OranjelogoDe Huizen van Oranje en NassauNassau
Begrafenis Prins Willem van Oranje
Vlag BelgieVlag NederlandGouden KroonVlag LuxemburgVlag Duitsland

Familiegraven van Oranje en Nassau

Friese Nassau's Leeuwarden

De Grote of Jacobijnerkerk is de oudste en bouwkundig belangrijkste kerk van Leeuwarden. Al meer dan zeven eeuwen lang ontmoette de bevolking,
edelen en heersers elkaar in dit indrukwekkende monument van eeuwenoud vakmanschap. De beeldenstorm uit 1795, van de Fransen overgenomen,
vernietigde helaas vele kunstwerken niet alleen in deze kerk maar ook daarbuiten. Bij binnenkomst verrast de fraaie combinatie van de moderne
inrichting met de eeuwenoude elementen, zoals de graven voor Friese Nassau’s in het koor, de 17e-eeuwse preekstoel en het beroemde Müllerorgel
uit 1724-1727
, de bezoeker. Hier liggen al honderden jaren de Friese Nassau's begraven.

Over die graven is wel het een en ander te vertellen. De eerste Nassause Stadhouder van Friesland (1584) was Willem Lodewijk van Oranje-Nassau
(1560-1620). Willem Lodewijk was de zoon van Johan VI (de Oudere), Graaf van Oranje-Nassau-Dietz (1536-1606), de broer van Prins Willem I
(1533-1584). Willem Lodewijk (1560-1620) trouwde op 15 november 1587 te Franeker met Anna van Oranje-Nassau geboren op 5 november 1563,
overleden op 13 juni 1568 te Franeker. Zij waren neef en nicht, Prinses Anna van Oranje-Nassau was de dochter van Prins Willem I 'de Zwijger'.

Tijdens de beruchte volkswoede in 1795 naar het voorbeeld van de Franse Beeldenstorm, werden de graven van de Nassau's - zonder enig respect
en pardon - vernield. Op 1 augustus 1795 werden de graftomben en wapenkassen, in opdracht van de pasbenoemde bouwmeester Stapert en de
steenhouwer Feyens
in mootjes gehakt. Het stadsbestuur had dit zo bepaald. Zij vonden dat alle vormen van eretekenen en de daarbij behorende
Wapenborden in strijd waren met Gelijkheid, Vrijheid en Broederschap en moesten verdwijnen. Een paar dagen erna sloeg de steenhouwer met veel
optimisme het beeld van Prins Willem Lodewijk aan barrels. Elk spoor van de ooit bestaande graftombes verdween voor altijd.
Zo was de Grafkelder in de Jacobijner Kerk te Leeuwarden voor de beeldenstorm van 1795, het huidige Familiegraf van Nassau-Dietz in de Grote of Jacobijnerkerk te Leeuwarden.

Het werd echter nog gekker want op 16 augustus van datzelfde jaar, kwam de bouwmeester wederom terug met een revolutionaire menigte.
Dit maal braken zij, zonder enige fatsoensnorm of vorm van respect voor de oerledenen, de kisten open. De aanwezige as en beenderen werden in het
rond geslingerd. De tinnen en loden kisten werden vernield, men gebruikte de restanten en smolt deze om tot werkbare staven voor de smid.
De overblijvende stoffelijke resten werden bijeen geharkt en - op een na - in de natte tweede grafkelder gesmeten. Daarna werd de zaak dicht gemetseld.
De dag erna ontstak men een vreugdevuur en alle brandbare overblijfselen van hetgeen ooit het Stamhuis der huidige Oranje's was, werden met alle
feestgebaren die maar te bedenken waren en in front van de menigte die juichte als nooit tevoren, aan de vlammen prijsgegeven.

Inclusief alle vaandels en portretten uit het stadhuis. Na dit 'feestelijke gebeuren' was de Jacobijner Kerk weer zoals hij - volgens de beide heren - had
moeten zijn; schoon en vrij van alle (on)edele restanten. Op 11 oktober nam men - in alle rust - de kerk weer in gebruik en niets herinnerde meer aan de
laatste rustplaats van de Friese Nassau's. De voormalige aula, kreeg de functie van consistorikamer; een ruimte waar de Kerkeraad vergaderde.
Op bezoek in Leeuwarden in 1841, stelde Koning Willem II vervelende vragen over de grafkelder van zijn familieleden. Het werd de aanleiding voor
de kerkvoogden om op onderzoek uit te gaan, teneinde uit te vinden wat er precies was gebeurd. Na het vastellen van de diepzinnige conclusie van de
oorzaak - elk kind had hen dat kunnen vertellen - gaven zij direct opdracht tot herstelwerkzaamheden. Er werd in 1845 een proces-verbaal over
gemaakt en dat gaf het volgende beeld te zien.

