![]() |
Fortuin Oranje-Nassau |
![]() |
Basis Oranje Kapitaal
Weinig Vorsten hadden zulk een omvangrijk over bijna geheel West-Europa verspreid bezit, als de Prinsen Willem I, Filips Willem, Maurits, Frederik Hendrik, Willem II en de Koning-Stadhouder Willem III. Daarnaast pretendeerden zij nog rechten op andere goederen. Een aantal van deze bezittingen en rechten vindt men terug in de titels, die bijvoorbeeld de stadhouder Willem V voerde: Prins van Oranje en Nassau, Graaf van Katzenelnbogen, Vianden, Dietz, Spiegelberg, Buren, Leerdam en Culemborg, Markgraaf van Veere en Vlissingen, Heer en Baron van Breda, Beilstein, de stad Grave en de landen van Cuyk, Liesvelt, Diest, Herstal, Cranendonck, Warneton, Arlay, Nozeroy, St. Vyt, Dagsburg, Polanen, Willemstad, Niervaart, Steenbergen, IJsselstein, Bredevoort, St. Maartensdijk, Geertruidenberg, Turnhout, Zevenbergen, de Hooge en Lage Zwaluwe en Naaldwijk, onafhankelijk Heer van Ameland, Erfburggraaf van Antwerpen en Besançon. De bezittingen en titels van de eerder genoemde Prinsen waren nog talrijker. Deze kunnen naar hun herkomst in hoofdzaak worden onderscheiden in de volgende groepen:
|
||
Prins Willem IV |
Men ziet het, de bezittingen van de Oranje-Nassau's waren in bijna alle huidige landen van West-Europa gelegen. In Nederland, België, Luxemburg, Frankrijk, de Duitse Bondsrepubliek, terwijl aanspraak gemaakt werd op goederen in Zwitserland. De Stadhouders Willem I tot en met Willem III waren luisterrijke Vorsten, die in het West-Europa van hun tijd een grote rol speelden. Het is daarom niet verwonderlijk, dat verschillende in hun bezittingen gelegen steden zich nog altijd op historische gronden met elkaar verbonden gevoelen: Zij hebben dezelfde historische herinneringen. Orange, Breda, Dillenburg en Diest hebben deze verbondenheid in een "jumelage" vorm gegeven. De belangrijkste bezitting, waaraan de herinnering ook thans nog in de titulatuur van de Koningin bewaard blijft, was wel het Prinsdom Orange. Dit Prinsdom gaf de Nassau’s een bijzonder aanzien: Doordat het souverein was, stond de Prins op één lijn met de andere souvereine Vorsten van Europa, de Koningen van Frankrijk, Engeland, Spanje, enz., evenals de Staten-Generaal, die hier te lande de soevereiniteit uitoefenden. Dit bracht mede, dat de Prins in zijn Prinsdom de rechtspraak in hoogste ressort uitoefende, de rechten had van gratieverlening, muntslag, verheffing in de adel, verlening van asiel, etc. De Prinsen maakten van al deze rechten gebruik. Na de dood van Prins Willem III in 1702, werd het Prinsdom door de Fransen bezet en bij de vrede van Utrecht in 1713 ging de soevereiniteit over naar de Franse Koning, die de Prins van Conti, die rechten op de erfenis van de Châlons pretendeerde, als Prins van Orange erkende. |
Prins Willem V |
Zo kon de titel van Prins van Oranje, vele jaren met veel glorie gevoerd, voor de Nederlandse Nassau’s behouden blijven. Ook alle andere buiten de Nederlanden en het Nassause stamland gelegen bezittingen, die Prins Willem I, 'de Zwijger' van Oranje had en die op zijn opvolgers zijn vererfd, waren reeds in de 17de eeuw en het begin van de 18de eeuw voor de Nederlandse Nassau’s verloren gegaan. In de erfenis, die Willem I van Oranje van René van Châlon had verkregen, bevond zich een groot aantal Heerlijkheden in de Franche-Comté, die de Châlons in 1239 door een ruil met de Hertog van Bourgondië hadden verkregen, rijke bezittingen, zoals de helft van de zoutmijnen van Salins. Nozeroy, Lons-le-Saunier, Arlay met zijn grote