Het Koninklijk Huis

De Orde van het Gulden Vlies

De Orde van het Gulden Vlies (Frans: Ordre de la Toison d'Or, Duits: Orden vom Goldenen Vlies) is een exclusieve Ridderorde. De Orde werd op 10 januari 1430 in Brugge ingesteld door Filips de Goede, Hertog van Bourgondië, bij gelegenheid van zijn huwelijk met Isabella van Portugal. De Orde van het Gulden Vlies was de tegenhanger van de Engelse Orde van de Kousenband, die uit 1348 dateert.

Grondlegger Filips de Goede

Met de instelling van deze Orde wilde Filips de Goede nog meer aanzien geven aan zijn dynastie. De nieuwe Orde was uitsluitend bestemd voor een select gezelschap waarmee de Hertog zijn beste medewerkers en buitenlandse bondgenoten kon eren. De Orde werd erkend door de Paus en geniet Pauselijke privileges. Een van de voorrechten van de Ridders in deze Orde is dat zij van de Paus het recht hebben gekregen om in hun slaapkamer een mis te laten opdragen. Dit voorrecht delen zij met hoge geestelijken en katholieke vorsten.

De Orde bestond aanvankelijk uit dertig ridders en vier officieren: een schatbewaarder, een wapenmeester, een kanselier en een griffier, met aan het hoofd de Hertog van Bourgondië. Het aantal Ridders werd in 1516 uitgebreid naar vijftig. De Heer der Nederlanden was tevens het hoofd van de Orde, dus na Filips de Goede werd deze functie bekleed door achtereenvolgens Karel de Stoute, Filips de Schone, Karel V, Filips II, enzovoort. De Orde verloor zijn Grootmeester uit het Huis Valois toen Karel de Stoute sneuvelde in de Slag bij Nancy in 1477. De Orde bleef in handen van diens dochter Maria van Bourgondië en haar echtgenoot Maximiliaan van Oostenrijk uit het huis Habsburg. Hierdoor namen de Habsburgers, als opvolgers van de titel "Duc de Bourgogne", de soevereiniteit over van de Orde.

In 1516 wijzigde Karel V, keizer van het Heilige Roomse Rijk, koning van Spanje en heer der Nederlanden, de statuten van de Orde en er werden nu vijftig ridders benoemd in plaats van dertig. Dit werd in hetzelfde jaar bevestigd in de bul van Paus Leo X, waarbij tevens de stichting van de orde werd bevestigd door de paus. De bul bevindt zich sinds 1934 in het Haus-, Hof- und Staatsarchiv in Wenen. De pauselijke privileges, toegekend door de bul van Paus Leo X, tonen aan dat deze Orde in feite een religieuze gemeenschap was. De vergaderingen moesten plaats hebben in een kerk, waarbij de leden van de Orde een gereserveerde plaats hadden in het koorgestoelte - plaatsen anders voorbehouden aan de clerus. Hierdoor vindt men in verschillende kerken de wapenschilden van de ridders van de Orde in het koorgestoelte (Gent, Brugge, Mechelen, Barcelona).

Karel V, Keizer van het Heilige Roomse Rijk, Koning van Spanje en Heer der Nederlanden heeft de Ridders slechts eenmaal tijdens zijn lange regering bijeengeroepen voor een kapittel. Dat werd in Barcelona gehouden. Karel liet de titel van Grootmeester na aan zijn zoon Filips II. Maar ook Karels broer, Ferdinand, die na de abdicatie van Karel V Keizer werd, eigende zich het recht toe om ridders in deze orde te benoemen. De vliesridders waren niet onderworpen aan de wereldlijke rechtsmacht, maar aan het eigen gerecht van de Orde. Tijdens de regering van Filips II werd deze bepaling genegeerd. De veroordeling in 1568 door de "bloedraad" en de daaropvolgende terechtstelling van de Graven van Egmond en Hoorne, beiden Ridder van het Gulden Vlies en dus onschendbaar, was immers in strijd met deze bepalingen. Er werden in de daaropvolgende jaren geen kapittelvergaderingen meer gehouden om Koning Filips II de schande te besparen hiervoor ter verantwoording geroepen te worden. De gerechtelijke moord op de twee vliesridders belandde in de doofpot.

