OranjelogoDe Huizen van Oranje en NassauNassau
Majesteitelijke Juwelen en Sieraden
Vlag BelgieVlag NederlandGouden KroonVlag LuxemburgVlag Duitsland

Koninklijke Kostbaarheden

Gouden en Zilveren Cadeaus

Op 28 februari 1802 stuur de dochter van Prins Willem V, Prinses Louise, een brief naar haar moeder Prinses Wilhelmina van Pruisen. Deze verbleef nog
steeds in Hampton Court in Engeland. In dat schrijven maakte de Prinses een aantal opmerkingen over schilderijen van de hand van Prinses Anna van
Hannover. Anna was de echtgenote van Prins Willem IV. Zij vond deze fraai van opzet en mooi van kleur. Dat Anna van Hannover een zeer creatieve
geest had, was algemeen wel bekend. Minder bekend was dat Anna ook schilderijen - en niet onverdienstelijk - maakte. Er zijn nog een paar van deze
kunstuitingen - die in 1740 en 1745 in Oraniënstein tot stand waren gekomen - van deze Prinses bewaard gebleven en zijn te vinden
in de archieven van het KHA.

Niet alleen richtte de echtgenote van Prins Willem IV zich op het schilderen. Ook componeerde deze adellijke dame bepaald niet onverdienstelijk.
Muzikaliteit kon Anna niet ontzegd worden. Van haar werk leek niets bewaard gebleven, totdat enkele jaren geleden daar verandering in werd gebracht.
Een uitgebreid onderzoek van de inventaris op Oraniënstein, wees uit dat er in het jaar 1802 enkele van haar compositie's werden genoemd.
Het waren genrestukken die een behoorlijke mate van kwaliteit in zich borgen. Verdere navorsingen wezen uit dat deze stukken aanwezig waren in het
archief van het KHA.

Anna van Hannover had meer in huis dan het bovenstaande. Zij was bijvoorbeeld ook een niet overdienstelijk beeldhouwer. Zij was dol om halfedelstenen.
Ook andere soorten gesteenten kwamen bij haar in aanmerking. Een van de opvallenste en mooiste stukken maakte zij uit Amber. In feite was het in de
17e en 18e eeuw een Vorstelijke vrijetijdsbesteding. Frederik de Grote placht er uren en uren mee bezig te zijn in het Palais de Versailles waar hij
verbleef. Daar bevond zich nog de originele draaimachine voor het vervaardigen van Amberstukken. Diverse motieven werden hiervoor gebruikt.
Sommige waren zeker niet makkelijk te maken. Tenminste voor een goedwillende amateur, die de Prinses was.


In Pruisen werd veel amber gevonden, zodoende had Frederik de Grote een heel aardige voorraad van dat materiaal. Daar hij Prinses Anna van Hannover
goed kende en haar ook zeer waardeerde, zond hij een een partij in 1740 om het te bewerken. Anna kon daarop haar 'amberlijke lusten' bot vieren.
Iets waarvan wij thans kunnen genieten. Op de linkerfoto is een door haar uit amber vervaardigde snuifdoos afgebeeld. Rond 1740 werd deze gemaakt.
De doos is voorzien van een dierenkop die afneembaar is. Onder deze kop bevindt zich een Zilveren rand, voorzien van een diamant. De onderste rand
werd gemaakt van een fraai gemodelleerde Gouden strip. Binnenin is een holle ruimte waarin geurige stoffen konden worden verborgen.
Even de snuifdoos open ; een snuifje nemen en de wereld zag er weer anders, beter, uit. Komt u dat bekend voor?

Johan Willem Friso van Nassau-Dietz werd door de kinderloze Koning-Stadhouder Willem III aangewezen als universeel erfgenaam van zijn bezittingen.
Toen in 1702 de testamentaire bepalingen in werking traden waren de rapen gaar. Het testament werd - daar de belangen heel groot waren - onder meer
aangevochten door Frederik I, Koning van Pruisen. Luidens het testament van hun beider grootvader Prins Frederik Hendrik, zou bij het uitsterven van
de mannelijke lijn, de Oranjenalatenschap overgaan op de nakomelingen van de oudste dochter van Frederik Hendrik, Louise Henriëtte, de moeder
van Frederik I.
Helaas zou deze vervelende erfeniskwestie nog decennia het geslacht van Oranje-Nassu-Dietz etc. dwarszitten.

