![]() |
Familiegraven
van Oranje en Nassau |
![]() |
De Grafkelders van Oranje en Nassau
De Grafkelder te Diez en Dillenburg
Henriëtte Amalia Maria van Anhalt-Dessau (Kleef, 16 augustus 1666 – Oraniënstein, 18 april 1727) was de dochter van Johan George II van Anhalt-Dessau en Henriëtte Catharina van Nassau en dus een kleindochter van Frederik Hendrik van Oranje. Ze trouwde in 1683 met haar neef Hendrik Casimir II van Nassau-Dietz. Toen haar man in 1696 overleed werd ze regentes voor haar zoon, Johan Willem Friso. Van 1696 tot 1707 was Henriëtte Amalia in Groningen, Friesland , Drenthe en in het Duitse Vorstendom regentes voor haar minderjarige zoon Johan Willem Friso van Nassau-Dietz geweest. In 1710 richtte Henriëtte Amalia de Orde van het Vertrouwen op. In latere jaren resideerde de Prinses inmiddels Vorstin van Nassau-Dietz in het door haar moeder gebouwde en door haar zelf aangepast Slot Oraniënstein in Diez. Tesamen met 6 van haar 7 dochters sleet zij haar laatste levensjaren - zeer actief bezig zijnde - daar. Henriëtte Amalia Vorstin van Nassau-Diez en Prinses van Anhalt-Dessau is in 1727 op 59-jarige leeftijd overleden en bijgezet in de Stiftskirche te Diez. Hendrik Casimir II en Henriëtte Amalia kregen negen kinderen: * Willem George Friso (1685-1686) )De dochters liggen bijna allemaal begraven midden in de Stiftskerk te Diez en rusten onder een eenvoudige steen. |
Henriëtte Amalia Maria van Anhalt-Dessau |
|
Zeven dochters die hun moeder allen overleefden:
|
De Orde van het Vertrouwen (Frans: "Le Très Noble Ordre de la Fidélité") was een in 1710 in Nassau-Diez door Henriëtte Amalia Prinses van Anhalt-Dessau opgerichte huisorde voor het Vorstendom Nassau-Diez en voor de familie Nassau die in diverse takken verdeeld in Duitsland en in Friesland functies bekleedde. De voertaal van de orde was, net als die aan het hof, Frans, vandaar de Franse naam. De orde die aan mannen èn vrouwen werd verleend werd had als doel "alle verdiensten van getrouwe en bevriende personen van beide geslachten, want die laatste twee eigenschappen zijn het belangrijkst, te belonen en als teken van hoogachting aan haar dochters de Prinsessen benevens vrienden en dienaren te worden verleend". De statuten zijn in het Frans gesteld en erg summier; hoe de orde er uit ziet kunnen wij er niet uit opmaken. De zeven dochters van de Prinses en enkele anderen, meest Vorsten van naburige Staten maar ook hooggeplaatste leden van de hofhouding, werden in de orde opgenomen. De leden staan in een in het Huisarchief van H. M. de Koningin in Den Haag bewaard gebleven register van de Orde ingeschreven. Na de dood van Vorstin Henriëtte Amalia in 1711 is de orde niet meer verleend. Het was in de 18e eeuw niet uitzonderlijk dat een ridderorde na het overlijden van de stichter ophield te bestaan. Geen van de juwelen of ridderkruisen van de orde is bewaard gebleven maar op twee in Duitsland bewaard gebleven portretten is een wit, of volgens van Zelm van Eldik lichtblauw, geëmailleerd kruis aan een gestrikt lint te zien dat zeer waarschijnlijk deze orde voorstellen moet. Heren zullen de orde aan een lint in het knoopsgat of aan een lint om de hals hebben gedragen. Van een ster of borstkruis is niets bekend. In het Museum Wilhelmsturm in Dillenburg worden twee portretten bewaard waarop de "Très Noble Ordre de la Fidélité" min of meer duidelijk te zien is. Beide portretten zijn van de hand van de Friesche hofschilders Louis, of Jan, Volders. Op het portret van Henrietta Albertina (1686-1754) Prinses van Nassau-Diez is het lint van de orde kennelijk groen. |
|
Gedurende vele eeuwen diende de Stiftskerk (D: Stiftskirche) in Diez als grafkerk. Vele zerken doen hun verhaal over degene die daar begraven liggen. Deze kerk is zeer bijzonder dat zich hierin het praalgraf bevindt van Vorstin Henriëtte Amalia, Prinses van Anhalt-Dessau, Prinses van Nassau-Dietz en ook Prinses van Oranje. Het is een prachtig gebeeldhouwde sarcofaag gemaakt van blauwgrijs Lahnmarmer. De fraaie figuren in het wit gebeeldhouwd op deze grafkist weerspiegelen de oude glorie van weleer. Haar dochters zijn hier ook ter ruste zijn gelegd en daarvan bevinden de kisten zich in de oorspronkelijke grafkelder. Een zeer eenvoudige afdekplaat geeft in het midden van het gebouw aan, waar zij te vinden zijn. |