In de 16e eeuw ontstond dus, naast de Spaanse tak ook een Oostenrijkse tak van de Orde. De Spaanse en Oostenrijkse kanselarijen correspondeerden vruchteloos over deze kwestie totdat in 1700 met de dood van Karel II de Spaanse Habsburgers uitstierven. Filips van Anjou, kleinzoon van Lodewijk XIV, uit het huis Bourbon, die in 1700 als Filips V koning van Spanje werd, noemde zich, zonder dat hij daar een overtuigend recht op kon doen gelden, Grootmeester van deze orde.

Oostenrijk protesteerde tevergeefs. De laatste Habsburgse Keizer stierf in 1766. Zijn dochter, Keizerin Maria Theresia, erfde van haar vader niet alleen zijn grondgebied maar ook de zeggenschap over de Orde.

Oostenrijkse Ordeketting Gulden Vlies

Spaanse Ordeketting Gulden Vlies

Het Huis Habsburg-Lotharingen erfde aldus de titel met de Oostenrijkse landen en de Oostenrijkse Nederlanden. De schat van de Orde werd eeuwenlang in Brussel bewaard maar moest in 1794 voor de oprukkende Franse troepen worden gered. Men bracht de kostbaarheden inaar Wenen. Jozef Bonaparte, Napoleons oudere broer, zag zich als Koning van Spanje de Grootmeester van deze Orde. Hij verleende het Gulden Vlies aan zijn broers Napoleon I en Lodewijk Napoleon, Koning van Holland. Keizer Napoleon heeft op zijn beurt een "Orde van de Drie Gulden Vliezen" willen instellen. De keuze van de naam van deze orde wees erop dat hij een derde Orde wilde instellen, hoger in rang dan de Spaanse of Oostenrijkse tak. Deze Orde is niet tot bloei gekomen door het protest van de Légion d'Honneur, dat niet op de tweede plaats wilde komen.

In 1815 speelde Koning Willem I der Nederlanden met de gedachte om het Gulden Vlies in zijn rijk, dat grotendeels de landen van Bourgondische Hertogen omvatte, als een Nederlandse tak van de Orde in te stellen. Daar kwam het niet van, waarschijnlijk omdat 's Konings oudste zoon al ridder in de Spaanse Orde was. Nederland zou daarmee ook de Habsburgers voor het hoofd hebben gestoten. Na de restauratie (het herstel van de monarchie van de Spaanse Bourbons) in 1813 zag men de Spaanse tak van de Orde van het Gulden Vlies als een civiele ridderorde die ook kon worden verleend aan protestanten zoals de Hertog van Wellington, Koning George IV van het Verenigd Koninkrijk en de Prins van Oranje, de latere Koning Willem II.

Na de abdicatie van Koning Alfons XIII in 1931 was de Spaanse tak van de Orde jarenlang een zelden verleende Huisorde van de Spaanse Koningsfamilie, totdat de monarchie met Juan Carlos weer hersteld werd in 1975. De Spaanse Koning verleende de Orde van het Gulden Vlies de afgelopen jaren aan vooraanstaande Spaanse edelen, goede vrienden en bevriende staatshoofden. Keizer Akihito van Japan liet de zware gouden keten in zijn Madrileense hotelkamer liggen. De keten, die bij het overlijden van een ridder terug moet worden gebracht naar Spanje, is sindsdien zoek.

De Oostenrijkse tak van de Orde bleef steeds het exclusieve bezit van het Hoofd van het Huis Habsburg en houdt zich, tot op heden, aan de oude statuten. De laatste Keizer, Karel I, nam in 1918 de kostbare gouden ordetekenen mee in ballingschap en gaf ze in bewaring aan zijn Zwitserse advocaat.

Maar deze verduisterde het goud en verdween. De "Ordensschatz" bleef achter in Wenen. De belangrijkste stukken worden bewaard in de "Weltliche Schatzkammer" in het Kunsthistorisches Museum in Wenen, waaronder het "Schwurzkreuz", het kruis waarop pasbenoemde ridders de eed aflegden. De Oostenrijkse tak is eeuwenlang geregeld in kapittel bijeengekomen en ook nu nog vinden plechtige bijeenkomsten van de Orde plaats.

