De Friese Nassau's

De Historie van Friesland

De Historie van Friesland is ongeveer 2000 jaren oud. Misschien verbaast u dat. Om een en ander te verduidelijken gaan wij wat dieper op deze materie in. In de laatste 5 eeuwen voor Christus was er in Friesland al sprake van een permanente bewoning. In het jaar 12 voor Christus - in de tijd van de Romeinen - werden de Friezen al beschreven. Die waren dus een oud volk. Edoch, vele duizenden jaren daarvoor werd dat gebied al bewoond. Dat was in een periode, een tijdseenheid, waarin kleistreken in het Westen en het Noorden nog gevormd moesten worden.

Bodemvonsten hebben uitgewezen dat daar zo'n 150.000 jaren terug, mensen hebben gewoond en geleefd. Men jaagde daar op voedsel in de vorm van rendieren. De huiden werden als kleding en bedekking voor de slaapplaats gebruikt. Heel Europa was in die tijd bedekt met ijs en ware aardverschuivingen ontstonden spontaan. De bekende Kliffen in Friesland herinneren daar nog altijd aan. De golvende landschappen van Gaasterland zijn daar ook een product van.

Na deze ijstijd werd het klimaat van Friesland heel wat milder en werd het overdekt met bossen en er ontstond veen. Een rijkere platen- en dierenwereld ontplooide zich. Er waren mogelijkheden te over voor de jacht en de visserij. Beiden veranderden het menselijke bestaan in die contreien.

Wapen van Friesland

Maar ook in de zogenaamde IJzertijd was de bewoning van dit land toch gering. Vanuit oostelijke richting, kwamen een paar honderd jaren later meer mensen hierheen om zich in deze gebieden te vestigen. Daarvoor verlieten zij hun zandstreken waar men het land had zien onderstuiven. Ook waren bepaalde gebieden door uitmergeling en veengroei praktisch onbewoonbaar geworden. De meesten van hen vestigden zich in de kustvlakte, vooral op de kwelgronden in het Westen van Friesland. Ideaal wonen was het niet omdat zij onbeschermd waren tegen de soms woedende zee, die weer eens alles vernietigde wat zij hadden opgebouwd in de loop van de tijd. Daardoor ontstonden er de bekende terpen. Uit noodzaak geboren en door mensenhanden aangebracht, tekenden deze heuvels het Noordelijke landschap voor altijd. Op de kleinere stonden maar een paar boederijen maar door samenvoeging van die terpen onstonden grotere nederzettingen, zoals het huidige Dokkum en Leeuwarden. Vanaf 100 jaren voor Christus werd de bewoning van die terpen meer permanent. Na de geboorte van Christus, kwam het hier in een stroomversnelling. De Friezen realiseerden zich dat bescherming van lijf en leden, hun gewas, huizen en veestafel van essentieel belang was. Omstreeks het jaar 1000 legde men de voorloper van de dijken aan. Ondanks deze vooruitgang, gebruikte men de terpen wel als toevluchtsoord daar de dijken niet van dien aard en kwaliteit waren zoals wij deze hedentendage kennen

Romeinse Keizer Claudius

Inmiddels zat Keizer Claudius op de Romeinse Troon. Daar de Chauken herhaaldelijk op strooptocht gingen in Gallië, werden er troepen gestuurd om daar en einde aan te maken. De veldheer Corbulo nam een en ander voor zijn rekening. Ruimde de vervelende en lastige Chauken op. En passant werden de Friezen weer onderworpen. Zij kregen van Corbulo een woongebied op de terpen toegewezen. Daar namen de Friezen geen genoegen mee en kwamen in opstand. Het gevolg was geen gevechten maar een diplomatieke afvaardiging - Verritus en Malorix (het jaar 58) die richting Rome ging.