Ondertussen interesseerde deze hele kwestie Johan Willem Friso geen syllabe. Hij was inmiddels, in 1709, getrouwd met een aardige dame, Maria Louise
van Hessen-Kassel (1688-1765). Dat huwelijk was heel gelukkig maar zoals vaker voorkomt, gooide de natuur roet in het eten. De Prins van Nassau-Dietz
was geen lang leven beschoren en verdronk tijdens een zware storm op het Hollands Diep. Een lange periode als weduwe brak voor Maria Louise aan.
Deze Prinses was een vrouw met karakter en in Friesland werd zij vanwege haar sociale opstelling tegenover het volk, Marijke Muoi genoemd.

Zowel voor haar zoon Willem IV als haar kleinzoon Prins Willem V. nam zij jarenlang de honneurs waar. Dat deze zij met verve, kennis en kunde. Om alles
in goede banen te leiden, was Maria Louise, regelmatig op pas met haar koets. Uit die tijd is wel een en ander bewaard gebleven. Een van de interessantste
voorwerpen die in het bezit zijn van het KHA, is haar reisservies. Op de middelste foto staat het pontificaal te blinken. De reiskoffer waarin het is
opgeborgen, werd van hout gemaakt en voorzien van een lederen omhulsel. Het was eem compleet servies, in 1025 vervaardigd in Meissen en heeft een
Chinois serie decoratie die is verguld met Goud. Sierlijke tekeningen van Chinese landschappen voltooiden het geheel. Deze decoratie werd ontworpen
en geschilderd door J. G. Horoldt. Het behoorde tot het vroegste Europese porselein. De verguld Zilveren monturen en het aanwezige bestek waren
in Augsburg ontworpen door de zilversmid Joh. Phil. Schuch.

Op 21 juni 1791 bracht de VOC-functionaris in Kanton Ulrich Gualterus Hemmingson, een bezoek vaan Prins Willem V en Prinses Wilhelmina op het
Huis ten Bosch in 's Gravenhage. Bij deze ontmoeting bood hij, als blijk van grote waardering voor het Prinselijk paar, een omvangrijk geschenk aan.
Het bestond uit een Chine-de Commande servies, Lakmeubelen, andere lakwerken en kostbare Chinese stoffen zoals zijde. In een brief aan haar dochter
Prinses Louise in Brunswijk, maakte de Prinses gewag van een omvangrijk cadeau. Wilhelmina was zeer in haar nopjes met deze gift. Er was meer dan
voldoende meubelen om twee tot drie kamers compleet te vullen en de Chinese zijde sprak haar ook aan. Tevens maakte zij gewag van het servies,
waaronder een thee-, een koffie- en een chocoladeset. Helemaal weg was de Prinses van het 1455-delige Sevres servies en hoog gaf zij op van
de toch fraai gevormde groenteschalen, borden, kopjes,schotels, soepterrines. Op de rechterfoto is een groentenschaal met deksel afgebeeld,
die deel uitmaakt van dat servies.

Over de kunstaankopen van zowel Koningin Emma als Koningin Wilhelmina is veel geschreven. Zeker met betrekking tot de periode 189-1910.
De belangstelling van beide Koninginnen bleef echter niet beperkt tot schilderijen en andersoortige zaken. In hun toch al aanzienlijke verzamelingen
bevonden en bevinden zich prachtige uitingen van een hoogstaande artistieke kwaliteit. Ondanks deze verzamelingen zijn er altijd wel stukken die niet
tot een van de collectie's behoren die het Huis van Oranje-Nassau bijeen had gebracht. Daarom bestuderen medewerkers van het KHA veilingcatalogi
om gewilde onderdelen die waarschijnlijk ooit hebben toe behoort aan het Koninklijk huis, weer in de verzamelingen te plaatsen. Een loffelijk streven.

Ofschoon er in de 17e eeuw al enig glaswerk werd vervaardigd, begon dit pas in de 18e op wat grotere schaal te gebeuren. Ontelbaar waren de glazen
waarop de Prins en zijn gemalin Anna van Hannover, Prinses van Groot-Brittannië, Ierland en Schotland of hun wapens werden afgebeeld. Van al die
smuck bleef niet veel meer over. Een paar zijn in het bezit van de Koninklijke familie en die worden bewaard in der Koninklijke Verzamelingen.
Het KHA heeft er - wonder boven wonder - een aardige collectie van bijeen gesprokkeld. Ook uit de periode erna is glaswerk goed bewaard gebleven.
Veel van die glazen hebben een radgravure en werden met de hand vervaardigd uit kristal.