Karl Habsburg-Lothringen is "Hoofd en Soeverein" van de Orde. Koning Juan Carlos I van Spanje is "Soeverein". Karel IV van Spanje nam in 1805 koning Lodewijk Napoleon van Holland op in het Spaanse Gulden Vlies. In 1814 en 1816 volgden de Prins van Oranje en Koning Willem I. Koning Willem III werd in 1842 Ridder en zijn zoon de Prins van

Keizer Ferdinand I
van Oostenrijk
Grootmeester Oostenrijkse Orde

Oranje in 1863. In 1924 werd ook Prins Hendrik Ridder van het Gulden Vlies. Al deze protestantse vorsten konden niet toetreden tot het Oostenrijkse Gulden Vlies. De protestantse Belgische koning Leopold I werd in 1835 in het Spaanse Gulden Vlies opgenomen.

Het symbool van de Orde is een klein gouden ramsvacht met kop en poten, door een ring gehaald, hangend aan een gouden keten, waarvan de 52 schakels het Bourgondische vuurslagmotief vertonen. De naam van de orde verwijst waarschijnlijk naar de Griekse mythologie. Een gulden vlies komt voor in de sage van Jason en de Argonauten die het Gulden Vlies moesten bemachtigen, een gouden ramsvacht.

Het is onduidelijk waarom Filips de Goede niet voor een meer gebruikelijk Bijbels thema of voor een heilige koos toen hij de naam en het kleinood van zijn Ridderorde vaststelde. Er zijn achteraf meerdere verklaringen gegeven. Het gulden vlies zou suggereren dat de Bourgondische dynastie afstamde van de Trojanen en er is, eveneens achteraf, ook een bijbelse verwijzing gevonden in het Oude Testament.

De eerste Kanselier van de Orde, Jean Germain, Bisschop van Chalons verwees naar een passage in Richteren waar Gideon een ramshuid op de grond moest leggen en de daarop verzamelde dauw een teken Gods betekende voor zijn uitverkiezing. Deze passage, Richteren 6:37 wordt gelezen als een aankondiging van de geboorte van Christus. De tweede kanselier, Guillaume Fillastre verwees naar de vijf andere ramshuiden waarvan in het Oude Testament sprake is. Een andere, meer politieke, verklaring voor deze naam is het feit dat Filips de Goede (Jason) zijn belangrijkste leenmannen (de Argonauten) in een klein gezelschap plaatste waardoor deze zich belangrijker voelden dan de andere leenmannen, die niet in de orde zaten. Zo voorkwam Filips de Goede dat zijn leenmannen in opstand kwamen en hield hij de personele unie bij elkaar. Politiek gekonkel van de eerste orde.

Hals Ordeteken
Oostenrijkse Gulden Vlies

 

 

Uitvergrotingen
middenstukken

 

Hals ordeteken
Spaanse Gulden Vlies

In de 15e eeuw werd het Gulden Vlies aan een zware keten van geschakelde vuurslagen gedragen. De Ridders werden geacht hun keten altijd te dragen. Door duidelijk te maken wie en wat werd vertegenwoordigd, liep men zo een groot risico. De schitterende en zware Gouden ketting viel in het slagveld en ook normaal al op. Dieven en andersoortige figuren die wel wat geld meer konden gebruiken, werden daardoor aangetrokken. Er zijn aardig wat Ridders van het Gulden Vlies vermoord alleen omdat zij deze ketting continue droegen. Anderzijds was er ook het gewicht. In de strijd kon dit weleens fnuikend zijn. Ook daardoor zijn Ridders van die Orde veelvuldig omgekomen. Omdat dat onpraktisch was, stond Karel V hen in 1516 toe om ook een lichtere keten of een zijden band te gebruiken.

In de 16e eeuw koos men bij minder formele gelegenheden voor lichtere ketenen van kleine ronde schakels. In de 18e eeuw werd het gulden vlies steeds vaker samen met de vuurslag en een steen met geëmailleerde vlammen aan een rood lint om de hals of op de borst gedragen.