||
Linkerkant Sarcofaag |
Stiftskirche binnen |
Rechterkant Sarcofaag |
|
De fraai gebeeldhouwde sarcofaag van Vorstin Henriëtte Amalia, Prinses van Anhalt-Dessau, Prinses van Nassau-Dietz en ook Prinses van Oranje. Zij had testamentair laten vastleggen dat haar tombe zo gemaakt diende te worden opdat deze niet kon worden geopend. Plunderingen van een graf gedurende een oorlog, was in die tijd heel gewoon. Wegens noodzakelijke en verregaande restauratiewerkzaamheden aan het innerlijk van het Godshuis, werd de sarcofaag van de Vorstin uit de oorspronkelijke grafkelder gehaald. In 1910 werd de sarcofaag uit de grafkelder gelicht om naar een van de zijbeuken te worden verplaatst. Daarbij diende de marmeren kist - wegens een te groot gewicht - te worden open gezaagd. Dat heeft men uiterst voorzichtig gedaan. Aan een paar kleine plekken op de sarcofaag is dit nog te zien. De vermolmde kisten van haar dochters zijn tegelijkertijd vervangen door nieuwe en deze zijn teruggeplaatst in de originele grafkelder. De opening werd vervolgens afgedekt door een simpele steen waarop in het Duits staat vermeld Fürstengruft. |
||
Vooraanzicht marmeren Tombe |
Familiewapen Nassau |
Gecombineerd Wapen Vorstin Amalia en |
Voor zover bekend zijn in Diez begraven:
|
||
Diez (in het Nederlands ook wel Dietz) is een stad in het district Rhein-Lahn-Kreis in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts en telt 10.805 inwoners. Diez ligt aan de rivier de Lahn. De meest nabijgelegen grote stad is Limburg an der Lahn. Diez wordt voor het eerst genoemd in een oorkonde van Karel de Grote uit het jaar 790. Tijdens de middeleeuwen, in 1150, ontstond het Graafschap Diez, waarvan het plaatsje Diez de hoofdstad werd. In 1329 verkreeg Diez stadsrechten. Later kwam het Graafschap Dietz in handen van een tak uit de familie Nassau, uit de "Ottoonse Linie", waartoe ook de Nederlandse Koninklijke familie behoort. Zij bouwden in Diez een slot. Nadat Jan van Nassau, een broer van Willem van Oranje, in 1606 overlijdt, worden de Nassause bezittingen onder zijn zoons verdeeld. Zoon Ernst Casimir krijgt Diez, en wordt daarmee graaf van Nassau-Diez. Als in 1702 koning-stadhouder Willem III, de Prins van Oranje, een nazaat van Willem van Oranje, kinderloos overlijdt, wordt Johan Willem Friso van Nassau-Dietz zijn erfgenaam en komen de takken Nassau-Dietz en Oranje-Nassau bij elkaar. De nazaten van Johan Willem Friso (waaronder Koningin Beatrix) noemen zich "Graaf van Dietz". Frederik Willem van Nassau-Weilburg en Frederik August van Nassau-Usingen uit de "Walramse Linie" namen in 1806 deel aan de Rijnbond, die onder druk van de Franse Keizer Napoleon Bonaparte werd gevormd. Frederik August ontving de hertogstitel en werd hiermee hertog van Nassau. De gebieden die zij daarbij moesten afstaan aan het Groothertogdom Berg werden door Napoleon gecompenseerd met gebieden van de Ottoonse linie, waaronder het Graafschap Nassau-Diez waarmee dit deel ging uitmaken van het nu ontstane Hertogdom Nassau. De nazaten van Oranje-Nassau stonden immers niet aan de Franse kant, zij waren bij het uitroepen van een andere Franse vazalstaat, de Bataafse Republiek naar Engeland gevlucht. |
||
Binnenstad |
Wapen Stad |
Schulstrasse |
| De laatste Hertog van Nassau, Adolf koos in de Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog de kant van de Oostenrijkers. De Oostenrijkers verloren deze oorlog, waardoor het hertogdom Nassau overging in Pruisische handen. De gebieden gingen deel uitmaken van de Pruisische provincie Hessen-Nassau. Na de Tweede Wereldoorlog hield ook Pruisen als bestuurlijke eenheid op te bestaan en Diez ging nu deel uitmaken van het nieuwe deelstaat Rijnland-Palts. | ||
De Grafkelder te Dillenburg
