OranjelogoDe Huizen van Oranje en NassauNassau
Vorstelijk Verzamelen
Vlag BelgieVlag NederlandGouden KroonVlag LuxemburgVlag Duitsland

Koninklijke Verzamelingen

Huldeblijken Handel en Nijverheid

Op 11 februari 1904 ontving Prins Hendrik dertien heren op Paleis Noordeinde in Den Haag, in aanwezigheid van Koningin Wilhelmina. De heren waren
vertegenwoordigers van de Nederlandse handel, nijverheid, landbouw en visserij. Ze kwamen een huldeblijk aanbieden: een lage boekenkast met vier
albums die in woord en beeld een overzicht gaven van "de voornaamste bronnen van welvaart die Nederland bezit". Sinds zijn huwelijk met Koningin
Wilhelmina in 1901 moest de in Duitsland opgegroeide prins zich veel informatie over zijn nieuwe vaderland eigen maken. Dit geschenk bood hem
ongetwijfeld een welkome aanvulling op zijn kennis van handel en nijverheid in Nederland. Voor de toenmalige captain's of industry was het een mooie
gelegenheid zich op hun best te presenteren. De kast met inhoud behoort nu tot de collectie van de Stichting Historische Verzamelingen
van het Huis Oranje-Nassau.

De kostbare uitvoering maakt de kast tot een pronkstuk, maar de inhoud is zeker zo waardevol. Teksten over de stand van zaken in de verschillende
bedrijfstakken, afzonderlijke bedrijfsgeschiedenissen en heel veel platen geven samen een fascinerend beeld van de economische situatie in Nederland
aan het begin van de twintigste eeuw. De ondernemers lieten zich natuurlijk van hun beste kant zien: ze prezen hun nieuwe producten en innovaties in
de fabricage, zoals fotografieartikelen van Guy de Coral, beton van Van Waning en gasmeters van de Dordtse meterfabriek.

Moderne productiemiddelen als stoommachine en gasmotor, elektrische verlichting, vooruitstrevende bedrijfsvoering bijvoorbeeld met
bedrijfslaboratoria en de afzet in andere landen en werelddelen deden het ook goed. Uiteraard werd het belang van bepaalde bedrijven voor de
werkgelegenheid onder de aandacht gebracht. Sommige ondernemers lieten zich voorstaan op hun personeelsvoorzieningen en zelfs salarissen worden
gepubliceerd. In veel bedrijven stond het er destijds echter minder gunstig voor en arbeiders hadden het vaak zwaar. Sociale, milieu- en arbeidswetgeving
en de vakbeweging stonden nog in de kinderschoenen. De leerplichtwet, in 1901 van kracht geworden, bevorderde het onderwijs,
maar droeg ook bij aan de bestrijding van kinderarbeid.

De albums geven een fascinerend beeld van de ondernemingszin, fabricage- en arbeidsprocessen, technieken, arbeidsomstandigheden en infrastructuur van rond 1900. Dat maakt ze ruim een eeuw later tot een interessante economisch-historische bron. Ook industrieel archeologen kunnen hun hart ophalen. Rokende fabrieksschoorstenen tonen aan dat de stoommachine gemeengoed is geworden, terwijl bedrijvige werklui duidelijk maken dat menskracht nog onmisbaar is en er veel handwerk wordt verricht. De aanleg van kanalen en spoorwegen in de negentiende eeuw en bedrijvigheid beïnvloedden elkaar, wat duidelijk is op platen die naast paard en wagen ook transport met binnenvaartschepen en over fabrieksspoor tonen.