Kasteel, etc. in totaal ongeveer 30 stuks. Bij de verdeling van de nalatenschap van Karel V was het Graafschap Bourgondië, de Franche-Comté, aan Philips II gekomen en na de opstand heeft hij in 1579 alle bezittingen van Prins Willem van Oranje daar in beslag genomen. Na de vrede van Munster in 1648 werden deze aan Prins Willem II teruggegeven. Deze Prins alsmede Prins Willem III hebben er toen enkele tientallen jaren ook daadwerkelijk het bewind over gevoerd. Bij de Vrede van Nijmegen had de Spaanse koning het gebied met Besançon aan Frankrijk afgestaan, nadat Koning Lodewijk XIV het in 1674 reeds had veroverd. De Franse koning erkende toen de aanspraken, die anderen op de nalatenschap van de Châlons pretendeerden; het kasteel van Arlay, waar Prins Willem I eens, zijn ontvanger-generaal van het ,,Maison de Châlon", Jean de Virieu, vader van een hofmeester van de Prins, liet wonen, was sindsdien in handen van de familie Aremberg en haar nakomelingen. Aan enkele plaatsen in dit gebied waren belangrijke herinneringen verbonden:
In Lons-le-Saunier had de pompeuze begrafenis van de grote veldheer Philibert van Châlon plaats gevonden en in het kasteel van Noszeroy had zijn moeder Philiberthe van Luxemburg, Prinses van Orange, gewoond. De aanspraken, die de Nassau's als erfgenamen van het ,,Maison de Châlon" konden doen gelden op Neuchâtel en Valengin, stond Prins Willem III in 1694 aan Koning Frederik I van Pruisen af. Doordat de Longuevilles, die hun aanspraken op de erfenis van de Châlons daar hadden kunnen realiseren, kort tevoren waren uitgestorven, kon de Pruisische Vorst zich de heerschappij over Neuchâtel in werkelijkheid verschaffen. In 1717 benoemde hij daar tot zijn gouverneur François de Langes de Montmirail, die destijds de laatste gouverneur van Prins Willem III in Orange was geweest. Als herinnering aan deze relatie hangt thans nog zijn portret in het Kasteel van Neuchâtel en bestaat er in het Kanton Neuchâtel nog een landhuis, naar de Heerlijkheid in het Prinsdom Orange ,,Montmirail" genoemd. Bij de regeling van de erfenis van Willem III tussen de Friese Nassau's en de Koning van Pruisen in mei 1732 gingen alle bezittingen buiten de Nederlanden, behalve het Nassause stamland, voor de Nassau's verloren, terwijl ook enkele belangrijke bezittingen in de Nederlanden, zoals Naaldwijk, Hoge en Lage Zwaluwe en Turnhout aan de Pruisische Koning toevielen. Maar ten aanzien van alle goederen, behalve Meurs en Lingen, werd bepaald, dat beide partijen, de Friese Nassau's en de Hohenzollern's, de titels en wapens zouden mogen blijven voeren. Zo kwam het, dat men ook thans nog enige daarvan in wapens van leden van het Koninklijk Huis terugvindt. Na de omwenteling van 1795 werden de Heerlijke rechten afgeschaft, evenals in Frankrijk en België. Dit gold ook voor de Heerlijkheden van de Prins. Zijn onroerende goederen werden verbeurd verklaard. Bij de Vrede van Amiens ( 1802) werd hem tegen formele afstand van alle waardigheden en domeinen in de Republiek als schadeloosstelling een gebied in Duitsland toegewezen (Fulda, Corvey, Weingarten en Dortmund). Bij het Verdrag van Wenen kwam een gedeelte van het oude Nassause land, alsook Fulda c. a. aan Pruisen, terwijl de rest van Nassau aan de Walramse tak van de Nassau’s werd toegewezen. Daarmede ging de schadeloosstelling van 1802 teloor. Maar volgens de Grondwetten van 1814 (art. 13) en 1815 (art. 31) zou aan de Koning, desverkiezend, zoveel van de domeinen in volle eigendom als patrimonieel goed worden overgedragen als een