Het resultaat van die onderhandelingen was, dat het Friese volk burgerrechten kreeg toebedeeld van de nieuwe Keizer, Nero. Hun klachten waren niet relevant voor de keizer en dat kwam hem duur te staan. Rond het jaar 70 braken er opstanden uit en onder aanvoering van Julius Claudius Civilis verdreven de Batavieren - de Friezen namen graag deel daaraan - de Romeinen voorgoed uit deze contreien. De Romeinse tijd heeft de leefwijze en het dagelijkse bestaan van de Friezen grondig veranderd. Andere behuizing werd gemaakt conform de Romeinse en die was vele malen beter dan wat de Friezen in die periode hadden.

Veel soorten granen werden verbouwd, vlas en andere groenten die de Romeinen hadden mee gebracht. Het vlas werd was al een grondstof voor het maken van bier. Van meel werden verschillende spijzen, zoals pap, gemaakt. Dat was een forse verandering in de eetgewoonten van het Friese volk. Van huis uit waren het vleeseters, zij jaagden immers op de in de natuur rondlopende dieren, als bijvoorbeeld, hazen, oerossen, wilde zwijnen, herten en deze leverden ook het hertshoorn op. In het waterrijke Friesland was ook de visvangst van grote betekenis, zeker als handelswaar.

Voor de dagelijkse kleding gebruikte men schapenwol en uit hun beenderen werden hoofdkammen vervaardigd. De Romeinen hadden hen het gebruik van lepels, messen en vorken bij gebracht. Deze werden vervaardigd uit de horens van de runderen en soms ook uit hout. Drinknapjes van gebakken aarde of klei werden bij opgravingen gevonden, zelfs een drinknap gemaakt van een menselijke schedel werd gevonden. Kennelijk werd een verslagen vijand's hoofd gebruikt om daaruit te drinken. Of dat op zijn gezondheid was, laten wij in het midden. Uit de overgebleven terpen kwamen speelschrijven te voorschijn, bestaande uit stukken been of grote potscherven met een gaatje in het midden. Het wordt hoogstwaarschijnlijk geacht, dat dit misschien de voorlopers zijn geweest van een soort damspel! dat door de Friezen werd gespeeld.

De grote Volksverhuizing brak aan. Deze vond plaats in de 4e tot de 6e eeuw. Ook de bewoners van Friesland namen daar deel aan. Vooral Germaanse volkeren ondernamen in die periode een massale uittocht naar het Westen en het Zuiden van Europa. Uiteindelijk luidde dat de ondergang het van Romeinse Rijk in. De volksbeweging begon in feite in Scandinanvië en voltrok zich van Noord naar Zuid. Daarna waren stammen als de Germanen en de Kanninefaten volstrekt verdwenen. Opgegaan in het grote geheel dat zo'n verplaatsing nu eenmaal met zich brengt. Uit het huidige Duitsland verdwenen talloze Germaanse stammen om via Friesland en de Noordzee hun toekomst te zoeken in Engeland. Maar een deel van deze stammen bleef achter in Friesland en vermengde zich daar met de lokale bevolking. Waarom de Friezen zich vermengden met Angelen en Saksen is goed verklaarbaar. Vijanden in het verleden en vrienden in de heden, dankzij de opdringende Franken uit het Zuiden.

De uitgestrektheid van het gebied waarbinnen de Friezen leefden kromp in de loop van de eeuwen erna, significant. We schrijven het jaar 600 na Christus. Friesland was eenmaal een Koninkrijk. Over de Koningen die daar regeerden is niet veel bekend. Een paar zijn in de herinnering en overleving blijven hangen. In die periode regeerde ene Koning Friso dit gewest. Naar hem zijn de Friezen vernoemd. Zijn Koninkrijk strekte zich uit van het Zwin, bij de Belgische grens aan de kust tot aan de rivier de Wezer in Duitsland. Naam van het geheel West-Friesland. Koning Aldgillis volgde hem op. Onder zijn heerschappij verlieten de Friezen hun Goden als, Wodan, Donar, Imir, Thor en de God van het Recht Forseti. Die maakten plaats voor het geloof dat de Angelsaksiche Bisschop Wilfried uitdroeg, het Christendom. Hij kreeg toestemming van Aldgillis om zijn geloof te verkondigen. Daarmee was de Bisschop de eerste Christenprediker in Friesland. In 678 was hij op weg naar Rome en arriveerde in de handelsstad Dorestad (het huidige Wijk bij Duurstede). Die stad behoorde tot het Friese Rijk van Aldgillis. Het prediken van het Christendom gebeurde - naar gebruik - alleen aan de voornaamste personen.