Vooraanzicht van de Grote of Jacobijnerkerk en zijaanzicht kerk te Leeuwarden

Vervolgens is de kelder door uitboening en herhaald witten met kalk schoongemaakt, een in denzelve aanwezig, doch verstopt verbonden luchtkanaal
werder geopend, waardoor hoewel van een voldoend rooster voorzien, de buitenlucht weder eenen onverhinderden toegang tot den kelder heeft
verkregen. Nadat de kelder eenige tijd in dien staat was gebleven en gedurende dien tijd geen water in denzelven gezien werd, heeft men twee groote
vorstelijke doodkisten doen maken, dezelve ter beveiliging op steenen klippen geplaatst en in de eene neergelegd alle de in de hiervoren gemelde
doodkist gevonden stoffelijke overblijfselen van Princesse Maria Louiza en de andere alle de gevonden beenderen en hoofden van de doorluchtige
Vorstelijke familie.' De stoffelijke resten waren bijna compleet.

Een van de grafschenners had kans gezien de schedel van Marijke Muoi (Ned. Tante) mee te nemen.

Rond het jaar 1830 kreeg Baron van Heemstra , oud-Ontvanger der Directe Belastingen te Deinum een vreemd aanbod.

Hij kon het hoofd krijgen van Marijke Muoi. Zoals een goed ambtenmaar betaamd, nam de Baron de schedel in ontvangst en bewaarde het zeer zorgvuldig in een daarvoor vervaardigd kistje met opschrift.

Na zijn pensionering was de edelman in Den Haag gaan wonen en overleed aldaar. Acht jaren na zijn dood kreeg de Nederlandse Regering de schrik van hun leven.

In 1878 liet de Douariere Baron van Heemstra de Nederlandse Regering weten dat zij de schedel van Marie Louise van Hessen-Kassel bezat.

Marijke Muoi

Deze bevond zich tussen de nalatenschap van haar man. Het was verpakt in een zwart kistje met het opschrift:

'Marie Louise Vorstin van Hessen-Kassel, Douariere van Frislands zesde Stadhouder Johan Willem Friso, Prins van Oranje enz. enz. enz.'.

Op dat kistje waren ook haar Geboorte-, Huwelijks- en Sterfdatum vermeld.

De Baron had de schedel in 1830 van een Fries gekregen.

Toenmalig Minister Heemskerk liet de schedel, overigens in alle stilte, in de kist van Marie Louise plaatsen maar daarin bevond zich al een schedel.

Thans liggen in deze grafkelder drie verzegelde kisten met daarin de overblijfselen van de Nassau's.

Voor zover bekend zijn of waren daar begraven:

Prinses Anna van Oranje (1563-1588), dochter van Prins Willem I (1533-1584)
Willem Lodewijk (1560-1620)
Ernst Casimir (1573-1632)
Sophia Hedwig van Brunswijk (1592-1642)
Hendrik Casimir I (1612-1640)
Willem Frederik (1613-1664)
Maurits, Graaf van Nassau-Dietz (1619-1628) ook kind van Ernst Casimir en Sophia Hedwig.
Gravin Elisabeth Friso van Nassau-Dietz (1620-1628), dochtertje van Ernst Casimir I en Sophia Hedwig.
Sophia Wilhelmina (1664-1667)
Willem Georg Friso (1685-1686)
Hendrik Casimir II (1657-1696)
Albertina Agnes (1634-1696)
Johan Willem Friso (1687-1711)
Marie Louise van Hessen-Kassel (1688-1765)
Prinses Anna van Oranje-Nassau (1746-1746)