zuiver inkomen van vijf tonnen goud opbracht. Hetgeen geschiedde bij een Wet van 26 augustus 1822. Daarmede herleefden echter niet de vroegere aan die domeinen verbonden Heerlijke rechten en titels. Koning Willem II heeft vervolgens bij de Grondwetswijziging van 1848 de domeinen, die hem krachtens de wet van 1822 als patrimonieel goed toekwamen, als Kroondomein aan de Staat teruggegeven (Grondwet van 1848, art. 27). Tot dit Kroondomein behoorden o. a. de oude bezittingen in Klundert, oudtijds Niervaart, in Zeeuws-Vlaanderen, in het Land van Cuyk en in de Biesbos (waar tal van boerderijen namen van leden van het Koninklijk Huis uit de 19de eeuw dragen). Breda, de woonplaats van de eerste Nassau's in Nederland, werd standplaats van een rentmeester van het Kroondomein. Ameland was tot de Rijksdomeinen blijven behoren. De heerlijkheid Soest, Baarn en Ter Eem was particulier domein van de Koning, aanvankelijk de Prins van Oranje, geworden. Tenslotte was bij de Wet van 22 november 1972, waarbij het financieel statuut van het Koninklijk Huis werd geregeld, het Kroondomein met het Staatsdomein verenigd. In tal van gemeenten - die eens tot het bezit van de Oranje-Nassau's behoorden- worden herinneringen aan het zeer uitgestrekte bezit van de Nassau's bewaard. In Breda het Kasteel en de graven van de eerste Nassau's, in Nederland, in Diest het graf van Prins Philips Willem, in Nassau het slot Oraniënstein, in Dillenburg de graven van Willem de Rijke en Juliana van Stolberg; in Orange is enkele jaren geleden het 400-jarig bestaan van het door Lodewijk van Nassau als gemachtigde van Prins Willem I gestichte ,,College" herdacht; de toeristische route tussen Orange en Orpierre heet de ,,Route des Princes"; in Klundert de door Prins Willem I aangelegde wallen en grachten en het door Prins Willem IV geschonken orgel: daar wordt ook door de naam van de Manciapolder de herinnering wakker gehouden aan de Spaanse edelvrouw Mencia de Mendoza, de derde gemalin van Graaf Hendrik III van Nassau (1483-1538), na diens dood hertrouwd met Ferdinand van Aragon. In Willemstad in de naam van het stadje; in vele gemeenten in de naam van polders (Willemspolder, Oranjepolder, Prinsenpolder, enz.). Vooral tussen Orange en Breda, later ‘s-Gravenhage, was er in die tijd van Prins Willem I, de Zwijger van Oranje een druk verkeer. Enkele hovelingen van Prins Willem I kwamen uit Orange, telkens reisden ambtenaren uit Orange voor besprekingen naar Nederland, Zijn zoon Prins Maurits zond een aantal deskundigen naar Orange om daar het machtige Kasteel te versterken en de bolwerken te bouwen, jonge Orangenaren kwamen in het Staatse leger dienen, refugiés kwamen naar Nederland. De relaties met de andere gebieden buiten Nederland waren minder intens: wel zag men in de 2e helft van de 18de eeuw een aantal personen uit Nassau betrekkingen in Nederland verwerven. Thans is het verkeer tussen de oude bezittingen van de Oranje-Nassau’s voornamelijk van toeristische aard. Er zou alle reden zijn dit te intensiveren. Veel van deze bezittingen zijn een bezoek waard. Reeds in de 12e eeuw hadden de Graven van Nassau betrekkingen in de Nederlanden aangeknoopt. Graaf Hendrik II, de Rijke huwde met een jonge Gelderse Gravin Machteld van Gelre. Dit huwelijk had invloed op de verkiezing in 1267 van Prins Jan van Nassau, wiens standbeeld op het Domplein vlak voor het Senaatsgebouw van de Universiteit van Utrecht staat, tot Elect van die stad. Jan was de broer van Walram en Otto van Laurenburg. Dankzij de steun van de Gelderse