Deze draagwijze werd al snel de norm aan de Europese hoven, en de keten en de habijt raakten in onbruik. De keten werd alleen nog bij de verlening gebruikt. Op de blauwe gesp van het halssieraad stond nu "PRETIVUM LABORVM" en "NON VILE" geschreven wat "als beloning voor prestaties" en "niet te koop" betekent. De adelsgemeenschap was nu ook een "Orde van Verdienste" geworden.

Prachtig gemaakte Herautenketting
voorzien van de versierselen van de
Orde van het Gulden Vlies

In de 18e eeuw werden de halssieraden, die privébezit waren en niet zoals de keten na de dood van een Ridder teruggegeven moesten worden, vaak in strijd met het reglement met diamanten en robijnen versierd. De door Filips de Goede ingevoerde ordekleding bestond uit een rode mantel.

De hoofdbedekking was in de eerste jaren niet uniform, maar Karel de Stoute verordende en rode "chaperon", een baret met een lange huik. Er was ook een zwart rouwgewaad. In de late 18e en vroege 19e eeuw raakte het ornaat in onbruik. De vroege 19e eeuw zag een korte opleving van het gebruik, maar na 1830 werd het kostuum ook aan het Weense hof niet meer gezien.

Voorts er waren geen investuren en feestelijke maaltijden meer en alleen de Oostenrijkse Keizers lieten zich nog in de mantel afbeelden. De Nederlandse "Vader des Vaderlands", Willem van Oranje en andere Vorsten uit de huizen Châlon, Nassau en Breda waren Ridders van het Gulden Vlies. De protestantse Stadhouders kwamen niet voor benoeming in de tot 1805 strikt katholieke Orden (in Spanje en Oostenrijk) van het Gulden Vlies. Tijdens het Spaanse en Oostenrijkse bestuur over de Zuidelijke Nederlanden werden de aldaar wonende hoge katholieke edelen wel opgenomen in zowel de Spaanse als de Oostenrijkse tak van de Orde. De Franse revolutie bracht een scheiding van kerk en staat en Napoleons oudere broer Joseph maakte van de Spaanse Orde van het Gulden Vlies een orde van verdienste die ook aan protestanten kon worden toegekend. Eén van hen was Willem, Prins van Oranje, de latere Koning Willem II. Ook Koning Willem III, Prins Hendrik en Koningin Beatrix zijn in de Spaanse Orde opgenomen.

Prins Albert van Coburg-Saksen Gotha
met de halsversierselen
Oostenrijkse Orde van het Gulden Vlies

Willem Prins van Oranje
Spaanse
Gulden Vlies ketting

 

 

 

Koning Ludwig I van Beieren
met de Oostenrijkse
Gulden Vlies ketting

In de Belgische koninklijke familie waren en zijn veel ketens aanwezig; drie koningen en een aartshertog kregen de Oostenrijkse keten. Drie koningen en Prins Filips kregen de Spaanse keten. Leopold I was enkel een Spaans Vliesridder, de koning was een protestant. De Belgische koningen Léopold II droeg net zoals zijn schoonbroer Maximiliaan van Oostenrijk het Spaanse Vlies. Zijn broer de Graaf van Vlaanderen bezat de keten in de Spaanse tak. Ook zijn neef Albert I droeg het Oostenrijkse Gulden Vlies, terwijl diens zoon Leopold de Spaanse keten kreeg in 1923.

De Belgische Koning Albert II is Ridder in zowel het Spaanse als het Oostenrijkse Gulden Vlies. Zijn schoonzoon Aartshertog Lorenz is als Habsburger enkel in het bezit van de Oostenrijkse tak. Zijn voorganger Boudewijn was Ridder in de Spaanse afdeling. Hun schoonbroer Groothertog Jan van Luxemburg is ook Ridder in de beide takken. Boudewijn was een van drie door Don Juan de Bourbon, troonpretendent en Graaf van Barcelona in de Spaanse Orde opgenomen ridders. De vuurslag van het Gulden Vlies en het kruis van Bourgondië zijn terug te vinden in de Nederlandse Militaire Willemsorde (1815) en de Belgische Decoration Civique (1867). Ook in België is enige malen overwogen om de Orde van het Gulden Vlies als Belgische Orde in te stellen.

