OranjelogoDe Huizen van Oranje en NassauNassau
Friese Koningen Folcwada en Aldgillis
Vlag BelgieVlag NederlandGouden KroonVlag LuxemburgVlag Duitsland

De Friese Nassau's

De vrouwen van Nassau-Dietz


Stamboom Willem V van Oranje

De Friese Nassau's raakten eveneens betrokken bij dat proces van erven en splitsen. In mei 1711 overleed de laatste telg uit het Huis Nassau-Hadamar. Zijn bezittingen gingen naar de eerstvolgend rechthebbende,
de Friese Nassau Prins Johan Willem Friso van Nassau-Dietz. Deze overleed een paar maanden later en er werd met spanning naar uitgezien of zijn kind - dat nog geboren moest worden - een zoon zou zijn. Bij een dochter werden de bezittingen overgedragen aan de dan nog enig overgebleven tak van de Ottoonse Linie en dat was Vorst Christiaan van Nassau-Dillenburg. Een van de zeven zusters van Prins Johan Willem Friso, Isabella Charlotte van Nassau-Dietz, trouwde in 1725 met deze Christiaan.

Zij kregen slechts een zoon die al zeer vroeg stierf. In 1739 overleed Vorst Christiaan ook en dat was het einde van de tak Nassau-Dillenburg, Alle eigendommen, bezittingen en territoria gingen naar het enig overgebleven Huis uit de Ottoonse linie, die van Nassau-Dietz, in de persoon van Prins Willem Carel Hendrik Friso. De familie Nassau-Dietz bleef zeer beperkt in omvang. De huwelijken en dientengevolge ook de daaraan
gekoppelde familierelaties waren ook klein te noemen. Het aantal geboorten uit die familie beperkte zich tot hooguit twee kinderen. Met diegene die dan de volwassen leeftijd bereikten en daardoor het Geslacht konden voortzetten. Veel echtgenotes van de Friese Nassau's kwamen uit uitgebreide familie's.

Grote erfenissen waren daarvan het gevolg. Ondanks het feit dat Willem van Oranje de eerst Stadhouder van Friesland was, werd zijn neef Willem Lodewijk gezien als de eerste Friese Nassau. Deze trouwde later met Anna van Oranje en zij overleed zeven maanden na hun huwelijk. Opvolger Ernst Casimir was in feite boven zijn stand getrouwd. Zijn vrouw was Sophia Hedwig Hertogin van Brunswijk-Wolfenbüttel, Gravin van Spielberg. Dat Graafschap was via een erfenis in haar handen gekomen en daardoor werd het een onderdeel van de bezittingen van het Huis Nassau-Dietz. Sophia's moeder was van geboorte een Deense Koningsdochter.
Op deze manier kwam het Deense Koninghuis in het vizier.
Na de dood van haar man, werd zij Regentes van het Graafschap Dietz. Sophia had een sterk karakter en daarmee kon zij zich meten met haar 'collega'
uit het Huis van Oranje, Amalia van Solms, gemalin van Prins Frederik Hendrik van Oranje. Ook die probeerde zoveel mogelijk haar kinderen uit te
huwelijken aan Koninklijke familie's. Beiden zorgden ervoor dat deze 'Takken' niet al te ver uiteen werden gedreven. Het huwelijk tussen de 38-jarige
Willem Frederik van Nassau-Dietz en de 18-jarige Albertina Agnes van Oranje was daarvan een voorbeeld. Wat dit echtpaar heeft betekend voor de
Nederlandse Koninklijke familie, kunt u lezen op een van de andere pagina's.

De vrouwen van de Friese Nassau's hebben altijd een grote rol gespeeld binnen het Geslacht van Nassau-Dietz. Kijk maar naar Prinses Sophia Hedwig
van Brunswijk-Wolfenbüttel
, Prinses Albertina Agnes van Oranje, tweede dochter van Willem van Oranje, Prinses Henriette Amalia van Anhalt-
Dessau
, Prinses Maria Louise van Hessen-Kassel, Prinses Frederica Sophia Wilhelmina van Pruisen, Prinses Anna van Hannover en vooral
Prinses Anna van Oranje
. Deze Prinsessen waren de voornaamste drijfkrachten achter de ontwikkeling en ontplooiing van het Friese Geslacht
Nassau-Dietz. In het kort geven we per Prinses wat relevante informatie weer. Al het andere vindt u terug in de andere pagina's over deze Prinsessen.