Graaf Hendrik II, lukte het hem zover te komen. De geschiedenis van deze 'élect' die nooit tot Bisschop werd gewijd, omdat de toenmalige Paus de erkenning weigerde, is zeer bekend geworden. Netzo als het ging met Prins Adolf van Nassau die in 1288 tot Roomse Koning werd gekozen, zo verging Graaf Jan als elect. Hij was niet opgewassen tegen de grotere machten van Kerk en Staat. Zijn bestuur eindigde dan ook met onderwerping aan de Paus die hem in de ban had gedaan. Het waren alweer de Nassauers die dit deden. Wij kunnen wel doorgaan met meer Nederlandse huwelijken van andere leden van het geslacht van Nassau te vermelden. Maar overal komt hetzelfde beeld naar voren van een geslacht dat de top wenste te bereiken. Echter een huwelijk stond aan de basis van het fortuin van de Huizen van Oranje en Nassau. Dat was het huwelijk van Graaf Otto II, de Stichter van de Dillenburgsche Linie met Adelheid. erfdochter van Vianden waardoor dit Graafschap in het bezit van het geslacht van Nassau geraakte. Dat Graafschap was eigenlijk een 'leen' van de Hertogen van Luxemburg en met andere bezittingen van dit Hertogdom zoals St.Vith, Butgenbach, Daesburg en de Brabantse baronie Grimsbergen kwam het toch in de handen na de Nassau's. Toch was dit alles maar 'spielerei'! Edoch, veel gewichtiger was het trouwen van Graaf Engelbrecht I, kleinzoon van Otto II en zoon van Johan I, met Jehenne van Polanen de zeer rijke dochter van Jan van Polanen. Want hierdoor werd de grondslag gelegd van de rijkdom van de Huizen van Oranje en Nassau. In de Nederlanden kwamen de Graven van Nassau in een geheel andere economische structuur dan in hun thuisland. Van oorsprong alleen een uitgebreid geografisch begrip, hadden de Graven langzamerhand de verloren gegane naam van het verbrokkelde Hertogdom Lotharingen vervangen door die van het geslacht Nassau. De Nederlanden waren voorts verder voortgeschreden in hun culturele structuur dan in het landbouwgebied Nassau mogelijk zou zijn geweest. De grote territoriale machten in de Nederlanden waren - behalve misschien in het Noorden - goed gevestigd en boden voldoende mogelijkheden aan de Graven van Nassau om van daaruit verder te bouwen en uit te breiden. Er was namelijk al een basis gelegd, waarin Graafschappen als Holland, Zeeland en Henegouwen onder een huis waren verenigd, Het Huis van Oranje. Dat gold evenzo voor Brabant en Limburg. Toch duurde het tot de 15e eeuw voordat dit proces van uitbouwen, dat door vele huwelijksverbintenissen gevoed werd, zulke verstrekkende gevolgen zou hebben. Het was de tak van het Franse Koningshuis van Valois die dit als eerste bereikte. Het hoofd van dit Huis, de Hertog van Bourgondië, kwam in 1384(14e eeuw) in het bezit van Vlaanderen en vandaar strekte het Bourgondische Huis - in de 15e-eeuw - zijn vangarmen uit over het grootste gedeelte van de Nederlandse Gewesten. Gewesten als Brabant-Limburg, Henegouwen-Holland-Zeeland, Namen, Luxemburg werden toegevoegd en reeds werden het Sticht en het Hertogdom Gelderland bedreigd. Gedurende dit proces verscheen het Grafelijk Huis van Nassau in de Nederlanden. Het raakte hier door verscheidene goed doordachte en wel overwogen verstandshuwelijken in het bezit van een groot aantal lenen die alle van grote territoriale Heren afhingen en waar de rechten die zij er konden uitoefenen, zeer varieerden. |
|
Nassau omstreeks 1547 (links) en omstreeks 1812 (rechts) |