De Sarcofaag van Willibrord in de
Kathedraal van Echternach

De Frankische hofmeier Ebrion hoorde ervan en bood - terwille van zijn buitenlandse vrienden - een enorme som geld aan de Koning om de prediker uit te leveren. Aldgillis weigerde dat resoluut en deelde de hofmeier mede dat een ieder die onder zijn bescherming stond, daar ook op kon rekenen. Gedurende de winter probeerde de Bisschop zijn luisteraars - als hij die al had - te overtuigen van de juistheid van zijn geloof.

Wat moede van zijn inspanning en misschien ook wel van de teleurstelling die hij had ondervonden, immers, veel bekeerlingen had hij nog niet, besloot Wilfried terug te gaan naar Engeland. Echter, hij vergat Friesland niet en stuurde een Benedictijner monnik om zijn werk voort te zetten. Helaas, vond deze Koning Aldgillis niet meer. Hij was opgevolgd door zijn zoon Redbad. Kort na de dood van Aldgillis werd Redbad Koning der Friezen en die moest niets hebben van de Christelijk geloofsleer. In de strijd die volgde verloor Redbad Dorestad en ook Utrecht. Het voordeel hiervan was dat er een groot stuk terrein braak kwam te liggen en openstond voor de verkondiging van het geloof.

Bisschop Willibrord

De geestelijke Willibrord geheten, ook een Angelsaksische zendeling ging voorvarend te werk. Beter dan zijn voorgangers deed hij dat. Ruimde een aantal heidense heiligdommen op en zette er kerken voor in de plaats. Als dank voor zijn inspanningen, beloonde de Paus hem en benoemde Willibrord tot Aartsbisschop van Friesland. Er kwamen nieuwe Christenpredikers. Een van hen was Bonifatius. In 716 reisde deze vanuit Engeland naar Dorestad om Willibrord bij te staan in zijn werk.Hij bracht een bezoek aan Redbad en probeerde de Koning ervan te overtuigen dat het uitdragen van het Christelijke geloof goed was voor een ieder die daarmee in aanraking kwam. Koning Redbad had geen belangstelling. Toch kreeg hij toestemming om in de Friese gebieden te prediken. Dat al, was een grote stap voorwaarts. Met Redbad ging het ook niet zo goed. Hij leed onder het feit dat langzaam maar zeker het heidense geloof verdween en plaats maakte voor het Christelijke. Tegen zijn zin, trouwde notabene zijn bloedeigen dochter met een vooraanstaande Frank. In 714 veroverde Koning Redbad de verloren gegane gebieden. De kerken die Willibrord had gevestigd, werden vernietigd.

Daarop vluchtte de Bisschop naar het Zuiden. Koning Redbad stierf in 719. Het verhaal deed de ronde, dat hij tenslotte toch heeft overwogen het Christelijk geloof aan te nemen. De opvolger van Willibrord de Frankische zendeling Wulfram, Bisschop van Sens, die in het gebied van de Aartsbisschop ook predikte, zou dat hebben geprobeerd. Eindelijk had Wulfram Koning Redbad zover dat hij al een voet in het doopvont had gestoken. Edoch, de Koning vroeg, of hij na de doop toch later in het Walhalla zou komen. Die vraag werd door de Bisschop van Sens ontkennend beantwoord. Daarmee was het sprookje over en Redbad verkoos toch het Walhalla boven de Christenhemel.