De afbeeldingen, hoewel wisselend van kwaliteit, zijn bovendien kunsthistorisch interessant, met fraaie voorbeelden van de toen gangbare Nieuwe Kunst. Met zoveel vervaardigers en contribuanten was de samenstelling van het huldeblijk een gecompliceerd karwei. Het ligt voor de hand dat het initiatief dateert van het

huwelijksjaar 1901. Enkele tekeningen dragen ook die datering. De oorkonde is van 1902 en uit de jaarletter op de zilveren plaquette blijkt het in 1903 te zijn gemaakt. In 1904 tenslotte kon het geschenk worden overgedragen. De eerste drie albums en een gedeelte van het vierde betreffen fabrieksnijverheid. Het laatste deel is verder gewijd aan handel, koopvaardijvloot, land- en tuinbouw en visserij. Alle delen bevatten teksten over verschillende bedrijfstakken en afzonderlijke bedrijven. De teksten worden afgewisseld met afbeeldingen van bedrijfsgebouwen, -terreinen en interieurs in aquarel, steendruk, fotografie en andere technieken.

Sierkunstenaar C. A. Lion Cachet (1864-1945), vertegenwoordiger van de Nieuwe Kunst, had het in het begin van de twintigste eeuw druk met opdrachten ter gelegenheid van het huwelijk van Koningin Wilhelmina en Prins Hendrik. Van zijn hand zijn nog twee kasten in het Koninklijk Huisarchief aanwezig. Ze werden aangeboden door het Nederlands Bijbelgenootschap en door het kunstenaarsgenootschap Arti et Amicitiae.

Daarna volgde dus deze palissanderhouten kast met albums van Handel, Nijverheid, Landbouw en Visscherij. Het bovenblad van de kast is uitklapbaar,
zodat er een boek op opengelegd kan worden. De kast is aan de rechterzijde open en heeft vier sleden met messing handgrepen. Vier opengewerkte
panelen met bloem- en hartvormig inlegwerk van Indisch padoekhout vormen de voorzijde van de kast. Achter deze panelen is goudleer zichtbaar.
De panelen zijn versierd met symbolen van landbouw, scheepvaart, industrie en handel, ingelegd met messing, hout en ivoor. De kalfsleren boekbanden
zijn voorzien van belijning en ornamenten in goudstempeling. De band van deel I is rijker uitgevoerd dan die van de andere delen. Alleen dit eerste deel
heeft een plaquette op het voorplat en twee sloten. De sloten zijn van goud, de klampen ingelegd met turkoois.

De slotplaten zijn gemaakt in de vorm van twee leeuwen met één kop. De ronde zilveren plaquette met het wapen van Nederland is vervaardigd door de
firma J.M. van Kempen & Zonen in 1903. Alle delen zijn voorzien van gedrukte schutbladen, waarop het wapen van Nederland, het gekroonde monogram
H en de symbolen van scheepvaart, koophandel, nijverheid en landbouw voorkomen. De signatuur van de binder, firma J. Brandt & Zonen te Amsterdam,
staat in alle delen linksonder op het laatste schutblad. De meeste vervaardigers van de albumbladen zijn nu minder bekend, een enkeling als W.O.J.
Nieuwenkamp (1874-1950) vormt daarop een uitzondering. Naast gedrukte en getekende afbeeldingen komt ook fotografie voor, een relatief jonge
techniek, waarmee de moderne ondernemer zich kon onderscheiden. Veel foto's, zoals die van Salomon Goudsmit uit Enschede werden met aquarel
opgewerkt zodat ze naast andere kleurige technieken niet uit de toon zouden vallen.



Linksboven : Atelier voor kerkelijke kunst G. Brom, Utrecht, z. n., fotografie, pen en penseel in kleur; 28,0 x 35,8 cm. Het herstel van de
bisschoppelijke hiërarchie in 1853 betekende een belangrijke impuls voor de bouw en inrichting van katholieke kerken in Nederland. Bij de oprichting in
1856 had Atelier Brom het tij dus mee. Veel kerken en kloosters in het land bezitten en gebruiken monstransen, miskelken, ciboriën, godslampen, lusters
en kandelabers afkomstig uit dit atelier. Bovendien werden kerksieraden geëxporteerd naar Duitsland, Engeland, België, Amerika, Nederlands-Indië,
China en de Britse koloniën. Dit blad, omlijst met brem, toont twee belangrijke werken van het atelier: een monstrans voor Den Haag en een hoofdaltaar
voor Nijmegen. Linksboven de tekenkamer van het atelier waar ontwerpen en modellen worden gemaakt en daaronder de ateliers met licht op het
noorden waar vaklieden voornamelijk met de hand het metaal bewerken. Het atelier beschikte over een eigen fotostudio,
waarin alle voltooide werken werden gefotografeerd.