| Dillenburg is een gemeente in de Duitse deelstaat Hessen, gelegen in het district Lahn-Dill-Kreis. De stad telt 24.263 inwoners en een oppervlakte van 83,88 km². Het stadje dankt zijn welstand aan de mijnbouw, hoogovens, tabaks- en leerindustrie, en de aldaar gevestigde overheidsinstellingen. Dillenburg is een fraai stadje dat onderdeel uitmaakt van de zogeheten Nassau-route. Deze is bestemd voor liefhebbers van de geslachten Oranje Nassau. het vertelt via diverse steden, dorpen, gehuchten en buurschappen over het onstaan van Nassau als familie. | |
Het oude Slot Dillenburg |
Het belangrijkste historische monument van de stad is Slot Dillenburg, of wat daarvan over is. Het was het voorvaderlijke kasteel van het Huis van Nassau en staat op een 292 meter hoge berg. Juliana van Stolberg heeft daar gewoond, Willem van Oranje, zijn broer Jan VI van Nassau-Dillenburg en vele anderen zijn daar geboren. Tijdens de Zevenjarige Oorlog kwamen de Fransen in Dillenburg. In 1760 beschieten zij het slot vanaf de andere kant van de Dill. Het slot brandt af, en de resten worden gesloopt. In 1872 financiert Prinses Marianne, dochter van koning Willem I, de bouw van de Wilhelmturm, waarin nu het Oranje- en stadsmuseum is gevestigd. |
Hendrik de Rijke van Nassau (ca. 1190- ca. 1247) was van 1198 tot zijn dood Graaf van Nassau. Hij was een zoon van Walram I van Nassau en trouwde met Machteld van Gelre, de dochter van Otto I van Gelre. In 1240 liet hij het Slot Dillenburg bouwen. De echtelieden kregen ten minste negen kinderen, vermoedelijk komt daar zijn bijnaam de Rijke vandaan: 1. Rupert, kreeg Dietz in leen van de aartsbisschop van Trier Twee van zijn zonen, Walram en Otto (de andere drie waren geestelijke geworden), verdeelden op 17 december 1255 de Nassause landen. Hiermee ontstonden de Ottoonse- en Walramse linie van het Huis Nassau. Deze eerste verdeling van de Nassause landen stond later bekend als de "Prima divisio". |
|
George I de Oude (Dillenburg, 1 september 1562 - aldaar, 9 augustus 1623) was Graaf van Nassau-Beilstein en Nassau-Dillenburg. Hij was de derde zoon van Jan VI de Oude van Nassau-Dillenburg en diens eerste vrouw Elisabeth van Leuchtenberg. Hij studeerde in 1576 te Heidelberg en ging vervolgens naar de Nederlanden, waar hij onder Gunther van Schwarzburg in de krijgsdienst trad. Een hier opgevat plan hem als bisschop van Utrecht te installeren kwam niet tot uitvoering. Sinds 1580 verbleef hij aan het hof van markgraaf George Frederik I van Brandenburg-Ansbach. George kwam in 1604 aan de regering in land en stad Driedorf, die hij van zijn vader kocht. Na zijn vaders dood (1606) deelde hij diens gebied met zijn broers Willem Lodewijk, Jan VII de Middelste, Ernst Casimir en Johan Lodewijk, waarbij hij de heerlijkheid Beilstein met het Westerwald, Burbach en de Hickengrund kreeg. In 1611 kocht hij van Jan VII bovendien Wehrheim, dat gezamenlijk met Keur-Trier werd bestuurd. Hij resideerde pas sinds 1612 te Beilstein. Tot dat jaar verbleef hij te Dillenburg, waar hij als regent optrad namens zijn broer Willem Lodewijk, die als stadhouder van Friesland in de Nederlanden verbleef. In 1618 sloten George en Jan VII een overeenkomst waarin de laatstgenoemde afzag van zijn recht op Nassau-Dillenburg, dat hem na de dood van Willem Lodewijk zou toevallen. Na diens dood volgde George hem dan ook op als Graaf van Nassau-Dillenburg. Nassau-Beilstein werd hierop verdeeld, zodat George alleen Burbach en de Hickengrund behield. Na zijn dood (1623) verdeelden zijn zoons Albrecht en Lodewijk Hendrik het Graafschap, maar na Albrecht's dood in 1626 werd Nassau-Dillenburg weer verenigd onder Lodewijk Hendrik. George huwde in 1548 met Anna Amalia van Nassau-Saarbrücken (1565-1605), dochter van Filips IV van Nassau-Weilburg-Saarbrücken. Uit het huwelijk werden veertien kinderen geboren, van wie de meeste jong stierven:
Stamboom George I de oude Graaf van Nassau-Beilstein en Nassau-Dillenburg George, Graaf van Nassau-Beilstein (1562-1623):
Zij hadden 12 kinderen:
Zij kregen een dochter:
Hun oudste zoon was:
Hun oudste zoon:
Hun oudste zoon:
Hun tweede zoon:
Hun oudste zoon:
Hun tweede zoon:
Hun tweede zoon:
Hun oudste dochter:
Hun oudste zoon was:
Hun oudste dochter:
|
||