Sophia Hedwig van Brunswijk-Wolfenbüttel (Wolfenbüttel, 20 februari 1594 - Arnhem, 23 januari 1642), Gravin van Spiegelberg, was een dochter van Hertog Hendrik Julius van Brunswijk-Lüneburg en Elisabeth, Prinses van Denemarken. Op 8 juni 1607 huwde ze Ernst Casimir van Nassau-Dietz, waardoor zij ook de titel Gravin van Nassau-Dietz verkreeg.

Bij haar man kreeg ze de volgende negen kinderen:

doodgeboren dochter (1608)
doodgeboren zoon (1609)
naamloze zoon (1610-1610)
Hendrik Casimir I van Nassau-Dietz (1612-1640)
Willem Frederik van Nassau-Dietz (1613-1664)
Elisabeth (Leeuwarden, 25 juli 1614 - Leeuwarden, 18 september 1614)
Johan Ernst (Arnhem, 29 maart 1617 - mei 1617)
Maurits (Groningen, 21 februari 1619 - Groningen, 18 september 1628)
Elisabeth Friso (Leeuwarden, 25 november 1620 - Groningen, 20 september 1628)

Sophie Hedwig groeide op als oudste dochter van de Hertog van Brunswijk aan het Hertogelijk hof in Wolfenbüttel. Zij was een kleindochter van Frederik II en een nicht van Christiaan IV, beiden Koning van Denemarken. Zij kreeg een degelijke opvoeding en leerde meerdere talen, waaronder Latijn. In 1606 maakte zij aan het hof van haar vader kennis met Ernst Casimir, een zoon van Jan de Oude, broer van Willem van Oranje. Hij was op dat moment als Luitenant-Generaal in dienst van haar vader.

Sophie Hedwig van Brunswijk-Wolfenbüttel


In 1607 trouwde de vijftienjarige Sophie Hedwig met deze achttien jaar oudere Graaf Ernst Casimir, die het jaar ervoor het Graafschap Nassau-Dietz
had geërfd. Het huwelijk werd met pracht en praal voltrokken in Groeningen (bij Halberstadt), in tegenwoordigheid van Koning van Denemarken,
Christiaan IV. Het huwelijkscontract bepaalde dat Sophie Hedwig het Graafschap (later een Vorstendom) Nassau-Dietz als weduwgift zou ontvangen
in geval haar man kwam te overlijden. Aanvankelijk was Sophie's echtgenoot plaatsvervangend Stadhouder van Gelderland en sinds 1610 Gouverneur
van Utrecht. Toen zijn broer Graaf Willem Lodewijk in 1620 kinderloos stierf, werd hij ook Stadhouder van Friesland en na de dood van Prins
Maurits in 1625 kwamen daar Groningen en Drenthe bij.

Prinses Albertina Agnes werd geboren op 9 april 1634 te 's Gravenhage als dochter van Prins Frederik Hendrik van Oranje-Nassau (1584-1647),
Prins van Oranje 1625-1647, Graaf van Nassau, zoon van Prins Willem 'de Zwijger' van Oranje-Nassau (1533-1584), Prins van Oranje (1544-1584) en
Amalia van Solms-Braunfels. Prinses Albertina Agnes (1634-1696) is de stammoeder van het huidige Huis van Oranje-Nassau.
Ze trouwde op 2 mei 1652 met haar neef Graaf Willem Frederik, Vorst van Nassau-Dietz (1652), Graaf van Katzelnbogen, Vianden en Spiegelberg.
Hij werd op 7/17 augustus 1613 geboren als zoon van Graaf Ernst Casimir van Nassau-Dietz en Sophia Hedwig van Brunswijk-Wolfenbüttel.