Middenboven: C. A. Lion Cachet (1864-1945), ontwerp Firma J. Brandt Zonen, Amsterdam, bindwerk Firma J.M. van Kempen en Zonen,
plaquette (1903) afmetingen 44,5 x 63,0 x 8,5 cm. Van de vier albums in de kast is dit deel het meest luxueus uitgevoerd: het voorplat is voorzien van
een zilveren plaquette met het wapen van Nederland. Het heeft dubbele sloten van goud, waarbij de klampen zijn ingelegd met turkoois. De slotplaten zijn
gemaakt met kleurig email in de vorm van twee leeuwen met één kop. De band is bekleed met kalfsleer, versierd met belijning en ornamenten in
goudstempeling. Het is een unieke band, ontworpen en uitgevoerd met stijl, vakmanschap, aandacht en geduld. Ook de schutbladen, hier niet getoond,
zijn prachtig gedrukt met een gekroond monogram H, het Nederlandse wapen en symbolen van scheepvaart, koophandel, nijverheid en landbouw.

Rechtsboven: Diamantklovers- en snijdersatelier z. n., pen en penseel in kleur, gouache; 29,2 x 39,2 cm. Op deze tekening, een bijdrage van de
Amsterdamsche Juweliersvereniging, is links een klover bezig een steen door te slaan. Rechts zit een machinesnijder, en aan de tafels handsnijders.
De vondst van diamanten in Zuid-Afrika (1870-1871) bracht grote bloei in de diamantindustrie en veel werkgelegenheid in Amsterdam. In 1901 telde
men hier 162 ondernemers in de diamant. De aantallen werklieden werden onderverdeeld: "brillantslijpersbazen 700, dito knechten 3740, dito
verstellers 1075, dito snijders en snijdsters 960; roosjesslijpers 1050, dito verstellers 340, dito snijdsters 520, kapbewerkers 150; klovers 425."
De meesten waren lid van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond, opgericht in 1894 en daarmee een van de eerste vakverenigingen
in Nederland. De populariteit van de Amsterdamse diamantindustrie bleek onder meer uit het bezoek van Koningin Wilhelmina en de Franse president
Fallières, in 1911 op staatsbezoek in Nederland, aan de diamantslijperij van de gebroeders Asscher.


Linksboven: Firma W. A. Scholten, Groningen F. B., pen in zwart, penseel in kleur; 40,5 x 53,0 cm. W. A. Scholten (1819-1892), op deze plaat
vereeuwigd in een borstbeeld, kan beschouwd worden als een groot landbouwindustrieel en zijn onderneming als de eerste Nederlandse multinational.
Hij stichtte zo'n vierentwintig fabrieken, "geheel naar de eischen des tijds ingericht", waarin onder meer aardappelmeel, moutwijn, strokarton en suiker
werden geproduceerd. Er bestond een zieken- en ondersteuningsfonds en een pensioenfonds en bij zijn 70ste verjaardag schonk Scholten de stad
Groningen een kinderziekenhuis. De centrale afbeelding toont het kantoor dat in 1895 aan het Groningse Schuitendiep werd gebouwd.
De gevleugelde staf en helm verwijzen naar Mercurius, in de Romeinse mythologie de god van de handel. De lijst rechts vermeldt ondernemingen
in Groningen en Drenthe (Klazienaveen werd vernoemd naar zijn vrouw Klaassien Sluis), Duitsland, Polen en Rusland.