Hoge en aanzienlijk Edelen konden zij worden, zeer rijke grootgrondbezitters en in die positie hebben Graaf Engelbrecht I en zijn opvolgers zich geschikt. Zo was ook de rijkdom van het geslacht van Polanen onstaan. Willem, een bastaardzoon van Heer Philips van Duivenvoorde, die zelf Heer van Polanen werd, stammend uit het toen zeer machtige geslacht van de Wassenaars, was er de maker van. Het is wel pikant te noemen, dat een Hollander de weg voor de materiële positie van het Huis van Oranje had voorbereid in deze Gewesten. Deze Willem, die de bijnaam Snickerieme kreeg, was kennelijk een bijzonder pientere jongen. Hij trad als geldschieter op. Bij het sterk toenemende betekenis van het geldwezen - dat nog in de kinderschoenen stond - kon dit een zeer goed en voordelig bedrijf worden. Zijn cliënten waren vooral Hoge Edelen als Willem III van Henegouwen-Holland-Zeeland en Jan III van Brabant en vele anderen. Zij konden toen ook al zeer veel geld voor een bewapeningswedloop gebruiken. Willem maakte hieruit zeer forse winsten en won door zijn integere handelswijze - als je dat al zo kon noemen - het vertrouwen zijner clientèle. |
Zo kreeg hij kans om land, dat toen veel meer dan nu als de veiligste belegging mocht worden beschouwd, gemakkelijk te kunnen verwerven. Voorts kon hij zich verzekeren van politieke invloed. Zijn aandeel in de politieke ontwikkelingen in de eerste helft van de 14e eeuw was evident. Daarvoor werd hij geridderd en huwde de arme maar aanzienlijke Jonkvrouwe van Vianen. Bij zijn verscheiden (1350) liet hij een zeer uitgebreid landbezit na, waarvan de jaarlijkse opbrengst geschat werd op 5 miljoen Francs. Zijn huwelijk was kinderloos en daarom vermaakte hij het leeuwenaandeel van zijn erfenis aan zijn neef Jan van Polanen, zoon van zijn broer Jan, Heer van de Lek. Neef Jan had slechts een dochter en zij heette Jehenne van Polanen en die trouwde op zeer jonge leeftijd in 1403 met Engelbrecht I, Prins van Nassau. Het bezit dat zijn bruid meenam in haar huwelijk, lag verstrooid over de Gewesten Holland, Zeeland, Brabant, Henegouwen en Utrecht. Belangrijke goederen waren de Heerlijkheid Geertruidenberg (toen in Holland gelegen) met een kasteel waar Willem veel tijd had doorgebracht, de Niervaart en de Klundert, de Heerlijkheden Oosterhout en Dongen, de baronie van Breda, ook met een nieuw gebouwd kasteel, een Paleis te Brussel, een te Mechelen, de Heerlijkheid van de Lek (onder meer Ridderkerk, Lekkerkerk en Krimpen omvattende). Elders nog wat kleine goederen en het niet in de Nederlanden liggende Bisdom Luik en de Baronie van Herstal, Voegt men hierbij Vianden dat een zeer rijke opbrengst gaf met de reeds eerder genoemde Luxemburgse bijbehorigheden en Grimsbergen dat bij het uitsterven van het Huis van hun grootmoeder omstreeks 1420 aan Engelbrecht I ten deel was gevallen, dan was het duidelijk dat Engelbrecht I van Nassau een puissant rijke Prins was. |
De landerijen van de Nassau's strekten zich uit van de Rijn-Main hoek naar het Noorden tot Siegen, dan in het Oosten van Luxenburg tot aan Brabant en Holland. En dat zijn alleen maar de voornaamste gebieden. Bij de opbrengst hiervan die in de miljoenen en miljoenen beliep, kwamen nog wat tolheffingen bij in de gebieden van de Graven van Berg, de Hertogen van Gulik en de Aartsbisschoppen van Keulen. In Keulen hadden de Nassau's een eigen huis dat de verbindingen tussen de Nederlandse en Nassause bezittingen in Duitsland vergemakkelijkte. In hedendaags geld ongeveer uitgedrukt, zou de waarde der landerijen en andere bezittingen ca. €5 miljard hebben bedragen en de opbrengst daaruit ongeveer €400 miljoen. De Nassause Graven uit de