Spaanse Orde
Halsversierselen

Ramsvel

De volledige versierselen
van de Oostenrijkse
Orde van het Gulden Vlies

Proclamatie met het
Wapen van Filips de Goede
met de Ordeketting
van het Gulden Vlies.
Bovenaan is de
Bourgondische ‘vuurslag’ te zien.

In 1700, na de dood van de laatste Spaanse Habsburger, Koning Carlos II, gingen de Spaanse Koningen uit het Huis Bourbon eveneens deze Orde uitgeven. Deze werd daardoor gesplitst in een Oostenrijkse en een Spaanse tak. Het soevereine hoofd van de Oostenrijkse tak is thans de huidige chef van het Huis Habsburg-Lotharingen, Aartshertog Otto van Oostenrijk, de oudste zoon van Keizer Karl I. Het soevereine hoofd van de Spaanse tak is thans Koning Juan Carlos van Spanje. Hij verleende in 1985 aan Koningin Beatrix het Gulden Vlies. Uitsluitend mannelijke leden van de hoogste adel behoren tot de dragers van deze orde.

De Vorstin was de 2e vrouw die toetrad tot de orde. De andere was Koningin Isabella II van Spanje. Maar zij was dan ook zelf het staatshoofd. Na 1985 zijn ook Koningin Margaretha II van Denemarken en Elisabeth II van Groot-Brittannië opgenomen. Zij die tot de Oostenrijkse tak behoren, komen met hun soevereine hoofd op kapitteldagen bijeen, die de laatste tijd meestal in Brugge worden gehouden. De Heraut van de Orde van het Gulden Vlies maakt aan nieuwe leden plechtig bekend, dat zij in de orde zijn opgenomen en overhandigt hen de versierselen, die hiertoe behoren. De schatten van de Orde worden door de Oostenrijkse staat beheerd, volgens een internationale overeenkomst.

Otto von Habsburg
Aartshertog van Oostenrijk
Huidige Grootmeester
Oostenrijkse
Orde van het Gulden Vlies

Wapen
Otto von Habsburg


Wittelsbach diamant
als draagstuk Gulden Vlies

Wapen
Juan Carlos van Spanje

Juan Carlos
Koning van Spanje
Huidige Grootmeester
Spaanse
Orde van het Gulden Vlies

Het kostbaarste stuk dat als draaglint voor de Orde van het Gulden Vlies fungeerde was de Wittelsbach diamant. Deze steen afkomstig uit de edelstenen-verzameling van het eerbiedwaardige oude Beierse Geslacht en voormalige Vorstenhuis Wittelsbach werd in 2008 bij Sotheby in Londen voor het heel aardige bedrag van 16.7 miljoen Pond oftewel 18,7 miljoen Euro verkocht aan Graff, een Billionair. Deze deed het unieke sieraad (blauwe diamanten zijn extreem zeldzaam in deze kwaliteit) gewoon aan zijn vrouw cadeau voor haar verjaardag. Met haar 35,50 Karaat behoort deze steen tot de op twee na, in grootte gemeten, historische edelstenen in de wereld. Het wordt alleen overtroffen door de Hope diamant. In 1992 werd nog een steen van deze kwaliteit gevonden, namelijk de Tereschenko van 42.92 Karaat en ook van uitzonderlijke schoonheid.