Prinses Albertine Agnes

Graaf Ernst Casimir van Nassau-Dietz was de zoon van Graaf Jan VI 'de Oudere’ van Nassau-Dillenburg (1536-1606), de broer van Prins Willem 'de Zwijger' van Oranje-Nassau (1533-1584), Prins van Oranje
(1544-1584). Prinses Albertina Agnes was vernoemd beiden grootouders van Solms. Ze bracht haar jeugd door
in het Haagse Stadhouderlijk Kwartier. Haar huwelijk met de Friese Stadhouder Graaf Willem Frederik
vond plaats in Kleef aan het hof van Johan Maurits.

Het paar ging vervolgens in Leeuwarden wonen dat het centrum vormde van het bestuurlijke en politieke
leven
van Friesland. Op 31 oktober 1663 werd Prinses Albertina Agnes en kreeg zij de voogdij over haar
zoon Graaf Hendrik Casimir II (1657-1696) voor wie de Prinses het Stadhouderschap tot 1677 waarnam.

Prinses Albertina Agnes was tevens, namens hem, Regentes van het Graafschap Dietz. In 1671 liet zij in Dietz de oude middeleeuwse burcht vervangen door een nieuw slot dat ze Oraniënstein noemde en met haar
zoon ging wonen. Ook in Friesland wilde de Prinses over een voorname buitenplaats te beschikken.

Zij kocht daarom voor 41.000 carolusguldens het landgoed 'in het Wold' dat de naam Oranjewoud kreeg.
Het bestaande huis, ten zuidoosten van het huidige Heereveen, liet zij verbouwen en uitbreidden. In haar gelefde Oranjewoud, gesloopt van 1803-1805, overleed Prinses Albertina Agnes op 24 mei 1696. Prinses Albertina Agnes stamt rechtstreeks af van prins Willem 'de Zwijger' van Oranje-Nassau (1533-1584)

Prinses Henriëtte Amalia van Anhalt-Dessau (geb. Kleef 16-8-1666 – gest. Oraniënstein, Dietz 18-4-1726), Regentes van Friesland en Stad en Lande.
Dochter van Johan George (1627-1693), Vorst van Anhalt-Dessau, en Henriëtte Catharina (1637-1708), Prinses van Oranje-Nassau. Henriëtte Amalia
van Anhalt-Dessau trouwde op 16-11-1683 in Dessau met Hendrik Casimir II van Nassau-Dietz (1657-1696), stadhouder van Friesland, Stad en
Lande en Drenthe. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 7 dochters geboren, van wie 1 zoon jong overleed. Hun zoon Graaf Johan Willem Friso erfde
de titel Prins van Oranje van Prins Willem III van Oranje-Nassau, Prins van Oranje in 1650. Henriëtte Amalia, in de literatuur soms slechts met
de voornaam ‘Amalia’ aangeduid, werd vernoemd naar haar grootmoeder Amalia van Solms. Zij werd geboren als vijfde van de tien kinderen die haar
moeder kreeg, van wie de oudste drie al voor haar geboorte waren overleden.

Haar jeugd bracht Henriëtte Amalia door op het ouderlijk slot in Dessau. Ze kreeg een gedegen opvoeding, met onder meer lessen in geschiedenis en taalwetenschappen. Veel aandacht werd besteed aan de beginselen van het gereformeerde geloof en de daarop gebaseerde ethiek. In 1683 kreeg zij bezoek van haar neef Hendrik Casimir II van Nassau-Dietz. Deze was gestuurd door zijn moeder (en zus van haar moeder), Albertine Agnes, omdat
deze een bruid zocht voor haar zoon.

Henriette Amalia leek vanwege haar intelligentie en kordaatheid een geschikte kandidate en de kennismaking verliep voorspoedig: Henriëtte Amalia en Hendrik Casimir voelden zich tot elkaar aangetrokken. Nog in hetzelfde jaar werd hun huwelijk in Dessau voltrokken. De zeventienjarige bruid ging niet direct mee naar Friesland.

Henriëtte Amalia was bang dat de carrière van haar enige nog levende zoon, Johan Willem Friso, te lijden zou hebben van de onenigheid tussen haar man en zijn machtige neef, stadhouder Willem III, prins van Oranje. Hendrik Casimir was zeer jaloers op Willem en werkte hem tegen zoveel hij kon. Henriette Amalia deed met
haar schoonmoeder een aantal pogingen de beide stadhouders te verzoenen.