Zilver is een grondstof die heel gemakkelijk is te verwerken. Je kunt er de mooiste - netzo als met Goud en Platina - ontwerpen mee modelleren. Om iets
daaruit te vervaardigen dien je kunstenaarstalent te hebben en dat is maar aan weinigen gegeven. Een talent om figuren te creëren en te maken zoals
we dat in het dagelijkse leven voor ons zien en gebruiken. Netzo als het talent van Juliana. Koningin Juliana sprak tijdens haar inhuldiging op 6 september
1948 in de Nieuwe kerk te Amsterdam de historische woorden, 'Wie ben ik dat ik dit doen mag'. Tijdens die plechtigheid straalde zij eenvoud uit.
Weg was de pracht en praal die bij de inhuldiging van haar moeder Koningin Wilhelmina zo duidelijk wel aanwezig was. Dat was talent ten voeten uit.

Wij zijn weg van pracht en praal. Ook in kunstuitingen. Het maakt niet uit of het een schilderij van Rembrant van Rijn betreft of een schitterende Zilveren
Bokaal of misschien wel een Gouden bestek waar je alleen maar naar kunt kijken. Ermee eten lijkt dan een zeldzaamheid. Alhoewel, er zijn een klein aantal
mensen op deze aardkloot die dat wel doen. En wij zorgen ervoor dat zij dan kunnen blijven doen. Enerzijds is dit discutabel en anderzijds hebben we het
zelf in het leven geroepen. Door de tijd gemeten lijkt de Adel niet meer wat het is geweest; machtige heren tegen wie je dank je moest zeggen. Ook de
Vorstelijke Huizen hebben van dit soort zaken last. Lange tijd leek het er naar uit te zien dat het Huis van Oranje-Nassau op sterven na dood was.
Tegenwoordig en dat willen we graag duidelijk maken, leeft dit geslacht als nimmer tevoren. De nazaten zijn in redelijke getale aanwezig voor opvolging.

Tsja, diepzinnig? Neen hoor. Dus gaan we nu maar eens verder met hun verzamelingen, die de tand des tijds hebben doorstaan. Van de Stadhouders
Prins Maurits, Prins Frederik Hendrik, Prins Willen II en de Koning-Stadhouder Willem III, is veel verloren gegaan. Slechts de titels van hun waardigheid
zijn bewaard gebleven, doordat de desbetreffende documenten namelijk berustten in het Archief van de Nassause Domein Raad. Door toedoen
van dochterlief Henriëtte Catharina(1637-1708) die gehuwd was met Johan George II, Vorst van Anhalt-Dessau(1627-1693), kwam een deel
van dat archief van Frederik Hendrik in Dessau terecht. Het bleef op slechts enkele onderdelen na bewaard. Ook objecten uit die tijd zijn spaarzaam.

Niettemin kon Koningin Wilhelmina (zie linkerfoto) in 1920 deze drinkhoorn aankopen, waarop het wapen de de deviezen van Prins Maurits waren
aangebracht. Of deze hoorn de Prins echt heeft toebehoord lijkt twijfelachtig te zijn. Experts beweren namelijk dat dit niet uit zijn tijd stamt of dat het
een exemplaar is geweest dat meer voor propagandistsiche doeleinden werd gebruikt. Op de rechterfoto staat een Zilveren rozenwatersprenkelaar uit
het begin van de 17e eeuw. Het sierstuk werd aangeboden aan Prins Hendrik 'De Zeevaarder' tijdens zijn reis naar Nederlands-Indië.
De gulle gever was Sultan van Bankalan die het geschenk aanbood in 1937 op Madura, een onderdeel van het huidge Indonesie.


Prins Hendrik op jonge en oudere leeftijd

Wie was nu Prins Hendrik 'De Zeevaarder'? Een bekende naam in de geschiedenis van het geslacht van Oranje-Nassau. Willem Frederik Hendrik (Paleis
Soestdijk, 13 juni 1820 – Kasteel Walferdange, Luxemburg, 13 januari 1879), Prins der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, was de derde zoon van
Koning Willem II der Nederlanden en Koningin Anna Paulowna. Hij had een lange carrière in de marine en werd daarom ook wel de Zeevaarder genoemd.
Op zijn sterfbed werd hij nog tot admiraal benoemd. Tevens werd hij door zijn broer Willem III op 5 februari 1850 aangesteld als stadhouder van het
Groothertogdom Luxemburg. Zijn residentie als stadhouder was het Kasteel Walferdange (Luxemburgs: Walfer, Duits: Walferdingen).Tegenwoordig is
dit Kasteel onderdeel van de Universiteit van Luxemburg. Hendrik was tweemaal gehuwd. Hij huwde voor de eerste maal op 19 mei 1853 te Weimar met
Amalia van Saksen-Weimar-Eisenach (1830-1872), dochter van Karel Bernhard van Saksen-Weimar-Eisenach. Dit huwelijk bleef kinderloos.