Het Oranje Poortje

Daar de Stadhouder en zijn personeel het ver beneden hun stand vonden om via de hoofdingang van de kerk - tesamen met het gepeupel - het
Godsdiensthuis te betreden, werd voor hen een aparte ingang gemaakt. Het zogenaamde Oranje Poortje met het Wapen van de Leeuwarden en de
Stadhouderlijke Familie erboven. In 1663 nam de Magistraat van de stad Leeuwarden het besluit dat de ingang aan de oostkant van de kerk (Bij de Put)
een waardiger aanzien moest krijgen. Hiertoe werd opdracht gegeven tot het maken van een poort plus het vernieuwen van het raam daarboven.
In dit raam kwam gebrandschilderd glas waarop de wapens van de Magistraat waren afgebeeld.
Het poortje , dat nog steeds (gedeeltelijk) aanwezig is
kreeg een merkwaardige bekroning in de vorm van een soort obelisk bekroond door een boompje. Het bestond uit een buitenpoort en een binnenpoort
die beide van deuren voorzien waren. Daartussen liep een overwelfde gang. In 1785 werd het als volgt beschreven :

"Deeze kerk…… heeft zes byzondere ingangen, als een ten Oosten, door een portaal, in den jaare 1663, gemaakt en van buiten versierd met een
hardsteenen poort naar de samengestelde bouworde, zynde van boven gedekt met een half rond frontispice, waarvan het fronton in ’t midden versierd is
met het Stads Wapen, hebbende aan de rechter zyde een Pellikaan, voedende zyne jongen in het nest, en aan de linker zyde een opgeslagen boek en een
liggende zandlooper. Dit portaal is gedekt door een vierkantige oploopende leyen spits, op welker punt staat een Oranje boom met gouden appelen en
eenige vogelen in deszelfs takken…."

Het Oranje Poortje buiten en binnen in de Kerk

In 1842 wordt de kerk rigoureus verbouwd. Ook het Oranjepoortje ontsnapte hier niet aan. Bij deze verbouwing zijn ook de binnendeuren van het
poortje verwijderd. De ruimte tussen binnen- en buitenpoort werd hersteld. Helaas is er geen goede afbeelding bewaard gebleven van het poortje in
originele staat. Nader onderzoek zal wellicht uitsluitsel kunnen geven wie de maker is geweest. Het huidige Oranjepoortje bestaat nog steeds uit een
buiten- en binnenpoort waarvan alleen eerstgenoemde deuren bezit. Het driehoekige fronton kreeg in 1948 een nieuw Oranjeboompje. Dit geschiedde
in het kader van de restauratie van het koor als Fries huldeblijk t.g.v. het 50 jarig regeringsjubileum van Koningin Wilhelmina. De binnenpoort bezit
nog wel een half rond frontespice met daarin een in 1948 teruggevonden tekst uit Psalm 100 vers 3.

Deze luidt:

"Wilt tot synen tempel ingaen
doet van lof en danck oock vermaen
in syn schoone voorhooven soet
en pryst daar synen name goet"

Christian Müller (Sankt Andreasberg, 4 februari 1690 – Amsterdam, 1762) was een Duits-Nederlandse orgelbouwer. In de achttiende eeuw
gold hij als een van de voornaamste orgelbouwers in Holland. Op 20 juli 1720 huwde hij Elisabeth van der Berg, die reeds een jaar later stierf.
Op 2 oktober 1721 werd Catherina Beverwijk zijn tweede vrouw, die hem elf kinderen schonk. Müller vestigde zich vanuit Duitsland in Noord-Nederland, waar hij met Cornelis Hoornbeek aan de uitbreiding van het orgel van de Lutherse Nieuwe Kerk te Amsterdam werkte. In 's-Hertogenbosch werkte hij met meester-orgelbouwer Rudolf Garrels aan het orgel van de Sint-Janskathedraal. Vervolgens werd hij zelfstandig orgelbouwer.

In 1727 bouwde hij het orgel van de Grote Kerk in Leeuwarden. Internationale bekendheid kreeg hij in 1738 door de bouw van het monumentale orgel van de Grote of Sint-Bavokerk in Haarlem. Verder bouwde hij nieuwe orgels voor de Grote Kerk in Beverwijk (1757) en in 1762 voor de Kapelkerk in Alkmaar. In de jaren 1740 en 1750 bespeelde Georg Friedrich Händel op het Müller-orgel van de Sint Bavokerk in Haarlem en in 1766 de toen tienjarige Wolfgang Amadeus Mozart. In de periode dat Klaas Bolt organist was werd het orgel in Haarlem in zijn oorspronkelijke toestand gerestaureerd.