Dat lukte in 1694. Een jaar later benoemde Willem III, die zelf kinderloos was, bij testament Johan Willem Friso tot zijn universeel erfgenaam. In 1696 overleed Hendrik Casimir op 39-jarige leeftijd. De zwangere Henriëtte Amalia bleef achter met zeven jonge kinderen. Willem III stond haar voortaan als adviseur bij in de militaire opvoeding van Johan Willem Friso.


Prinses Henriëtte Amalia van Anhalt-Dessau


Prinses Maria Louise van Hessen-Kassel (Kassel, 7 februari 1688 - Leeuwarden, 9 april 1765) bijgenaamd 'Marijke Muoi' was de dochter van
Karel Lodewijk van Hessen-Kassel en Maria Anna van Koerland. Maria Louise trouwde op 26 april 1709 te Kassel met Johan Willem Friso van
Nassau-Dietz (1687-1711).Daar zij in Friesland heel populair was, werd zij muoi (het Friese woord voor tante) genoemd. Na het vroegtijdig overlijden
van haar echtgenoot Johan Willem Friso, in 1711, nam zij tijdens de minderjarigheid van zijn postuum geboren zoon, Willem IV, het stadhouderschap
van Friesland, Groningen en Drenthe waar (tot 1731).

Prinses Maria Louise van Hessen-Kassel

In 1730 liet zij voor zich zelf het buitenverblijf Marienburg bouwen. Zij bewoonde het Princessehof, een in Leeuwarden aangekocht stadspaleis in 1731. Maria Louise had daar ook een belangrijke porseleincollectie ondergebracht. Tegenwoordig is in het Princessehof het Nationaal Keramiekmuseum gevestigd.
In 1734 trouwde haar zoon met Anna van Hannover, met wie zij niet goed overweg kon.

In 1747 werd Willem IV van Oranje-Nassau ook stadhouder van de andere gewesten van de Republiek.
Toen hij in 1751 overleed, was zijn zoon Willem V nog maar drie jaar oud. Marijke Muoi nam het Regentschap over van haar schoondochter, Anna van Hannover, die in 1759 overleed.

Uit dit huwelijk werden de volgende kinderen geboren:

    Anna Charlotte Amalia (1710-1777), gehuwd met Frederik van Baden-Durlach (1703-1732).
    Anna Charlotte werd krankzinnig.
    Willem IV Karel Hendrik Friso (1711-1751), gehuwd met Anna van Hannover (1709-1759).

Een akkoord over de erfenis met zijn Pruisische verwanten in 1732 verschafte Prins Willem IV (1711-1751) de materiële basis voor zijn huwelijk in 1734 met de Engelse Koningsdochter, Prinses Anna van Hannover (1709-1759).

Prins Willem IV werd de eerste stadhouder in alle gewesten van de Republiek. Het Stadhouderschap werd formeel erfelijk (ook in de vrouwelijke lijn).
Op 18 oktober 1748 werd de Oostenrijkse Successieoorlog beëindigd met de Tweede Vrede van Aken en dit werd tevens gezien als het einde van ons land
als grote mogendheid. Na de dood van haar man trad Anna als op gouvernante (1751-1759) voor haar minderjarige zoon Prins Willem V, die formeel
erfstadhouder was geworden. Deze taak werd na haar dood overgenomen door de Hertog van Brunswijk-Wolfenbüttel, die daarvoor al belast was met
de waarneming van de legerleiding.

Prinses Anna van Hannover (kasteel Herrenhausen bij Hannover, 2 november 1709 – Den Haag, 12 januari 1759) was het eerste kind van de latere Britse Koning George II. Dat was de reden dat zij zowel in Engeland als in Nederland 'Princess Royal' werd genoemd. In feite de toekomstige Koningin van van het Britse Rijk. Na de huwelijkssluiting in 1734 in Londen met Willem Hendrik Carel Friso, Prins van Oranje, Graaf van Nassau-Dietz etc. - de latere (erf)stadhouder Prins Willem IV - reisde zij met haar echtgenoot vanuit Londen over de Noordzee.

Vervolgens via Amsterdam per jacht over de Zuiderzee, om via Harlingen in Leeuwarden te belanden waar zij het onderkomen van vele generaties Friese Stadhouders uit het huis Nassau-Dietz betrok. Dat heette het Stadhouderlijke Hof (thans een luxe hotel) vlakbij het oude stadhuis van de Friese hoofdstad Leeuwarden.