Rechtsboven: Fabriek van Wollen Dekens, firma J. C. Zaalberg & Zoon te Leiden (mogelijk Zaalberg), pen en penseel in kleur; 35,7 x 46,6 cm.
In de tweede helft van de achttiende eeuw was een J. C. Zaalberg actief in de Leidse lakenindustrie. Zijn kleinzoon Jonathan maakte al dekens, en diens
zoon Johannes Cornelis besloot zich vanaf 1814 alleen te wijden aan dekens en aanverwante artikelen als tocht- en zeeduffel en wollen garens.
Aanvankelijk gebeurde alles met handarbeid, tot hier in 1830 de stoommachine zijn intrede deed. Het ging goed met de zaak, het fabricaat verbeterde en
de dekens werden op tentoonstellingen in binnen- en buitenland wel "24 maal met hoogste onderscheiding bekroond en kregen een wereldvermaardheid.
Maar ook voor de opvatting harer taak als werkgeefster werd de firma herhaaldelijk lof toegebracht." Deze plaat toont waar de verschillende bewerkingen
plaats hadden: de drogerij, vollerij, jacquardweverij, ruwerij, spoelerij en spinnerij. Zaalberg leverde meermalen op directe bestelling van Koning Willem
III en op verzoek van Koningin Emma superfijne dekentjes met de koninklijke kroon voor het wiegje van Prinses Wilhelmina.

In de albums komen nu nog bekend klinkende merk- en bedrijfsnamen voor: Boele (sigaren), Brom (kerkelijke kunst), Callenbach (drukwerk),
Calvé (olie), Deventer Koek, Dobbelman (zeep), Droste (chocola), Van Gelder (papier), Heineken (bier), Jansen & Tilanus (textiel),
Kanis & Gunnink (koffie), Van Kempen en Begeer (goud en zilver), Lips (sloten en brandkasten), Pander en Mutters (meubelen),
Stork (machines), Wessanen (cacao) en Zaalberg (wollen dekens).
Sommige takken van bedrijf, de steenbakkerijen bijvoorbeeld, komen
nauwelijks meer voor in Nederland. Mandenmakerijen, borstel- en kwastenfabrieken zijn vrijwel uitgestorven. Koloniale waren kennen we niet meer;
specerijen, koffie, thee, cacao en tabak komen behalve uit Azië ook uit Afrika en Zuid-Amerika. Amsterdam verloor in de Tweede Wereldoorlog haar
positie als internationaal centrum van diamantbewerking.



Linksboven: Fransch-Hollandsche Oliefabrieken Calvé-Delft z. n., pen en penseel in kleur, goudverf; 30,5 x 40,4 cm. Dit panorama geeft een beeld
van het terrein van de oliefabriek in Delft, strategisch gelegen tussen kanaal en fabrieksspoor. Op de achtergrond de Oude Kerk in Delft en rechts het
Agnetapark, dat de sociaal geëngageerde ondernemer J. C. van Marken liet bouwen als huisvesting voor zijn personeel. De fabriekskolonie werd in 2011
aangewezen tot beschermd stadsgezicht. De pinda's in de omlijsting verwijzen naar de herkomst van de olie; de NV was daarvoor eigenaar van een
"grondnotenplantage" in Egypte. De Nederlandse Oliefabriek (NOF) was in 1897 opgegaan in de Fransch-Hollandsche Oliefabrieken Calvé-Delft.
De tweede (niet afgebeelde) plaat van deze onderneming toont de fabriek in Leaubardemont, met de reclameplaat door Jan Toorop,
waaraan de naam "slaoliestijl" te danken is.