Bij het prediken van het Christendom heeft Bonifatius een belangrijk rol gespeeld. Toch werd het vernietigen van de Germaanse heiligdommen hem noodlottig. Bonifatius werd geboren onder de naam Wilfried omstreeks 680 in Crediton. Hij stamde uit een adellijk Saksisch geslacht. Op 7-jarige leeftijd bezocht Wilfried de kloosterschool. In 710 werd hij tot priester gewijd. De priester bezat een grote kennis van de godgeleerdheid en hij bekwaamde zich tevens in de Latijnse poëzie (overigen een 'dode' taal!). Men wilde Wilfried graag in Engeland houden maar hij voelde zich meer geroepen tot het zendelingenwerk in de streken waaruit zijn voorvaderen kwamen. Het was de bedoeling van Wilfried, Willibrod bij te staan in zijn zware werk maar deze had inmiddels het missieterrein verlaten. Willibrod werd ook de eerste Bisschop van Utrecht. In de stad Echternach in Luxemburg, wordt elk jaar een dansende processie op Witte Zondag gehouden met zakdoeken ter ere van St. Willibrod. De Bisschop werd in een sarcofaag bijgezet in crypte van de Kathedraal van deze stad.

Wilfried ging met een grote schare pelgrims, in 718, naar Rome. De heersende Paus Gregorius II zond hem met een aantal aanbevelingen terug naar Friesland. Het was bij deze gelegenheid dat Wilfried zijn naam veranderde in Bonifatius. In de jaren 719-722 predikte hij in Friesland en daarna in Duitsland. In Fulda stichtte Bonifatius een klooster en in Mainz resideerde hij als Bisschop. Toch heeft Bonifatius - op hoge leeftijd - nog geprobeerd de Friezen voor het Christelijk geloof te interesseren.

In het begin ging dat goed maar er groeide steeds meer haat tegen de Bisschop die hun heiligdommen had verpulverd. Op 5 juni 754 kwam die haat tot een uitbarsting. Bonifatius, die met 52 volgelingen verbleef in een tentenkamp te Dokkum, werd vermoord en met hem ook zijn discipelen. Het stoffelijk overschot van Bonifatius is overgebracht naar Fulda, waar het in de Crypte van de Dom is bijgezet.

In 1954 is voor deze geestelijke 'beeldenbestormer' in Dokkum eindelijk een standbeeld opgericht.Nadat de Angelen en Saksen naar Engeland waren vertrokken, brak er een rustige tijd aan. De volkeren langs de Noordzee bleven vrij rustig in de door hen betrokken gebieden wonen. De Vikingen en de Noormannen kregen weer belangstelling voor dei contreien die voorheen ook veel buit hadden opgebracht.

Reeds in de tijd van Karel de Grote, Koning en later Keizer der Franken die van 768 tot 814 regeerde, kwamen de Deense Vikingen, die in het Fries Wytsingen genoemd werden, naar Friesland. Doordat Karel de Saksen, in een bloedige strijd, aan zich had onderworpen, kreeg de Friezen de Denen als buren. De Keizer wenste zijn invloed uite brieden en verleende aan bepaalde kroonpretendenten zekere rechten.

Deze politiek werd later door zijn zoon Lodewijk de Vrome voortgezet. Ondanks deze toezeggingen werden de Friezen en ook de Franken steeds vaker het slachtoffer van brute roofovervallen door Denen zowel als de Noormannen. Men probeerde het in 807 door weerstad van de bevolking lukte de beroving niet. Helaas lukte dat het deze moordenaarsbenden wel in 810. Dat was vooralsnog de laatste 'veldtocht' der Denen en Noormannen.

Na een betrekkelijke rust van 24 jaren begon in 834 de ellende pas goed op gang te komen. Een grote Deense vloot drong het hart van Friesland, Dorestad. De stad werd grondig geplunderd en voor een aanzienlijk deel verbrand. In de daarop volgende jaren werd Dorestad nog enkele malen op een gruwelijk wijze leeg gehaald.