Na de benoeming van haar echtgenoot eerst tot Stadhouder van Groningen, Drenthe, Gelderland en Friesland en in 1747 tot erfstadhouder en tot Kapitein-Generaal en Admiraal van de Unie - dus van de gehele Republiek der Verenigde Provinciën - verhuisde de Vorstelijke familie met vrijwel de gehele hofhouding (ca 120 personen) van Leeuwarden naar Den Haag, naar Paleis Huis ten Bosch.

De stadhouderlijke kwartieren aan het Binnenhof functioneerden als representatieve ambtswoning. Na de dood van haar man was Anna van 1751 tot 1759 Regentes voor haar enige zoon, erfstadhouder Prins Willem V. Daarna nam de Hertog van Brunswijk-Wolfenbüttel de opvoeding van de Prins over en in 1765 was zijn zuster Carolina zijn Regentes tot aan zijn meerderjarigheid.


Prinses Anna van Hannover

Prinses Anna van Hannover (kasteel Herrenhausen bij Hannover, 2 november 1709 – Den Haag, 12 januari 1759) was het eerste kind van de latere
Britse Koning George II. Dat was de reden dat zij zowel in Engeland als in Nederland 'Princess Royal' werd genoemd. In feite de toekomstige Koningin
van van het Britse Rijk. Na de huwelijkssluiting in 1734 in Londen met Willem Hendrik Carel Friso, Prins van Oranje, Graaf van Nassau-Dietz etc.
- de latere (erf)stadhouder Prins Willem IV - reisde zij met haar echtgenoot vanuit Londen over de Noordzee.

Vervolgens via Amsterdam per jacht over de Zuiderzee, om via Harlingen in Leeuwarden te belanden waar zij het onderkomen van vele generaties Friese
Stadhouders uit het huis Nassau-Dietz betrok. Dat heette het Stadhouderlijke Hof (thans een luxe hotel) vlakbij het oude stadhuis van de Friese
hoofdstad Leeuwarden. Na de benoeming van haar echtgenoot eerst tot Stadhouder van Groningen, Drenthe, Gelderland en Friesland en in 1747 tot
erfstadhouder en tot Kapitein-Generaal en Admiraal van de Unie - dus van de gehele Republiek der Verenigde Provinciën - verhuisde de Vorstelijke
familie met vrijwel de gehele hofhouding (ca 120 personen) van Leeuwarden naar Den Haag, naar Paleis Huis ten Bosch.

De stadhouderlijke kwartieren aan het Binnenhof functioneerden als representatieve ambtswoning. Na de dood van haar man was Anna van
1751 tot 1759
Regentes voor haar enige zoon, erfstadhouder Prins Willem V. Daarna nam de Hertog van Brunswijk-Wolfenbüttel de opvoeding
van de Prins over en in 1765 was zijn zuster Carolina zijn Regentes tot aan zijn meerderjarigheid.

Prinses Wilhelmina Carolina
van Oranje-Nassau

Carolina was de oudere zuster van Willem Batavus van Oranje-Nassau, de latere stadhouder Willem V. Willem IV
was reeds erfstadhouder en in 1747 werd bepaald dat het stadhouderschap ook in de vrouwelijke lijn kon worden doorgegeven. Daarom had Carolina in 1759 bij haar verloving toestemming nodig van de Staten-Generaal, een verzoek dat nog door haar moeder de Gouvernante kort voor haar overlijden werd gedaan. Het leverde nogal wat gesteggel op, omdat de bruidegom Luthers was, en de staatsregeling van 1747 eiste dat de leden van het Huis van Oranje-Nassau de "openbare godsdienst" beleden. De Ridderschap van Utrecht alsook een aantal Hollandse steden stemden tegen. Carolina bezat een eigen buitenplaats te Oranjewoud, genaamd Carolineburg. Carolina trouwde op 5 maart 1760 met Karel Christiaan, Vorst van Nassau-Weilburg (uit de Walramse linie). Zij schonk hem meer dan twaalf kinderen.