Omdat de Oranje-dynastie destijds aan een zijden draadje hing, besloot hij na het overlijden van zijn gemalin te hertrouwen, net als zijn broer Willem die
sinds 1877 weduwnaar was. Zijn broer de koning had drie zoons, waarvan de oudste (kroonprins Willem) al tegen de veertig liep, en nog steeds niet
getrouwd was. De tweede zoon Maurits overleed op 7-jarige leeftijd aan hersenvliesontsteking, terwijl de derde zoon, Alexander, een slechte gezondheid
had. Verder was er alleen nog een oom, Frederik, maar deze had geen mannelijke nakomelingen. Op 24 augustus 1878 huwde Hendrik daarom te Potsdam
met Prinses Maria van Pruisen (1855-1888), dochter van Prins Frederik Karel (1828-1885). Na vijf maanden overleed de bruidegom echter al,
behoorlijk onverwacht. Het tweede huwelijk van zijn broer was net gesloten, waar hij getuige zou zijn. Hij kon hier echter niet heen gaan
omdat hij te ziek was, maar er leek geen reden tot ongerustheid.

Ook uit zijn tweede huwelijk had Prins Hendrik geen kinderen, en de zoons van zijn broer kwamen jong te overlijden. Hierdoor hing de dynastie af van
de dochter uit het tweede huwelijk van zijn broer Willem III, zijn toen nog ongeboren nichtje, de latere koningin Wilhelmina. Weduwe Maria leek na
Hendrik's dood zonder een cent achter te moeten blijven omdat zij en haar echtgenoot niet in gemeenschap van goederen getrouwd waren.
De erfenis ging dus naar de familie van de overledene. Haar vader, Frederik Karel, ging naar Den Haag om bij Willem III te pleiten voor een gedeelte van
Hendrik's erfenis voor zijn dochter maar hij kreeg nul op het rekest. Koning Willem III kon het geld van zijn broer uitstekend zelf gebruiken,
zeker omdat hij net zelf getrouwd was met Emma van Waldeck-Pyrmont.

Natuurlijk voelde de Hohenzollern zich gekrenkt en met hem voelde geheel Pruisen zich in zijn eer aangetast. Frederik Karel was immers een man met
een groot prestige: neef van Keizer Wilhelm I, neef en wapenbroeder van Kroonprins Frederik Willem. Die was opperbevelhebber van het
Tweede Duitse Leger in de oorlog van 1870, veroveraar van Metz, drager van de Pour le Mérite. Bovendien een geestrijke persoonlijkheid en een
opvallende verschijning in de Berlijnse society in zijn karakteristieke uniform van het 3e Husarenregiment Von Zieten, dat hem de bijnaam "der rote
Prinz
" verleende. Het conflict over de erfenis werd niet verder op de spits gedreven omdat Willem III juridisch te sterk stond en voor weduwe Maria
werd een nieuwe echtgenoot gevonden in de persoon van Prins Albert van Saksen-Altenburg (1843 -1902).

Het huwelijk werd in 1885 te Berlijn gesloten doch dit duurde slechts twee jaar; toen overleed Maria. Maar dynastieke geheugens zijn lang, gelijk een
olifantengeheugen. Een generatie later werd de verhouding tussen de Duitse monarchie en het Nederlandse Vorstenhuis nog steeds door deze kwestie
overschaduwd. Keizer Wilhelm II toonde zich openlijk zeer geporteerd voor een overname van de Nederlandse troon door de Duitse adellijke
familie Wied, als het geslacht Oranje-Nassau zou uitsterven. Zijn relatie tot Willem III's dochter Wilhelmina was uiterst koel. Dit weerhield haar er
echter niet van om Wilhelm II in 1918 asiel te verlenen na zijn vlucht uit Duitsland.