Sinds 1951 vinden er improvisatiewedstrjden en een internationaal orgelfestival plaats. In Müllers familie kwamen meerdere orgelbouwers voor.
Zo waren zijn broers Johann Caspar (1693-1746) en Andreas eveneens orgelbouwer en ook werkzaam in Nederland. Zijn broer Johann Casper wijzigde
in 1738 onder meer het orgel van de Oude Kerk in Amsterdam. Dit orgel was ooit door Chr. Vatter gebouwd. In 1767 bouwde zijn zoon Pieter het orgel
van de kerk in Wissenkerke en 1773 het orgel van de fraai Lutherse Kerk te Hoorn. Het geluid van hetgeen zij bouwden is van zeer hoge kwaliteit.

Het hoofdorgel in de Grote of Jacobijnerkerk te Leeuwarden is een historisch orgel en wordt gerekend tot de belangrijkste (barok)orgels van Nederland.

De karakteristieke plenumklank van het orgel kenmerkt zich vooral door kracht en doordringendheid, terwijl het bovenwerk typerende karakterstemmen en ingetogen soloregisters laat horen.

Het orgel is gebouwd tussen 1724 en 1727 door Christian Müller, in opdracht van het stadsbestuur van Leeuwarden. Het is het eerste grote 3-manuaalsorgel dat Müller bouwde.

In de 19e en 20e eeuw werden de dispositie en vooral het klankkarakter diverse malen ingrijpend gewijzigd door onder meer de familie Van Dam.

Het Müllerorgel

Bij de omvangrijke restauratie van kerk en orgel in de periode 1972-1977 werd het oorspronkelijke klankkarakter en de dispositie van Müller weer hersteld door de Leeuwarder firma Orgelmakerij Bakker & Timmenga.

Deze restauratie was succesvol en het orgel werd wederom geroemd.

Bij de uiterlijke proporties en decoraties zijn vooral de meer dan manshoge beelden op de hoofdwerkkas opvallend.

De kas is gemaakt door Berend Storm in samenwerking met Claes Bockes Balck.

De beelden op het rugwerk zijn gemaakt door Jacob S. Bruinsma en die op het hoofdwerk door Gerbrandus van der Haven.

Leeuwarden (Stadsfries: Liwwadden; Fries: Ljouwert) is de hoofdstad van de Nederlandse provincie Friesland en ook de hoofdplaats van de gelijknamige
gemeente Leeuwarden. De geschiedenis van de stad gaat terug tot in de Romeinse tijd, toen woonden er al mensen op de plek waar nu de Oldehove staat.
Leeuwarden is ontstaan op terpen die werden opgeworpen aan een inham van de Middelzee die later dichtslibde en werd ingepolderd. De riviertjes Ee,
Vliet en Potmarge mondden bij deze terpen uit in zee. De terpbewoners hielden zich bezig met landbouw, visserij en scheepvaart. Leeuwarden lag gunstig
aan zee en onderhield handelscontacten met andere handelsplaatsen zoals Lübeck en met de Oostzeelanden. Op de terpen ontstonden drie nederzettingen:
Oldehove, Nijehove en Hoek. Na de onderwerping door Albrecht van Saksen in 1500 werd Leeuwarden de zetel van het Hof van Friesland dat zich bezighield met bestuur en rechtspraak. Dit college kreeg in 1571 een eigen onderkomen, de Kanselarij.

In dezelfde tijd werd in Leeuwarden ook het kerkelijk gezag gevestigd. De Sint-Vituskerk werd de zetel van de deken en de belangrijkste kerk van Friesland.
Alle landsheren en stadhouders werden in deze kerk ingehuldigd. In 1559 werd Leeuwarden tot bisschopszetel verheven van het nieuw opgerichte bisdom
Leeuwarden. Cunerus Petri, de enige bisschop, belandde bij de calvinistische machtsovername korte tijd in het gevang en vertrok daarna definitief uit
Friesland. De Sint-Vituskerk werd in de jaren 1595 en 1596 wegens verregaande bouwvalligheid afgebroken.
Zicht op de oude ommuurde stad Leeuwarden en de oude Kanselarij voormalig Fries museum.