Op haar positie als opvolgster in het erfstadhouderschap werd in 1814 het grondwetsartikel gefundeerd, krachtens het welk haar afstammelingen voor troonopvolging in aanmerking kwamen. Carolina was de oudere zuster van Willem Batavus van Oranje-Nassau, de latere stadhouder Willem V. Willem IV was reeds erfstadhouder en in 1747 werd bepaald dat het stadhouderschap ook in de vrouwelijke lijn kon worden doorgegeven. Daarom had Carolina
in 1759 bij haar verloving toestemming nodig van de Staten-Generaal, een verzoek dat nog door haar moeder de Gouvernante kort voor haar overlijden werd gedaan. Het leverde nogal wat gesteggel op, omdat de bruidegom Luthers was, en de staatsregeling van 1747 eiste dat de leden van het Huis van Oranje-Nassau de "openbare
godsdienst" beleden. De Ridderschap van Utrecht alsook een aantal Hollandse steden stemden tegen. Carolina
bezat een eigen buitenplaats te Oranjewoud, genaamd Carolineburg.
Prinses Frederica Sophia Wilhelmina van Pruisen, roepnaam Wilhelmina was een dochter van Prins August Willem van Pruisen, een broer van Frederik
de Grote en Hertogin Louise Amalia van Brunswijk-Wolfenbüttel. Al op zeer jonge leeftijd werd zij bij haar ouders weggehaald om dynastieke
redenen. Ze groeide op bij haar grootmoeder, Prinses Sophia Dorothea van Hannover, sinds 1740 de Koningin-moeder. Vervolgens voedde haar
tante, Elisabeth Christine van Brunswijk-Bever Wilhelmina verder op. Op 4 oktober 1767 trouwde de 16-jarige Prinses met Prins Willem V in Berlijn.
In 1768 bracht Koning Frederik de Grote, haar oom, een bezoek aan het Loo. Voor de hoge gast was een concert
en een operavoorstelling georganiseerd.

Frederik schreef aan zijn zus dat het afschuwelijk was geweest. Prinses Wilhelmina overtrof haar man in doortastendheid. Haar invloed op het beleid was dan ook niet gering. Mogelijk al vanaf 1776, maar vooral nadat de geheime raadsman van de Prins, de Hertog van Brunswijk, een broer van haar moeder, in 1784 al zijn functies moest neerleggen.

Willem V
was in moeilijkheden geraakt vanwege het stadhouderlijk stelsel, dat was gebaseerd op kuiperij en vriendjespolitiek. Gedurende het jaar 1782 waren er problemen ontstaan. Frederik de Grote bood aan door middel van zijn gezant Friedrich Wilhelm von Thulemeier om te bemiddelen.

Van diverse kanten is gesuggereerd dat koppige Willem V privileges zou moeten afstaan en dat zijn vrouw meer invloed kreeg, o. a. door Pieter Paulus en Laurens Pieter van de Spiegel, die de Prinses hadden gevraagd in overleg treden met Patriotten. (De advocaat-fiscaal Joan Cornelis van der Hoop was haar adviseur en correspondeerde ook later met haar).

D e Prins volhardde in zijn starheid en bleek wars van iedere concessie. In september 1785 werd Willem V gedwongen Den Haag te verlaten, toen daar rellen waren ontstaan. De stadhouder was ten einde raad en dreigde al zijn functies opgeven. Blijkbaar wist zij hem te overreden niet op te geven. Wilhelmina reisde met haar kinderen per boot naar Friesland om steun te zoeken en op tijd in Franeker aanwezig te zijn bij de viering van het 200-jarig bestaan van de Hogeschool van Franeker. De stadhouder kwam twee weken later in Friesland aan.

Prinses Frederika Sophia Wilhelmina
van Pruissen

Na een bezoek aan Groningen betrok de stadhouderlijke familie het Loo bij Apeldoorn, maar verhuisde november 1786 naar Nijmegen. Onmiddellijk
versterkte zij het contact met haar broer, Frederik Willem die in augustus van dat jaar op de troon was gekomen. Haar echtgenoot was door alle
verwikkelingen niet meer in staat correspondentie weg te werken. Ondanks dat bleef de Prinses trouw achter haar man staan. Op een bijeenkomst
in Amersfoort op vrijdag 22 juni 1787 had zij voorgesteld, dat haar aanwezigheid in Den Haag de minderheid in de Staten van Holland ertoe kon brengen
hun moed bijeen te rapen de Prins een opdracht te vertrekken tot herstel van de orde in de provincie.