Middenboven: Gerhard Jannink & Zonen, Enschede Salomon Goudsmit (1864-1919), foto, penseel in kleur; 8,0 x 38,5 cm. Rond 1900 was
Enschede het centrum van de Twentse textielnijverheid. In het album van Nijverheid en Handel is dan ook een flink aantal bladen voor deze branche
ingeruimd. Vreemde en vergeten benamingen als pilou, baai, diemet, molton, shirtings, cambrics en drills duiken op in de begeleidende teksten.
Rond het midden van de negentiende eeuw kwam de industrialisatie in Twente op gang. In 1856 werd de handspinnerij van Gerhard Jannink door brand
verwoest, waarop de ondernemer een machinale katoenspinnerij opzette. Bij de stadsbrand van 1862 werd de fabriek nogmaals in de as gelegd, wat weer
tot vernieuwingen leidde. Andersoortige bedrijven droegen bij aan het succes van de textiel en deelden daarin. Dat blijkt uit deze afbeelding met een in
1901 door Gebr. Stork & Co. in Hengelo vervaardigde turbine als blikvanger. De machinehal heeft zijramen en bovenlicht, de muren zijn voorzien van
pilasters met versierde kapitelen en de vloer is mooi betegeld. De ingekleurde foto werd gemaakt door Salomon Goudsmit, die ook een flink aantal
foto's leverde bij teksten over ondernemingen van Van Heek en de Nederlandsche School voor Nijverheid en Handel, allemaal in Enschede.

Rechtsboven: Johannes Meyer, Scheepsbouwmeester Zaltbommel z. n., pen en penseel in kleur; 29,9 x 40,0 cm. In 1864 stichtte Johannes Meijer
een werf in Zaltbommel. De Rijnvaart werd drukker en het bedrijf breidde zich uit. Van de Gelderse werven langs Waal en Rijn was dit de eerste die zich
ging toeleggen op de bouw van ijzeren schepen, in 1882. Het bedrijf floreerde en in 1891 werd een werf in Leeuwen begonnen. Behalve bouw en reparatie
van Rijnschepen, werd er ook in opdracht van de overheid gewerkt en zijn er zeevrachtstoomboten gebouwd voor Duitse en Engelse maatschappijen.
Rond 1900 werkten ruim tweehonderd man op de werven. Meijer leidde het bedrijf inmiddels met vier zonen. Voor het personeel werd in 1889 een
ziekenfonds opgericht en vijf jaar later verplichtte het bedrijf zich tot uitkering van schadevergoeding bij ongevallen, zonder dat de werklieden
daarvoor moesten bijdragen. Sinds 1892 bestond de regeling van een 25 % extra uitkering voor overwerk in de nacht en op zondag.
"Dit een en ander ten bewijze dat ook op sociaal-economisch gebied naar vooruitgang werd gestreefd"!


Linksboven: Klopman Baerselman, Koninklijke fabriek van Deventer Koek te Deventer z. n., fotografie, penseel in kleur; 29,5 x 37,9 cm.
"Van alle gunstig bekende Nederlandsche fabrikaten dient wel allereerst te worden genoemd: DE VAN OUDSHER BEROEMDE DEVENTER KOEK."
Tot op heden bestaat de Deventer Koek, een van oorsprong middeleeuwse lekkernij. Onvermijdelijk werd de koek nagemaakt, maar die kon bij lange na
niet wedijveren met het kwaliteitsproduct van bakkerij Klopman Baerselman. In 1882 vierde dit bedrijf haar tweehonderdjarig bestaan. Het bejaarde
bedrijf koos voor een moderne techniek om zich in het album voor Prins Hendrik te presenteren. Er werd een foto gemaakt op een binnenplaats met
vertegenwoordigers van stokerij, bakkerij, pakkerij, administratie en transport die samen een prachtig tijdsbeeld weergeven. De foto is fraai ingekleurd.

Rechtsboven: Koninklijke Tapijtfabriek Deventer H. J. Bouhuys (1870-1917), pen en penseel in kleur, gouache, 1901; 34,8 x 50,1 cm.
De bekende Deventer Tapijtfabriek werd eind achttiende eeuw opgericht ter bestrijding van de werkloosheid in het oosten van het land. Ruim een eeuw
later waren smyrnatapijten hét specialisme van het bedrijf. Behalve dit knoopwerk werden er ook tapijten en lopers gemaakt in verschillende soorten en
kwaliteiten. Nog steeds was de fabriek een belangrijke werkgever: naast administratief medewerkers en tekenaars werkten hier zo'n 25 mannen en 125
vrouwen en kinderen aan een jaarlijkse hoeveelheid van ongeveer 12.000 m² smyrnatapijt. Daar kwamen twintig mensen bij in ondersteunend werk,
en 15 werklieden in de ververij, onder leiding van een chemicus. Voor de behandeling van schapenwol en bewerking van garens die in de fabriek
werden gesponnen was nog eens een twintigtal arbeiders in dienst. H. J. Bouhuys, die deze plaat maakte, werkte als tekenaar bij de fabriek.
De befaamde Deventer tapijten werden onder meer geleverd voor de Ridderzaal en het gebouw van de Tweede Kamer in Den Haag,
en niet te vergeten voor het Paleis op de Dam in Amsterdam.