In 1523 werden te Leeuwarden de prominente rebellenleider en piraat Wijerd Jelckama en de laatste overlevende leden van de Arumer Zwarte Hoop
(ook wel Gelderse Friezen genaamd) onthoofd. De dood van Jelckama, die de neef was van Grote Pier, markeerde een einde in een lange periode van
Friese opstanden sinds 1515. Het welvarende Leeuwarden moest wel beschermd worden tegen vijanden. Daartoe werd de stad rondom van een gracht
en wallen voorzien. Deze verdedigingswerken zijn later, toen zij overbodig werden, afgebroken of tot plantsoen gemaakt. De grachten in de binnenstad zijn
op die van de Nieuwstad, Voorstreek, de Tuinen, de Weaze en het noordelijke deel van het Schavernek na allemaal gedempt. De grachten die gedempt zijn
betreffen o. a. die van Eewal, Tweebaksmarkt, Nieuweburen, Grote Kerkstraat, en De Oude Herengracht (zaailand) . In de negentiende eeuw ontstonden
de eerste wijken buiten de stadsgracht. Overigens zijn diverse archeologische vindplaatsen in de stad als monument beschermd. Daar heeft men in de
toekomst hoge archeologische verwachtingen van.

Op het plein waar nu de Oldehove staat, stond omstreeks 1100 een tufstenen kerkje, dat in de 13e eeuw vervangen zou worden door een grotere, uit rode
kloostermoppen opgetrokken kerk. Men kwam echter niet verder dan de aanleg van de fundering. Toen in 1435 de dorpjes Oldehove, Nijehove en Hoek
werden samengevoegd en de stad Leeuwarden ontstond, kwam er al spoedig behoefte aan een groter godshuis. Zo kwam een driebeukige, aan Sint-Vitus
gewijde basiliek tot stand. Doch de Leeuwarders wilden meer: Ze wilden net zo'n hoge toren bij hun te bouwen kerk bezitten als de Groninger's in de jaren
1469-1482 hadden gekregen met de Martinitoren. Er werd dus een actie ontketend en uit heel Friesland stroomde het geld binnen.

Op 28 mei 1529 was het zover: het stedelijk bestuur van Leeuwarden en kerkvoogden van Oldehove droegen aan meester Jacob van Aaken de bouw van
een nieuwe toren en kerk te Oldehove op. Als beloning kreeg deze bouwmeester acht stuivers per dag, een vrije woning en gedurende zes jaar waarop de
bouw werd geschat en 'eerlyk niuw kleed'. Bouwmeester Van Aaken was klaar voor het karwei en zoals toen gebruikelijk werd met de fundering begonnen.
Van Aaken was van huis uit een vrij stevige bouwgrond (rotsgrond) gewend en het bouwen op de Friese klei was voor hem zonder twijfel een experiment.
Hij liet een grote, diepe kuil graven, waarin tot een hoogte van 1,15 meter afwisselend harde kalk - en stevige kleilagen werden aangebracht.
Daarop is men begonnen met de bouw van de toren.

Om elk risico uit te sluiten, werd de Oldehove van een brede voet voorzien, nog geaccentueerd door acht vrij ver uitstekende zware steunberen. Op deze steunberen zouden consoles heiligenbeelden en engelenbeelden geplaatst worden, dit heeft echter nooit plaats gehad. Toch hebben deze maatregelen niet geholpen, want de toren begon al in noordwestelijke richting te verzakken, toen hij nog maar 10 meter hoog was.

De tegen de noordwestelijke steunbeer gebouwde traptoren met zijn 127 zandstenen treden en zijn formidabele gewicht, was naar het oordeel der deskundigen oorzaak van de verzakking, 1,68 meter uit het lood. Jacob van Aaken heeft het einde van de werkzaamheden niet meer meegemaakt, want drie jaar na het begin van het werk overleed hij. De nieuwe bouwmeester werd Cornelis Frederiks. Hij heeft er slechts een jaar aan mogen werken, daarna werd de bouw stilgelegd en bleven de Leeuwarders zitten met een niet afgewerkte toren. Met als bijzonder kenmerk dat hij scheef


De Leeuwarder Oldehove

stond. Dit laatste is niet helemaal waar, want de verzakkingen werden gecorrigeerd door geregeld opnieuw 'te lood' metselen verder te gaan, waardoor de toren niet alleen scheef staat maar ook krom is. De toren is nog wel gebruik voor de brandwacht, die toezicht hield of er er ergens brand was in de stad. In dat geval kon hij een klok luiden. De haard waar de brandwacht een vuur kon stoken is nog aanwezig. De Oldehove is nooit een vuurtoren geweest, dit is slechts een sprookje.