Friedrich Wilhelm Viktor Albert (Potsdam, 27 januari 1859 - Doorn (Nederland), 4 juni 1941), uit het Huis Hohenzollern, was van 1888 tot 1918
de laatste Koning van Pruisen en de derde en laatste Keizer van het Duitse Keizerrijk. Wilhelm werd geboren als oudste zoon van de latere Keizer Frederik
III en diens gemalin Victoria van Saksen-Coburg-Gotha, dochter van de Britse Koningin Victoria. Als zodanig was hij een kleinzoon van keizer Wilhelm I,
oomzegger van Eduard VII en een neef van George V. Hij was tevens een neef van de Tsarina Alexandra Fjodorovna (de vrouw van Nicolaas II).
Alexandra was een dochter van de Britse Prinses Alice en daarmee een kleindochter van Koningin Victoria.

Doordat Wilhelm door middel van een tangverlossing ter wereld kwam als gevolg van een stuitligging en daarbij zenuwen in zijn schouder werden
beschadigd, was hij zijn leven lang licht gehandicapt: zijn linkerarm was zo goed als verlamd en bleef in groei achter ten opzichte van zijn rechterarm,
een zogenaamde Erbse parese. Op de foto rechts tracht hij zijn kleine arm te verbergen door hem vast te houden. Zijn Engelse familie sprak altijd van
"Willy's withered arm". Hij werd in zijn jeugd gekweld door een minderwaardigheidscomplex. Zijn moeder beschouwde zijn handicap als walgelijk en
schandelijk en verkeerde tevens in de overtuiging dat hij ook geestelijk niet helemaal in orde zou zijn. Ze onderwierp de kleine Wilhelm aan een keihard
regime van fysieke en intellectuele oefeningen. Ondanks zijn handicap moest hij aan alle activiteiten meedoen en kreeg hij, naast onderworpen te worden
aan harde massages en allerlei andere vormen van 19e-eeuwse kwakzalverij, ook elektroshocktherapie. Desondanks ging hij goed vooruit.
Volgens onder meer George V was hij ondanks zijn handicap een opvallend goede schutter - zij het met een aangepast jachtgeweer.

Op 27 februari 1881 trad hij in het huwelijk met Prinses Augusta Victoria van Sleeswijk-Holstein-Sonderburg-Augustenburg (1858-1921). Hoewel dit
aanvankelijk een politiek huwelijk was - Sleeswijk-Holstein was pas sinds 1866 na oorlogen met Denemarken en Oostenrijk deel van het Koninkrijk
Pruisen en moest dus sterker aan de kroon gebonden worden - werd het snel gekenmerkt door wederzijds respect en genegenheid van beide echtelieden.
Ondanks dit huwelijk deden er echter ook roddels de ronde over Wilhelms appreciatie van het eigen geslacht, met name betreffende zijn vriend
Philipp zu Eulenburg (die algemeen bekend stond als biseksueel).

Dit kan ook anti-propaganda van tegenstanders zijn geweest want directe bewijzen voor deze aantijgingen zijn ooit geleverd. Bij de dood van Wilhelm I
op 9 maart 1888 werd Wilhelms vader Keizer als Frederik III. Frederik had echter keelkanker en stierf in juni van datzelfde jaar, zodat Wilhelm als
Wilhelm II de troon besteeg. Wilhelm had de dood van zijn vader al zien aankomen en had diens hele regeringsperiode van 99 dagen besteed aan het voorbereiden van zijn eigen Keizerschap. Hij overleed te Doorn op 4 juni 1941 en ligt daar ook begraven in een Mausoleum.


Linkerfoto: Op 30 april 1909 zag Prinses Juliana het levenslicht. Overal was er groot feest. Er was een opvolging en het geslacht Oranje-Nassau was gered
van de Wied's uit Duitsland. Als er geen opvlogester of opvolger was geweest dan waren wij door andere geregeerd. Reden genoeg voor de Amsterdamse
vrouwen en meisjes om een passend cadeau te bedenken om dat aan te bieden aan Koningin Wilhelmina en Prins Hendrik. De echtgenore van de
toenmalige Amsterdam's Burgemeester, mevrouw van Leeuwen-Waller kwam op het lumineuze idee een wieg te laten maken voor de Koninklijke baby.
Zo gezegd zo gedaan en de dames gingen aan het werk. De architect K. P. C. de Bazel kreeg de vererende opdracht om een ontwerp te maken.
De wieg werd uitgevoerd in rozenhout en Frans Zwollo Sr. tekende voor het vergulde bronswerk van de wieg en van de hemel. De sprei en
het linnengoed werden hoogst waarschijnlijk ontworpen door Georg Rueter. De bijpassende oorkonde nam J. B. Osieck voor zijn rekening.
De wieg zou ook worden gebruikt voor de nakomende generatie's van het geslacht van Oranje-Nassau.