Linksboven: Kunst- en Grofsmederij J.T. van Vuuren, Amsterdam z. n., fotografie, pen en penseel in kleur; 31,3 x 40,8 cm. Aan het eind van
de negentiende eeuw pasten architecten meer en meer smeedwerk toe in hun ontwerpen. Daarmee gaven ze een impuls aan het smidswerk en aan de
Amsterdamse smederij Van Vuuren in het bijzonder. Dit bedrijf begon in 1882 in de Van Lennepstraat en verhuisde in 1899 naar een flink terrein aan de
Overtoom. De werkplaats werd ingericht met draaibank, snijmachines, boormachines, stoomkamer, ponsen, zaagmachine, snij- en buigtoestellen en niet
minder dan veertien vuurplaatsen. Vakmanschap, studie van historische meesterwerken en de toepassing van nieuwe technieken leidden tot prachtige
resultaten: muurankers, torenspitsen, windvanen, sloten, bloemenstandaards, uithangborden, lampen en tuimelramen, zelfs vouwhekken, balkons en
monumentale glas-in-loodramen kwamen hier tot stand. Met gepaste trots wordt melding gemaakt van orders door bekende architecten en
rijksbouwmeesters, bijvoorbeeld door de beroemde architect Pierre Cuijpers voor de herbouw van Kasteel de Haar.

Middenboven: Lips Brandkastenfabriek Dordrecht z. n., pen en penseel in kleur, goudverf; 43,0 x 58,5 cm. In 1899 nam de firma Lips aan de
Spuiweg in Dordrecht een gloednieuwe fabriek in gebruik, en die mocht gezien worden. Dit fraaie perspectief toont een voorbeeldige fabriekshal met ruim
invallend daglicht, elektrische lampen, moderne machinerieën en centrale verwarming, kortom een prettige werkomgeving voor de 130 man personeel.
"Bankiersveiligheidswerk", zo luidt de verzamelnaam die Lips bezigt voor haar specialisme, waarmee het bedrijf rond 1900 in Nederland een monopolie
had. Lips leverde aan ministeries, handelshuizen, financiële instellingen en particulieren, en was bovendien hofleverancier van Koningin Wilhelmina en
Koningin Emma. Takken oranjebloesem en laurier, het wapen van Prins Hendrik en van Nederland maken duidelijk aan wie dit blad werd opgedragen.
Het silhouet van de Grotekerkstoren links en het stadswapen middenonder bevestigen dat hofleverancier Lips in Dordrecht was gevestigd.

Rechtsboven: Mij. tot Exploitatie van de Handel in Fotoartikelen voorheen Guy de Coral & Co, Amsterdam / Arnhem z. n., fotografie,
penseel in kleur; dagmaat 29,8 x 39,8 cm. Aan het eind van de negentiende eeuw werd de fotografie door technische verbeteringen steeds populairder,
ook onder amateurs. J. J.M. Guy de Coral speelde daar bewust op in door in 1894 aan het Rokin in Amsterdam een handel in fotoartikelen te beginnen.
Daar kon men ook terecht voor een fonograaf, de voorloper van de grammofoon. Al spoedig kwamen er filialen bij in Arnhem, Den Haag en Groningen.
Een gat in de markt was de school voor amateurfotografen, waar ieder die een camera kocht, gratis les kon krijgen. De firma Guy de Coral kreeg een
belangrijke klantenkring, exporteerde fotoartikelen en telde onder anderen Indische Prinsen, Koningin Wilhelmina en Koningin Emma onder haar klanten.
Aan deze plaat met zeven ingekleurde foto's gaat een tekst vooraf, die de stand van de fotografie op dat moment goed weergeeft: "… de fotografie,
vroeger slechts een kunst waar men als zeer ondergeschikt op neerzag, is nu zo uitgebreid dat bijna geen tak van industrie, handel of nijverheid meer zonder
haar zou kunnen. … De fotografie geeft aan duizenden werk en staat in Holland thans zeer hoog aangeschreven."