De Stadhouder wilde er in eerste instantie niets van weten, maar na consultatie en actie van de Oranjegezinde Gijsbert Karel van Hogendorp, stemde hij toe.
Op 28 juni 1787 trok Prinses Wilhelmina om 5.30 uur van Nijmegen richting Den Haag, misschien als provocatie, maar naar haar eigen zeggen om aan
de heersende onenigheid een einde te maken. Zij werd 's middags om half vier bij Bonrepas aan de Vlist door enkele leden van het Goudse vrijcorps
aangehouden. De voorman van de Goudse patriotten Cornelis Johan de Lange was op de hoogte gebracht, middels de vriend van het kamermeisje
van de Prinses die schriftelijk haar verloofde haar komst had aangekondigd.

Frederika Sophia Wilhelmina
van Pruissen

De inzittenden van twee koetsen en een sjees werden opgebracht naar Hekendorp, waar zich het hoofdkwartier bevond en staat in de annalen van de geschiedschrijving bekend als "de aanhouding bij de Goejanverwellesluis". De rest van de dag bracht Wilhelmina door op de boerderij van Arie Leeuwenhoek, aanvankelijk zittend op een stapel kazen. Buiten stonden wachten, binnen iemand met een ontbloot sabel. De Lange vroeg ondertussen toestemming aan de Staten van Holland of de Prinses wel verder mocht reizen.

Toen de Staten van Holland dat weigerden, omdat ze de rust in gevaar zou kunnen brengen, kreeg ze de gelegenheid terug te keren naar Schoonhoven. Toen er twee dagen later alsnog geen toestemming was, besloot Prinses Wilhelmina onverrichte zake terug te keren naar Nijmegen. Zij spoorde vervolgens haar broer aan tot militair ingrijpen. Een verzoek aan de Staten om excuses aan te bieden leidde tot een tweetal ultimatums, de eerste op 6 augustus en de tweede ingaande op 10 september 1787.

Toen het Gewest Holland niet reageerde, volgde drie dagen later de Pruisische bezetting. (Engeland steunde de bezetting en Frankrijk bleek financieel niet bij machte de zaak te keren). Op zondag 23 september waren beiden terug in Den Haag, alhoewel de Prinses het niet had nagelaten om - trots en fier - door Gouda te trekken. Aan het einde van het jaar eiste zij de vervanging van een groot aantal Regenten.
Enkele Pruisische generaals helden veel meer naar de kant van de Patriotten en spraken met minachting
over de Prins. Zijn macht en invloed zou aan zijn vrouw moeten worden overgedragen.

In januari 1795 - bij de inval van de Fransen - week het Prinselijk gezin uit naar Engeland. Van 1802 tot 1806 woonde het gezin afwisselend in Dietz, Nassau
en in Brunswijk. Op 10 januari 1814 keerde ze terug als weduwe. Vanaf 1814 woonde ze in Haarlem in Landhuis Welgelegen in de Haarlemmerhout, waar ze
in 1815 Tsaar Alexander I van Rusland ontving. Daar ontmoette zij opnieuw Cornelis Johan de Lange. Ze begroette hem met een grapje. 'Nu bent u,
Mijnheer, mijn gevangene'. Ik wacht U aan mijn tafel. Voor haar dochter Louise, ook weduwe, was inmiddels een buitenhuis aan de Spaarne ingericht.
Prinses Wilhelmina overleed in 1820 op Welgelegen, maar werd vooralsnog begraven in Apeldoorn. Twee jaar later werd zij in het nieuwe deel van de
Grafkelder van de Oranjes in Delft bijgezet.

Prinses Wilhelmina en Stadhouder Willem V kregen de volgende kinderen:

  1. Naamloze zoon (23 maart 1769 - 24 maart 1769)
  2. Prinses Louise (1770-1819)
  3. Naamloze zoon (doodgeboren op 6 augustus 1771)
  4. Koning Willem I (1772-1843)
  5. Prins Frederik (1774-1799)