
Koning Willem I van |
Op 30 november 1813 keerde Koning Willem I op uitnodiging van Van Hogendorp in Scheveningen terug in de Nederlanden en liet zich bij proclamatie uitroepen tot Soeverein Vorst. Op 16 maart 1815 nam hij de titel Koning der Nederlanden aan. Er zijn tegeltableaus gemaakt met de portretten van het koninklijk echtpaar, waarbij Willem I is omgeven door twee samengebonden eikentakken en het randschrift ‘Willem Frederik den Eersten Koning der Nederlanden Groot-Hertog van Luxemburg’. Wilhelmina is omgeven door twee samengebonden lauwertakken en het randschrift ‘Frederika Louisa Wilhelmina van Pruissen gemalinne van Willem den Eersten’ |
||
De Koninklijke Porceleyne Fles is de enig overgebleven van de ca. 32 aardewerkfabrieken die zich omstreeks het midden van de 17e eeuw in Delft e. o. bevonden. Op welk tijdstip de eerste werkplaatsen ontstonden is niet met zekerheid bekend. Wij weten dat in andere plaatsen zoals Amsterdam, Haarlem en Middelburg reeds in de tweede helft van de 16e eeuw aardewerk werd gemaakt met meerkleurige decors op een witte achtergrond in een techniek, die de Hollandse pottenbakkers hadden geleerd van hun Italiaanse collega's. Vermoedelijk is pas aan het einde van de 16e eeuw het eerste bedrijf in Delft ontstaan. De situatie veranderde sterk toen de Watergeuzen bij het buitmaken van Portugese 'Kraken' bij de ladingen ook Chinees porselein vonden en dat naar Holland brachten (hiermede houdt ook de naam 'Kraakporselein' verband). Na de oprichting van de Oost-Indische Compagnie in 1602 viel het porselein met blauwe decors op witte ondergrond hier zeer in de smaak en de Hollandse pottenbakkers trachtten dan ook al spoedig iets dergelijks te maken.
Porselein was hier een onbekende grondstof en dus werden pogingen gedaan om met inheemse klei het Oosterse product zo goed mogelijk te benaderen, hetgeen in een betrekkelijk klein aantal jaren lukte.Het was vooral in Delft en Rotterdam dat deze pogingen werden gedaan en toen men eenmaal slaagde, breidde het aantal bedrijven zich in deze steden sterk uit, zodat Rotterdam het uiteindelijk tot 12 en Delft tot ca. 30 fabriekjes bracht.Deze ontwikkeling vond in de eerste helft van de 17e eeuw plaats. |
||
Tegel van aardewerk met tinglazuur voorstellende een portret van Vorst Enno Ludwig van Oost-Friesland, ca. 1650-1675
|
Waarom deze beide steden zo sterk op de voorgrond traden , is niet geheel duidelijk. Misschien heeft voor Delft het feit dat daar een aantal gebouwen leeg stond als gevolg van het in de stad te gronde gaan van brouwerijen een rol gespeeld. Zo werd dan ook in 1653 'De Porceleyne Fles' opgericht door David Anthonisz v. d. Pieth aan het Oosteinde in Delft. Reeds na twee jaar ging de plateelbakkerij over in de handen van Wouter van Eenhoorn en Quirinus van Kleijnoven. Wouter van Eenhoorn was in eerste plaats zakenman en had financiële belangen in meerdere Delftse plateelbakkerijen waaronder 'De Griekse A', 'De 3 vergulde Astonnekes', 'Het Hooge Huys' en 'De Paeuw'. Zakelijk eigenaar van een bedrijf betekende in die tijd dat zo iemand ook daadwerkelijk deelnam aan de productie, bijvoorbeeld als meester-pottenbakker of meester-schilder. Daarvoor moesten eerst Gilde-proeven worden afgelegd. Nog steeds is er uitermate weinig bekend over de zakelijk en vaak over de artistieke resultaten van de diverse bedrijven gedurende bepaalde tijdvakken en staan ons slechts aan- en verkoopakten, contracten e.d. ten dienste om conclusies te trekken. Wij kunnen dan ook slechts vermoeden dat gedurende de periode dat 'De Porceleyne Fles'in het bezit was van Van Kleijnoven en Van Eenhoorn de fabriek zich in een grote bloei mocht verheugen en mede behoorde tot de vooraanstaande bedrijven. Van Eenhoorn verkocht in 1663 zijn aandeel aan Van Kleijnoven die vanaf dat ogenblik dus alleen eigenaar was. |
Tegel van aardewerk met tinglazuur, voorstellende een Prinses van Oranje, derde kwart 17de eeuw,