Linksboven: Nederlandsche Fabriek van Borduur- en Passementswerk A. A. Knuijver & Zonen, 's Gravenhage A. Sommer
(1864-1953)
, pen en penseel in kleur; 29,8 x 44,9 cm. A. A. Knuijver kwam in 1839 als leerling in dienst bij het borduurbedrijf Seewald, dat in 1830 was
gesticht. Hij doorliep alle rangen en was tijdelijk zaakwaarnemer, tot hij de zaak overnam en er in 1867 een galonweverij in opnam en zich specialiseerde in
militair en burger-passementswerk. Den Haag met zijn vele hoge ambtenaren en militairen was natuurlijk een gunstige plaats voor een bedrijf in
borduurwerk en andere decoraties, onder meer voor uniformen en ambtskostuums. De ondernemende Knuijver oriënteerde zich ook in het buitenland en
zo maakte hij in 1879 op een tentoonstelling in Parijs kennis met de jacquardweverij, waarvoor hij weefgetouwen aanschafte en werklieden opleidde.
Aan het begin van de twintigste eeuw bestond zijn machinepark uit een tiental handweefgetouwen, vier weefmachines à la Jacquard en vier bandstoelen
en had hij in totaal 35 medewerkers in dienst. Knuijver was hofleverancier, niet alleen in naam sinds 1898 met toestemming tot het voeren van het
Koninklijk wapen, maar ook in letterlijke zin door leveranties aan het hof.

Rechtsboven: Steenfabriek Firma Bastert, Breukelen .N. Bastert (1854-1939), krijt in kleur; 37,1 x 47,5 cm. Op deze steenfabriek werden zo'n
anderhalf miljoen stenen per jaar vervaardigd. Tijdens de zomercampagne werkten ook vrouwen en kinderen mee. De ondernemer was zich bewust van
de gevoeligheid van kinderarbeid, want de tekst bij de plaat vermeldt: "De arbeid door kinderen verricht, zou niet door volwassenen kunnen verricht
worden".Eigenaar van de fabriek was J.N. Bastert, een conservatief-liberaal, politiek actief in parlement en Provinciale Staten van Utrecht.
Hij was lid van het comité dat het initiatief nam tot samenstelling van dit album voor Prins Hendrik. Bovendien was hij de vader van Nicolaas Bastert,
die aanvankelijk ook in de handel zou gaan, maar kunstenaar werd en deze tekening vervaardigde.


Linksboven: Stoomspinnerij & Touwslagerij Holland te Edam Zeilmaker & Co. Amsterdam W.O.J. Nieuwenkamp (1874-1950),
pen en penseel in kleur, dekverf, 1901; 28,0 x 38,5 cm. Gloednieuw was de stoomspinnerij en touwslagerij op deze plaat. Het Amsterdamse bedrijf van
Zeilmaker bestond al ruim een eeuw toen deze fabriek in 1900 in Edam werd gebouwd. Er werd touwwerk, bindtouw, staal- en ijzerdraadtouw gemaakt,
tot wel een miljoen kilo touw per jaar. Ook werden hier zeildoek en waterdichte dekkleden vervaardigd. De productie vond afzet in binnen- en buitenland.
Dit fabrieksinterieur werd gemaakt door W.O.J. Nieuwenkamp, die vooral bekend is om zijn oosterse landschappen. In 1898 was hij op Java en in 1906
zou hij naar Bali vertrekken, maar in de tussenliggende jaren woonde hij in Haarlem en voer hij op zijn schip De Zwerver rond de Zuiderzee.
In Edam kwam deze prachtige aquarel tot stand, toepasselijk omlijnd door geknoopt touw.