Voor het eerst dook de Wittelsbacher op in 1722 als eigendom van de Aartshertogin Marie Amelie, echtgenote van de Keurvorst en latere Keizer Karel VII van Oostenrijk. Zij bracht de edelsteen als bruidsgeschenk mee in het huwelijk. Na haar overlijden kwam het sieraad in 1761 in bezit van haar zoon Keurvorst Max III, Joseph. Daar hij weg was van dit schitterende stukje 'speelgoed ', gebruikte Max het als hanger voor de halsversierselen van de Orde van het Gulden Vlies (zie foto). In 1774 werd bij een inventarisatie van de München Schatkamer deze diamant omschreven als van buitengewone kwaliteit, van grote schoonheid zonder vervuilingen, zodanig dat er nog niet zo'n blauwe diamant was gevonden. In 1806 bij de oprichting van het Beierse Koninkrijk werd de diamant geplaatst in de Kroon, omgeven door prachtige witte Briljanten. Openbaar kon men het sieraad nog eenmaal in 1921 bewonderen en wel tijdens de begrafenis in München van de laatste Koning van Beieren, Ludwig III. Hij stierf op 18 oktober van dat jaar in Nádasdy, Sárvár in Hongarije.

Sindsdien behoort het prachtige stuk tot de eigendommen van de Landstichting ter behoud van de Wittelsbacher nalatenschap (eigendom Vorstenhuis Wittelsbach) en maakte het deel uit van de Beierse kroonjuwelen.

Op 21 december 1931 werd de diamant, vanwege geldgebrek bij het eerder genoemde Vorstenhuis, bij Christie's in Londen te koop aangeboden maar er kwam geen bod. Sindsdien werd het stil rondom deze edelsteen. In 1961 kreeg de Antwerpse juwelenhandelaar Josef Komkommer uit een nalatenschap van de edelstenen-verzamelaar Romi Goldmuntz de kans om een diamant te kopen van zeer grote schoonheid.

Bij nader onderzoek bleek het te gaan om de Wittelsbacher diamant. Hij bood de juiste prijs en kocht hem van de erfgenamen. Komkommer wilde in 1962 de steen voor het geweldige bedrag van 1,5 Miljoen Mark verkopen aan Hertog Albrecht, de toenmalige Chef van het Huis Wittelsbach. Albrecht weigerde dit, omdat de Hertog het teveel geld vond en het bovendien niet had.

De huidige
Wittelsbach-Graff
diamant

De juwelier gaf toen opdracht, aan collega juwelier Renatus Wilm, de diamant te verkopen. Wilm vond een koper die anoniem wilde blijven.

Vervolgens kwam Heidi Horten, de vrouw van de in 1987 overleden warenhuiskoning Helmut Horten, in het bezit van de blauwe diamant. Zij had de edelsteen in 1979 van haar man als huwelijksgeschenk gekregen, zo schreef het Duitse blad Welt am Sonntag, met toestemming van de Hortens. Met een geschatte vermogen van rond de 3 miljard Euro heeft de Oostenrijkse weduwe, als rijkste vrouw van Oostenrijk, niet bepaald te klagen over geldgebrek.

Daar ook zij de historische waarde van de edelsteen herkende, bood Heidi de diamant te koop aan. Het was de bedoeling dat dit kostbare stuk terug zou komen in het land van herkomst. Maar noch het Wittelsbacher Fonds noch de Landsregering van Beieren boden op deze steen. De diamant werd voor het bedrag van 18.7 miljoen Euro verkocht aan de Londense diamanthandelaar Graff.

Op 7 Januari 2010 schreef het Amerikaanse blad The New York Times dat Graff de steen had laten herslijpen om een betere schoonheid en Brilliance te verkrijgen. Daardoor verloor de diamant 4 Karaat aan materiaal, dat volkomen teniet werd gedaan door het ontstane schitterend beeld van de Wittelsbach diamant, tegenwoordig de Wittelsbach-Graff edelsteen geheten. De Duitse juwelen-expert Ottomeyer bekeek de steen zeer kritisch en vond dat deze zijn historische waarde had verloren door het opnieuw te laten slijpen. De expert noemde het een daad van vandalisme en meende dat Graff de diamant tot een snoepbonbon had om laten toveren. De edelsteen werd vanaf 29 januari tot en met 1 september 2010 tentoongesteld naast de beroemde Hope-diamant in het National Museum of Natural History van het Smithsonian Institute in Washington D.C. in de U.S.A. Als vervolg daarop zal de steen ook worden tentoongesteld vanaf eind oktober 2010 tot en met januari 2011 in de Harry Frank Guggenheim Hall of Minerals van het Amerikaanse Musuem van Natural History in New York City.