ca.1637-1660
Omstreeks 1653 verscheen een prent met 15 portretten in ovalen van leden van het Oranjehuis bij Frederik de Wit in Amsterdam. De portretten op deze prent zijn overgenomen op tegels. De gravures van de jonge Prinsessen op de prent vertonen veel overeenkomst met het portret op deze tegel. Mogelijk is het Henriette Catharina van Nassau (1637-1708) of het portret Henriette Maria Stuart (1631-1650), de vrouw van stadhouder Willem II. |
Na Van Kleijnovens dood in 1695 zette zijn weduwe gedurende enige jaren het bedrijf voort, doch verkocht het in 1697 aan Johannes Knotter die voor het eerst het potje als merk introduceerde. In 1701 deed Knotter het bedrijf echter alweer over aan Marcelis de Vlugt. Ook De Vlugt is zelf geen pottenbakker of plateelschilder geweest, want van hem is geen enkel stuk bekend. Daarom zal hij de meesterschilder, Jan Sixtus van der Hoeck, in dienst genomen hebben, die bekend was om zijn zeer fraaie decoraties. In 1750 gaat het bedrijf over in handen van Christoffel van Doorne, die reeds in 1762 overleed, waarop zijn zoon eigenaar werd. Pieter van Doorne overleed in 1770 en zijn weduwe verkocht in 1771 'De Porceleyne Fles' aan Jacobus Harlees. In zijn ingeschreven merk verschijnt na 70 jaar (sinds Knotter) weer het flesje dat sindsdien een onderdeel van ons merkteken gebleven is. Na Harlees dood in 1786 ging de fabriek over in handen van zijn zoon Dirck. Aan de ongunstige tijden in de periode van de Franse revolutie en de bezetting kon Dirck niet het hoofd bieden en hij verkocht in 1804 de fabriek aan Henricus Arnoldus Piccardt, die in 1849 werd opgevolgd door zijn dochter G.V.M.A. Piccardt. De Delftse industrie kreeg in de loop van de 18e eeuw meer en meer met allerlei moeilijkheden te kampen. Allereerst was het de ontdekking van de porseleinaarde en vervolgens de verspreiding van het porselein in Europa; een product dat voor het Delfts aardewerk een lastige mededinger werd. Daarna volgde in 1746 door de Engelsman Cookworthy de vinding van witbakkende klei dat een product opleverde dat in vele opzichten superieur was aan het Delftse. Op dit aardewerk hoefde dus geen wit-dekkende glazuur te worden aangebracht en de meer verfijnde decoratie werd nu bedekt met een transparante glazuur. Aan het einde van de 19e eeuw was nog slechts een pover restant van het eens zo bloeiende ambacht. Slechts Piccardt slaagde erin het hoofd boven water te houden. Zij het dan ook dat hij de vervaardiging van het oud Delfts in belangrijke mate moest opgeven en overging tot massaproductie van goedkoop gedrukt aardewerk. In 1876 kocht een Delftse ingenieur, Joost Thooft, de fabriek met de bedoeling de oude traditie, de vervaardiging van blauw Delfts, weer in ere te herstellen. Hij zag in dat daarbij niet de oude wegen moesten worden bewandeld. Het oudere brossere aardewerktype was geheel in diskrediet geraakt en zou zeker geen groot succes kunnen boeken. Hij zocht en vond de oplossing in het gebruik van een samenstelling in de geest van het witte harde en taaiere Engelse aardewerk. Samen met Abel Labouchère met wie hij in 1884 associeerde slaagde hij erin een product te vervaardigen dat over de gehele wereld een goede naam verkreeg. Joost Thooft voegde aan het merk zijn monogram JT en het woord 'Delft' toe. Joost Thooft stierf op de leeftijd van 46 jaar en Abel Labouchère zette de fabriek alleen voort. In 1904 werd het bedrijf omgezet in een naamloze vennootschap. Als blijk van waardering voor de pogingen die de onderneming sinds 1876 in het werk gesteld had om de naam van Delft en die van de keramische industrie in het algemeen te herstellen, werd in 1919 het predikaat 'Koninklijk' verleend. Resumerend zien wij derhalve bij de merken van de Porceleyne Fles de namen Quirijn van Kleijnoven en de Piccardts niet terug. |
||