Ottoonse tak van de Dynastie deden eerst wat onwennig met hun vergrote bezit. Engelbrecht I blijft met zijn broers regeren maar de heren verdelen toch dat bezit. Daarbij blijft Engelbrecht I het liefst in Breda. De beide zoons van Engelbrecht I van Nassau, regeren na de dood van hun vader samen. Helaas sterft Hendrik II jong en de andere zoon Johan IV neemt daarna alleen de taak op zich om het gehele Ottoonse bezit te besturen. Om de toekomst van dit enorme bezit veilig te stellen en het niet in andere handen te laten vallen, maakte Johan IV van Nassau, nog bij zijn leven een verdeling tussen zijn beide zoons. Engelbrecht II en Johan V, krijgen te maken met een door papa opgestelde Algemene Regeling voor de opvolging (1472). Dit was de eerste 'Erbeinigung' en deze opzet zou door meer anderen worden gevolgd om hun bezit, binnen de familie, te houden. De strekking van dit epistel was, dat de mannelijke afstammelingen alleen tot opvolging gerechtigd werden verklaard. Als er een stierf ging zijn aandeel over naar de andere mannelijke erfgenaam. In de jaren hierna worden er steeds meer goederen en stukken grond toegevoegd aan het bezit van de Nassau's. Totdat in 1512 Prins Hendrik III van Nassau in beeld verschijnt. Hij was de zoon van Johan V van Nassau en Engelbrecht II van Nassau was zijn oom. Hendrik III had een aantal kwaliteiten die hij goed gebruikte. Zowel voor zijn Vorst (Karel V) als voor hemzelf. Het eerste huwelijk van deze Prins van Nassau duurde kort en was kinderloos. In 1512 dacht Hendrik III reeds na over een huwelijk met Claudia van Châlon. Zij stamde uit een zeer aanzienlijk en zeer vermogend Bourgondisch-Frans geslacht, dat ook nog |
Engelbrecht I Graaf van Nassau |
eens het Prinsdom Orange tot zijn eigendom mocht rekenen. Rond 1515 was Hendrik III van Nassau in Parijs en joeg daar de spreekwoordelijke kogel door de kerk. Er waren grote voordelen verbonden aan dat huwelijk. De Prins bood een bruidsschat van 130.000 p en het huwelijk met Claudia van Châlon, Prinses van Orange werd gesloten. Mede door dit huwelijk viel het Prinsdom Orange later toe aan zijn Huis van Nassau. Helaas ontviel Claudia hem al na enkele jaren en Prins Hendrik III ging wederom op zoek en ontmoette in Spanje de erfdochter van de reeds overleden Markies de Mendoza, Menzia de Mendoza, 2e Markiezin van Cenette. Deze dochter van de Spaanse Grande was buitengewoon rijk. Na wat problemen te hebben overwonnen, zoals de tegenwerking van de Keizer Karel V en vooral die van de Hertog van Alva, die haar had bestemd voor zijn kleinzoon - de Alva waar de Nederlanden mee te maken kregen - werd er een jaar later getrouwd. Hendrik III was ook akkoord gegaan dat de titel Markies van Cenette, vooraf ging aan die van Graaf van Nassau, althans in Spanje. De Prins was een veertiger en zijn bruid telde zestien lentes. Dit huwelijk bleef ook kinderloos. Wederom werden er goederen, zoals grote landerijen, huizen, juwelen, fraaie gobelins en prachtige schilderijen aan het bezit van Prins Hendrik III van Nassau toegevoegd en dat was voornamelijk te danken aan zijn Spaanse vrouw. Toen Hendrik III, Prins van Nassau in 1533 stierf was zijn enige echte zoon - hij had ook nog een paar niet-erkende kinderen - Rene van Châlon, die reeds in het bezit was van een rijke erfenis. Prins Philibert, kinderloze broer van zijn moeder, had hem tot universeel erfgenaam gemaakt, onder de voorwaarde dat hij zijn titels zou voeren. Dus stelde Rene van Châlon, de titels van Châlon en die van Orange voor die van Nassau. Rene heeft