Middenboven: Oorkonde van aanbieding, 1902 H. J. Valk, pen en penseel in kleur, goudverf, 31,5 x 46,2 cm. Aan deze oorkonde heeft kalligraaf
H. J. Valk veel zorg en tijd besteed. De tekst staat centraal in een rand van oranjeappeltjes. In de omlijsting zijn alle provinciewapens opgenomen.
Middenonder staat het jaartal 1902 en in de hoeken zijn attributen van handel, nijverheid, landbouw en visserij opgenomen. De hoek linksboven is gewijd
aan de handel met Mercuriusstaf, baal, anker, weegschaal en boeken. De groep rechtsboven staat voor de nijverheid met onder meer hamer en aambeeld,
rad en passer. Linksonder is de landbouw gesymboliseerd met een korenschoof, sikkel zeis, spade, egge en ander gereedschap en rechtsonder tenslotte
de visserij met drietand, roer, anker, netten, roeispanen en boordlicht.

Rechtsboven: Tuinbouwinrichting der firma P. van Noordt Zonen te Boskoop W. J. Bauer, fotografie, penseel in kleur, dekverf;
28,1 x 39,6 cm. Van oudsher zijn er veel kwekerijen van bomen en andere siergewassen in Boskoop en omgeving. Het bedrijf van Van Noordt was sinds
de oprichting in 1859 fors gegroeid: rond 1900 telde men zo'n half miljoen planten en bomen in duizenden variëteiten. Het was inmiddels een modern
bedrijf met deels verwarmde kassen. Vrijwel de hele productie werd geëxporteerd; zo'n 70% naar Duitsland en Oostenrijk-Hongarije, de rest was bestemd
voor andere Europese landen en Amerika. Van Noordt was een befaamd bedrijf en inzendingen aan tentoonstellingen werden met medailles, geldprijzen
en getuigschriften gewaardeerd. Het bedrijf mocht drie vorstelijke wapens voeren: die van de Duitse keizer, van Koningin-regentes Emma en van de
Groothertog van Mecklenburg-Schwerin. Niet toevallig werd die laatste uitgebreid vermeld, want de Groothertog was een halfbroer
van Prins Hendrik, voor wie dit huldeblijk was bestemd.

Na meer dan honderd jaar bestaan de meeste van de in het album voorkomende bedrijven niet meer. Veel ondernemingen zijn overgenomen, gefuseerd,
elders gevestigd of opgeheven, slechts weinig bleven hier in stand. De bedrijven die zich konden handhaven, vestigden zich als gevolg van
stadsuitbreidingen en milieubeleid steeds verder buiten de stad. Er is nog veel te vertellen over deze buitengewone kast en albums, en niet minder te
onderzoeken. Waarom bijvoorbeeld zijn déze ondernemingen opgenomen en andere niet? En hoe representatief is deze selectie? Het ligt voor de hand
dat vooral veel hofleveranciers en koninklijke bedrijven zich geroepen voelden aan dit album bij te dragen.

Het geheel is uniek in vorm, uitvoering en betekenis. Het zegt iets over de bejegening van vorsten, over geschenkcultuur en netwerken. De inhoud van de
albums biedt een mooi overzicht van nijverheid, handel, landbouw en visserij aan het begin van de twintigste eeuw, zowel per branche als in bedrijfsgeschiedenis van afzonderlijke ondernemingen. Het geheel is een gaaf voorbeeld van de veelzijdigheid van de Nieuwe Kunst. Kast, banden en
platen geven tot in de details blijk van vakmanschap en toewijding. En niet in de laatste plaats: los van economische geschiedenis, kunsthistorische betekenis
en materiële waarde zijn de platen een lust voor het oog.