Kathedraal en Klooster van Echternach
gesticht in 698 door Willibrord

Ondanks deze tragedie's leerden de Friezen veel van de Vinkingen en de Noormannen. Hun kunstnijverheid stond op een hoog peil. Er waren heel goede goudsmeden onder hen en een saillant voorbeeld was, dat de afschuwelijke drakenkoppen die veelal van hout waren gemaakt ook in het goud de boegen der schepen sierden .De Noormannen waren uitmuntende scheepsbouwer's en het Friese volk heeft daar veel van opgestoken. Voorts zeer bekwame zeevaarders en die kennis konden de Friezen goed gebruiken. Ook de Denen kregen enige tijd vaste voet in het Noorzeegebied. Het gebied van het eens zo machtige Frankische Rijk viel met het Verdrag van Verdun in 843 uiteen. Door een paar Deense Prinsen, met hulp van de zonen van Lodewijk de Vrome, werd daar dankbaar gebruik van gemaakt. De Deense Prins Rorik was in 840 beleend met Dorestad. Dat beviel hem heel goed en hij probeerde zijn macht in Friesland uit te breiden. Zijn opvolger, Godfried de Noorman, die zich had laten dopen en met een Karolingse Prinses was gehuwd probeerde - zonder zich iets aan de trekken van zijn leenheer - eigemachtig een groter gebied te onderwerpen.

Dat was niet naar de smaak en de zin van Koning Karel de Dikke die in 885 over West-Francie heerste. Deze liet Godfried door sluipmoordenaars doden. Daarmee was de rust niet weer gekeerd in deze gebieden. Tot ver in het jaar 1000 hadden de Friezen te lijden van de invallen waarbij Stavoren in 991 ook maar even werd leeg geroofd. De Vinkingen hadden bereikt wat zij wensten. Namelijk de vernietiging van het Frankische Rijk en haar macht. De Karolingse beschaving was ten onder en het Christendom had vaste grond onder de voeten gekregen in Friesland en de andere delen van het voormalige Frankenrijk.

In de Middeleeuwen had Friesland veel te danken aan het werk van Kerken en de Kloosters. De monniken die deze gebouwen bewoonden, leerden de mensen veel en hadden daardoor een grote invloed. Vele kloosters werden gesticht in de contreien. Het Amelander Benedictijenen klooster Foswerd (oudste van Friesland), Staverense Odulphus Klooster, Het klooster Klaarkamp - uit 1165 - bij Rinsumageest, Klooster Bloemkamp te Bolsward. In 1163 werd het klooster Mariëngaarde te Hallum gesticht en het bijbehorende vrouwenklooster Bethlehem kwam bij Oudkerk tot stand. Stichter van het klooster te Hallum was de geestelijke Frederik. Twaalf jaren lang was de priester de abt van dat klooster en voor zijn edelmoedige daden richtte men in Hallum een standbeeld op. Er zijn 70 tot 80 kloosters gesticht in het gebied dat Friesland heette.

Maar na de Frankische overheersing heeft Friesland opnieuwe vreemde heren gekend. De Brunonen, een Gravengeslacht uit Brunswijk, kreeg in de 11e eeuw de macht in handen. Over de manier waarop dat gebeurde tast men nog immer in het duister. Graaf Liudolf en zijn zonen Bruno en Egbert I hebben in die contreien hun sporen wel nagelaten. De heren lieten in Leeuwarden, Dokkum, Bolsward en Stavoren munten met hun beeltenis slaan. Tot zelfs in Rusland waren deze munten te traceren. De laatste der Brunonen, Egbert II kwam in opstand tegen zijn leenheer, Keizer Hendrik IV van Duitsland. Deze ontnam hem dat leengoed en schonk het aan de Bisschop van Utrecht. In latere jaren kreeg hij het wel terug maar de Graven van Holland maakten er ook aanspraak op. In de strijd om het eigendom van Friesland, die daarna ontstond tussen Holland en het Bisdom Utrecht, greep de Duitse Keizer Frederik Karbarossa in en dicteerde dat beiden het Gewest in egendom zouden krijgen. Daarmee was het pleit beslecht. Opbrengst, zo vond hij, diende te worden verdeeld tussen beide partijen.