niet lang van beide zeer grote erfenissen geprofiteerd. De laatste oorlog tegen Frans I kostte hem het leven en hij stierf op 15-07-1544. Kort voor zijn dood had Rene van Châlon, Prins van Oranje en Graaf van Nassau etc. etc. zijn laatste wil opgemaakt. In het leven van Prins Rene waren zijn bezittingen zeer toegenomen. Buiten hetgeen dat al werd beschreven, verzamelde hij Hooge- en Lage Zwaluwe, Roosendaal en Warneton en Ghistelles in Vlaanderen. In Frankrijk, met name in de Franche-Comté waren zeer veel bezittingen als Nozeroy, Arley, Montfaulcon, Chatillon en de zoutgroeven van Saulnerie. Veder naar het zuiden in de Dauphiné, bezat hij vier Baronieën. Verder had Rene aanspraken op goederen in de Provence, in Bretagne en zelfs in Italië, tevens het Graafschap Genève, Neuchâtel en Valegin. Die laatsten behoorden nog niet tot Zwitserland. Dit nieuwe bezit was van zo enorm van omvang zowel in eigendom als in kapitaal dat het zich nauwelijks liet schatten. De waarde was zo ongelooflijk hoog dat berekeningen daarover waarschijnlijk maanden zo niet jaren in beslag zouden nemen. In verscheidene opzichten heel belangrijk, omdat het zeer precair bezit was. Het lag voor een fors deel in Duitsland, Luxemburg, De Nederlanden, Italië en Frankrijk. Daardoor onderging het als vanzelf de wisselvallige invloeden en verhoudingen van het Habsburger Huis en die van het Huis van Valois. Daarvan werd deze grootheid aan erfenis het slachtoffer. Slechts een bizar klein deel viel ten deel aan de Nederlandse Nassau's. Maar dat was zo groot, dat de eigenaar dit nimmer alleen kon besturen. Tientallen Rentmeesters, Baljuwen, Secretarissen, Rechtskundigen en Financiële deskundigen waren benodigd. Uit de aanwezige lagere edelen en mensen die hij hiervoor al in dienst had, koos Willem I, de Zwijger Prins van Oranje, Graaf van Nassau - de uiteindelijke erfgenaam van Rene van Châlon - een Raad, die de naam kreeg van 'Raad nevens Zijne Excellentie'. De vervolgnaam van deze Raad werd de Nassause Domeinraad. Rond de vijftiende eeuw bestierde deze raad - voor het Huis van Oranje - de bezittingen in - en buiten de Republiek. Het beheer daarvan -zoals reeds was gememoreerd - omvatte veel aspecten, zowel economische, bestuurlijk als sociaal. Door al zijn huwelijken verwierf de Prins van Oranje, Willem I de Zwijger, veel bezittingen om de vorm van Heerlijkheden, Rechten op stukken grondgebied van de Republiek, Oostenrijkse Nederlanden, Luxemburg en Frankrijk. Met name het Gewest Brabant lagen belangrijke goederen. Verder lagen er Domeinen in de gewesten Friesland, Gelderland en Utrecht. Deze goederen bestonden uit Kastelen, fraaie landhuizen, stukken weide- en akkerland. Het land was voornamelijk verhuurd of zoals u wilt, in pacht uitgegeven tegen de geldende prijzen uit die tijd. Verder allerlei rechten, zoals het heffen van cijnsen (een soort van onroerendgoed belasting) , het jachtrecht, het recht op benoeming van het bestuur in de Domeinen en ga zo maar door. De waarde van al deze bezittingen was - ook voor die tijd - enorm. Wij spreken hiervan honderden en honderden, zo niet miljarden in hedendaags geld. Als administrateur behandelde de Domeinraad tal van andere zaken, de aan- en verkoop van goederen, landerijen, het verhuur en verpachtingen van landerijen. Het uitlenen van visrechten en het toestaan van de onderlinge verhuur van opstallen. Voorts de aanstelling van personen in dienst van Het Huis van Oranje, de voordracht van bestuurders in een van de goederen, de financien van de hofhouding. |
|