Wilhelmina Marie Sophie Louise (Den Haag, 8 april 1824 – Weimar, 23 maart 1897), Groothertogin van Saksen-Weimar-Eisenach, Prinses der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, Kroonprinses der Nederlanden (1890-1897), was de enige dochter van Koning Willem II der Nederlanden en Anna Paulowna. Zij bracht een gelukkige jeugd door op Paleis Soestdijk, het jachtslot in Utrecht en werd door haar vader op relatief moderne wijze opgevoed. Tijdens haar opvoeding werd haar meer geleerd wat zij niet moest doen, dan wat ze wel moest doen. Hierdoor had ze een kleine leerachterstand. Eind jaren dertig werd Sophie zwaar ziek. Om op krachten te komen, ging ze samen met haar moeder naar Weimar toe. Hier ontmoette ze erfgroothertog Karel Alexander van Saksen-Weimar-Eisenach. Toen hij op zijn beurt in 1841 in Nederland kwam, werden zij tijdens een tocht door Friesland verliefd. Ze huwden op 8 oktober 1842 in het paleis aan de Kneuterdijk in Den Haag. Karel Alexander was haar volle neef, zoon van de toenmalige groothertog Karel Frederik en Maria Paulowna, een zuster van Anna Paulowna. Hiermee werd Sophie schoonzuster van de latere Duitse Keizer Wilhelm I (de zuster van haar man was met hem getrouwd). |
||
Tegel Plateau |
Wilhelmina Sophie
Marie Louise |
2e Tegel Plateau |
Beide tegelplateau's, iets breder dan hoog in het formaat, zijn gemaakt van 9 x 10 tegels. De panelen waren ooit bevestigd aan de haardmantels. De uitvoering van de tegels is zeer decoratief in termen van inrichting, uiterlijke vorm en hebben veel gemeen met het historische aardewerk uit de 17e en 18 Eeuw. Toch zijn dit producten van de kunstindustrie van de late 19e Eeuw, die in de zin van het historische besef met oude terminologieën een nieuw leven in werd geblazen. Dat alles was te danken aan de traditionele industrie, zoals "De Porceleyne Fles", die voortdurend sinds haar oprichting in 1653 in bedrijf was geweest. In 1876 beleefde de fabriek een opleving, dankzij de ondernemingsgeest van de ingenieur Joost t Hooft (1844-1890), die het bedrijf overnam. In 1881 werden deze plateau's geleverd voor de prijs van 140 guldens. |
||
In oktober 1892 vierden Sophie en Karel Alexander hun gouden bruiloft. Er werd een grote bijeenkomst gehouden. Namens Nederland waren Wilhelmina en Emma aanwezig. Op deze reünie ontmoette Wilhelmina voor het eerst haar latere man, prins Hendrik. Hij was hier ook bij aanwezig omdat zijn halfbroer getrouwd was met de dochter van Sophie, Elisabeth. Door de dood van haar dochtertje Sophie is haar leven versomberd. In 1894 stierf haar oudste zoon, dit trof haar zeer zwaar. Sinds dat moment ging haar gezondheid langzaam achteruit, en verergerde bovendien haar allergische kwaal. In 1894 zei zij o. a.: Ik heb onuitputtelijk veel geleden. Het hof in Weimar onderscheidde zich van andere Europese hoven. Dit omdat Weimar in 1816 een aantal constitutionele wetten had aangenomen, die er de toon aangaven. De cultuur speelde er ook een belangrijke rol. Haar echtgenoot besteeg in 1853 de troon van het als centrum van cultuur en wetenschappen bekende Saksen-Weimar-Eisenach. Zij en haar man waren o. a. bevriend met Hans Christian Andersen en Richard Wagner, beroemde personen in de wereld van de literatuur en muziek, die allebei een tijd in Weimar verbleven. Groothertogin Sophie wijdde zich ook aan de literatuur en initieerde, nadat de kleinzoon van Johann Wolfgang von Goethe diens literaire nalatenschap aan haar had vermaakt, de 143-delige Sophienausgabe van diens werk. Nadat haar in 1889 ook de papieren van Friedrich von Schiller waren toevertrouwd, richtte zij te Weimar het Goethe-Schiller-Archiv op. Sophie bleef de gang van zaken in Nederland op de voet volgen en hield nauw contact met haar Nederlandse verwanten. Ze was een trouw adviseur van de koninginnen Emma en Wilhelmina. Ook was Wilhelmina erg op haar tante gesteld, daar haar vader overleden was toen zij nog maar 10 jaar oud was. In haar autobiografie noemde zij haar: het enige overgeblevene van vader. |
||