De Graven van Holland hadden weinig respect voor de vrijheidlievende Friezen. In de loop van decennia´s probeerden Hollandse legers West-Friesland, onderdeel van Friesland, te veroveren. De ene keer lukte dal wel en andere andere keer weer niet. Het was gelijk een golfbeweging. Na de dood van Graaf Floris V van Holland begonnen de West-Friezen zich weer te roeren. Men hoopte de vrijheid terug te kunnen winnen. Helaas, liep dat plan op de klippen en moesten de Friezen hoge boetes betalen voor hun drang naar vrijheid. De aanvoerders van deze rellen werden verbannen. Maar toch kwamen er strubbelingen. In 1322 dreigde de heersende Graaf dat hij zijn Schout in Staveren desnoods met geweld aan zijn rechten zou helpen. Tijdens het bewind van Willem III bleef de oorlog uit. Echter, zijn opvolger Graaf Willem IV was wat minder beschroomd.


De Rode Klif te Warns

Hij was een machtig heer, die vele toernooien afreed in Europa en de meeste ook wist te winnen. Vocht tegen de Moren in Spanje en de heidenen in Pruisen en trok daarna naar Palestina om op het Heilige Graf te gaan bidden. Bij terugkomst was hij kennelijk zo gelauwerd, dat hij in 1345 tot een oorlog besloot tegen de Friezen. De Graaf rustte een grote vloot uit uit die richting Stavoren voer. Een herfststorm vertraagde de vaart aanzienlijk. Bij het Rode Klif ging een deel van het machtige leger aan wal. Van de Friezen was totaal niets te bespeuren. Het vissersdorpje Laaxum was de verlaten en de Hollanders staken alle woningen daar in band. De tocht werd vrolijk vervolgd in de richting van Warns. Nadat het ´machtige leger´ daar ook de woningen had verbrand, kwamen de Friezen te voorschijn. Overal luidden de alarmklokken voor de strijd en de Hollandse ridders werden door fel vechtende Friese Eedelen en boeren aangevallen.

Met hellebaarden, pieken en zeisen, gingen zij de vijand te lijf. De ene Hollandse Edelman na de andere werd opgeruimd. Ook de drieste Graaf Willem IV behoorde tot de slachtoffers van dit geweld. Slechts een heel klein deel kon ontkomen naar de schepen. Duizenden Hollanders, Zeeuwen en Henegouwers, waaronder zeer veel vooraanstaande Edelen, lieten in deze meedogeloze strijd tegen de Friezen het leven. Het andere deel van het leger, onder leiding van de oom van de Graaf, Jean de Beaumont, had al eerder voet op vaste wal gezet bij Stavoren en bezette de Abdij. Bij het horen van deze verschrikkelijke tijding van wat er bij Warns was gebeurd, raakte men in paniek. De oom wilde nog wel standhouden om de Friezen toch te verslaan maar de Edelen en de meeste van zijn ridders gingen er vandoor.

Temeer het duidelijk was dat deze felle strijders al op weg waren naar het vissersplaatsje Voordat de Hollanders hun schepen konden bereiken, waren de Friezen er al en werd de rest van het eens zo ´machtige leger´ in puin gehakt. Het gevecht van een Fries op tien Hollanders mondde uit in een zware nederlaag.Na 1345 werd Friesland een halve eeuw met rust gelaten. Holland had zelf problemen genoeg. Margaretha, de vrouw van Keizer Lodewijk, kreeg - nota bene - met haar zoon (Willem V) knallende ruzie over het Graafschap Friesland. Daaruit ontstonden de Hoekse en Kabeljouwse twisten. Deze duurden tot het einde van de 15e eeuw. In 1358 werd Graaf Willem V van Holland krankzinnig en zijn broer Albrecht van Beieren volgde hem op. Die had niet zoveel tijd om de Friezen doelmatig te bestrijden. Op hoogbejaarde leeftijd, kwam Albrecht tot de ontdekking dat er ook nog Friezen waren in dat Graafschap.