De later ingepolderde Middelzee waarnaast de toren gebouwd werd was ten tijde van de bouw al geruime tijd dichtgeslibd. In 1570, toen Leeuwarden voor korte tijd bisschopsstad werd, werd de Sint-Vituskerk zelfs Domkerk. In september 1576 stortte de kerk echter in na een harde storm. De instorting werd door veel protestante Friezen als een vingerwijzing Gods gezien dat de Roomse Kerk het niet lang meer zou maken. Inderdaad zou Cunerus Petri, de eerste en laatste bisschop van Leeuwarden, in 1578 uit Friesland worden verdreven. De muren van de kerk zouden het nog tot 1706 uithouden

En de toren bleef een zorgenkind, want elke eeuw weer moesten er verschillende keren kostbare herstelwerkzaamheden worden verricht of ingrijpende
voorzieningen worden getroffen. De jongste restauratie begon op 4 juni 1997 en op 23 januari 1998 werd de toren weer officieel in gebruik genomen als
symbool van de stad Leeuwarden en als uitzichttoren. Ook is het mogelijk om te trouwen in de Oldehove, hiervoor is in 1998 een trouwzaal voor ongeveer
50 personen ingericht in de toren. De restauratie heeft veel geld, moeite, improvisatievermogen en improvisatietalent gevraagd, maar het resultaat is
beslist navenant. Het belangrijkste Leeuwarder monument staat er weer kant en hecht bij. In januari 2005 is het mysterie van de Oldehove ontrafeld:
de toren blijkt gebouwd te zijn op het talud van een oude terp, wat de toenmalige bouwmeesters niet voorzien hadden.

Vanwege de bouwkundige staat van het gebouw en klachten over geluidsoverlast van de omgeving, worden de klokken alleen nog in speciale gevallen
geluid. De grote klok in de Oldehove werd gegoten in Leeuwarden in 1633 in klokgieterij van Hans Falck van Neurenberg, gevestigd in de voormalig kerk
van Nijehove (gewicht 4500 kilogram). De kleine klok in de Oldehove zag zijn levenslicht in 1637 in dezelfde gieterij (v. m. kerk Nijehove), die toen
toebehoorde aan de opvolger van Hans Falck: Jacob Noteman (gewicht 2000 kilogram). De Oldehove heeft oorspronkelijk in de Nieuwetoren
(Grote Hoogstraat/Klokplein) - afgebroken in 1884 - gehangen. Hij werd in 1541 gegoten door Cornelis Wagheneus te Antwerpen. In 1914 werd het
oude carillon (nu gerestaureerd) van de Nieuwetoren opgehangen in het stadskoepeltje. De grote luidklok paste niet meer in het stadskoepeltje en ging
daarom naar de Oldehove. De naam van de klok is de Leeuw.

Randschrift (Latijn): "lure Leo dicor. Leowardica culmina circum Rugio, dinumrans horas, nostro vndique ciues Rugitu horrisono
ad flammes conguntur ad arma. Cornelis Wagheneus Me fecit Anno MDXLI".


Vertaling Nederlands: "Met recht word ik de Leeuw genoemd. Ik brul rondom de spitsen de Leeuwarder daken, de uren aftellende. Door mijn vervaarlijk
gebrul worden de burgers van alle kanten tot de brand in wapens geroepen. Cornelis Wagheneus heeft mij gegoten in 1541".

Een aantal saillante technische gegevens:

* De Oldehove is ongeveer 40 meter hoog. Hij heeft 183 treden met een onderlinge afstand van 22 cm, dat is 183 × 22 cm = 40,26 meter.
* De Oldehove hangt 1,68 meter uit het lood in noordwestelijke richting. Dit is op 40 meter hoogte ongeveer 2 graden. De draagmuren, dit zijn de
noord- en de zuidmuur, zijn 2,36 meter dik. De oost- en westmuur, welke in 1599 zijn dichtgemetseld voor extra steun, zijn 60 cm dik.
* De toren zou oorspronkelijk 120 meter hoog worden. Het voorbeeld was de Freiburger Münster in Freiburg im Breisgau in Duitsland in het Zwarte Woud.

Volgens de legende zat er in de middeleeuwen eens een oude vrouw te breien. Zij zat aan de oude Middelzee, daar waar de terpen Nijehove, Oldehove
(Leeuwarden) en Hoek (Leeuwarden) lagen. Terwijl zij een beetje voor zich uit zat te staren dreef daar opeens een oude toren, op een stukje land voorbij.
De oude vrouw riep van verbazing uit: "Hou alde, hou!" (Stop oude, stop.) Dat deed de toren en vandaar dat op de oude rand van de Middelzee,
bij de terpen Nijehove, Oldehove en Hoek nu een toren staat met de naam Aldehou; Oldehove in het Nederlands.