Middelste foto: Het was traditie dat de hoofdstad van ons land ieder jaar enkele dagen werd bezocht door de Vorstin of andere leden van het Koninklijk
Huis. In 1891 vond dit bezoek ook plaats van 26 tot 29 mei. Bij de plechtige en deftige ontvangst in de Nieuwe Kerk, werd aan beide Koninginnen een
exemplaar van het programma aangeboden. dat was gedocoreerde met aquarellen van diverse kunstenaars, onder wie Nico van der Waay,
Jan Hoyinck van Papendrecht en Therese Schwartze. Koningin Wilhelmina legde tevens de eerste steen voor het Buitengasthuis, waaraan zij haar naam
verbond.Het heette dus het Wilhelmina Gasthuis. De troffel en de hamer(gemaakt van Ivoor en Zilver) met het Wapen van Amsterdam, alsmede het
voorschoot zijn bewaard gebleven en vormen tesamen met de oorkonde, onderdeel van de Koninklijke Verzamelingen.

Het leggen van eerste stenen en het dopen van schepen zijn zoals Prins Claus dat ook netjes uitdrukte de core-business van de leden van het Koninklijk
Huis. Zij worden - bij uitstek - daarvoor veelvuldig gevraagd. Het is dan niet verwonderlijk dat de eerder vermeldde verzamelingen uitpuilen van de
talloze troffels, bijlen, oorkonden en wat dies meer zij. Sommige zijn echt zeer kostbaar en andere zeer eenvoudig van uitvoering, vaak verborgen is
prachtige cassettes. Zo is de bijl waarmee Koningin Wilhelmina de Nieuw Amsterdam bij de Rotterdamse Droogdog Maatschappij doopte,
een opmerkelijk stuk. Bijl en cassette werden vervaardigd uit materialen die in het schip waren verwerkt.

In de loop van de 2oste eeuw werden bezoeken van de beide Vorstinnen in het land veelvuldiger. Dat had tot gevolg dat de cadeau's geleidelijk aan
minder kostbaar werden. Bovendien was ten tijde van de regering van Koningin Wilhelmina voorgeschreven dat cadeau's slechts na goedkeuring
werden aanvaard. Daarna zond zij een tegengift. Een en ander hield in dat de geschenken die de Koningin gedurende haar regeerperiode ontving niet
groot in aantal waren maar relatiet van zeer hoge kwaliteit. Vandaar de kostbare Koninklijke Verzamelingen die er nu zijn. Gelukkig schafte
Koningin Juliana dit systeem snel af. Voortaan stelde zij een ieder in de gelegenheid om iets aan te bieden, waardevol of niet waardevol.
H het heeft wel geleid tot een bonte en uiterst gevarieerde verzameling uit haar tijd.

Rechterfoto: Vooral uit de tijd waarin Koningin Wilhelmina het Lagere Onderwijs genoot, zijn stukken bewaard gebleven. Talloze leermiddelen hebben
de jaren goed overleefd. Meestal zijn het hele simpele dingen die elk schoolkind tot zijn beschikking had. Men denkt dan aan een schooltas, telraam,
lesklok, inkt, pennen, schriften en allerlei ander zaken die ervoor nodig werden geacht. Een van de opmerkelijkste zaken die de Koningin tot haar
beschikking kreeg, was een drietal poppen. Het waren Indische poppen die de Kroonprins van Djokjakarta, zijn echtgenote en
een Indische hofbediende moesten voorstellen. het were gebruikt bij het aanschouwelijk onderwijs dat zij kreeg.

Het is niet duidelijk waar de poppen vandaan komen maar er kan wel worden aangenomen dat deze afkomstig zijn van de Sultan in kwestie. Gezien die
innige relatie die het Vorstenhuis toendertijd onderhield met deze Javaans Vorst, lijkt het niet onmogelijk dat hij hiervoor heeft zorg gedragen.
Nederlands-Indië was in die periode voor ons van ontzagwekkend belang. We dreven er handel mee, importeerden daardoor geweldige Specerijen,
Goud en Zilver, Juwelen en nog veel meer. Wij zijn en blijven een volk van zeevaarders, eeuw in eeuw uit.