Hij rustte een leger uit en trok ten strijde tegen dat volk. In het begin behaalde Albrecht wel overwinningen. Maar nadat de strijd zich verplaatste naar de kust, verloor hij keer op keer. De aanvoerder van de Friezen Juw Juwenga en duizend van zijn medestrijders verloren hierbij wel het leven. Maar zoon Willem ondernam toch in 1398 een tweede poging de Friesen te onderwerpen aan het gezag van de Hollandse Graven. Met platboomde vaartuigen en een heel wat kleiner leger ging hij van Enkhuizen naar Stavoren en wist deze stad te overmeesteren. Pa Albrecht kwam zelf ook over en een deel van het Friese volk wilde hem wel erkennen. Hoofdelingen namen zelfs lenen van Graaf Albrecht van Beieren aan. Maar zodra het Hollandse leger weer terugreisde, verdween ook het Grafelijk bewind, met uitzondering van Stavoren.

Albrecht van Beieren, ook wel Aalbrecht (München, 25 juli 1336 - 's-Gravenhage, 16 december 1404) was Graaf van Holland, Henegouwen en Zeeland en hertog van Beieren-Straubing uit het Huis Wittelsbach. Hij ging de Nederlandse geschiedenis in door het ingrijpende privilege dat hij verleende aan het bestuur van de stad Amsterdam, waardoor de burgemeesters van de stad bijna 4 eeuwen lang een grote mate van onafhankelijkheid verkregen. Ook heeft hij een grote rol gespeeld in de ontwikkeling van Den Haag. Albrecht kwam aan de macht nadat zijn broer Graaf Willem V in 1358 op een feestavond krankzinnig werd en één van zijn vazallen doodstak. Volgens bronnen uit de tijd was Graaf Willem V al langer geestesziek.

Omdat deze niet langer in staat was zijn gebieden te besturen werd Albrecht naar Holland geroepen. Albrecht nam als ruwaard de macht over en liet zijn broer opsluiten in het grafelijk kasteel van Le Quesnoy in Henegouwen (tegenwoordig in Frankrijk). Albrecht woonde voor een groot deel van zijn leven aan het hof in Den Haag, dat zich van een klein dorp ontwikkelde tot een echte hofstad(je). Omdat Leiden en Delft geen toestemming gaven, kreeg Den Haag geen stadsrechten, maar desondanks nam hij enkele maatregelen die ervoor zorgden dat Den Haag een stadskarakter kreeg. Zo gaf hij belastingvoordeel aan iedereen die zich in Den Haag vestigde: hierdoor steeg het aantal inwoners van het dorp. Ook benoemde hij een eigen bestuur en gezagshandhavers en kregen inwoners van Den Haag vrijstelling van tolheffingen.

Verder liet Albrecht de Hofvijver, dat toen nog een duinmeertje was, rechthoekig maken. Ook was hij verantwoordelijk voor het uitdiepen en het opknappen van het Spui, dat zich in zijn bewindsperiode ontwikkelde van een armoedige veengebiedje ten zuiden van Den Haag waar vissers en jagers woonden, tot één van de meest aanzienlijke grachten van Den Haag. Albrecht gaf ook toestemming tot de oprichting van een klooster. Het gebied dat hij hiervoor aanwees, zou zich ontwikkelen tot het Lange Voorhout, één van de meest voorname en belangrijke straten van Den Haag. Het klooster bestaat niet meer, maar de bijbehorende Kloosterkerk is nog steeds in gebruik. Op 22 september 1392 werd zijn minnares Aleid van Poelgeest tijdens een wandeling bij de Gevangenpoort vermoord. Het motief is nooit onomstotelijk vastgesteld, maar verondersteld wordt wel dat Aleid van Poelgeest is vermoord door politieke tegenstanders (Hoeken).

Albrecht van Beieren

Als wraak liet Albrecht kastelen van edelen die partij hadden gekozen voor de Hoeken veroveren en afbreken. Ook veroverde hij de stad Delft, die eveneens de Hoekse kant had gekozen. Hij liet de stadsmuur van Delft afbreken en gebruikte de stenen om de muren rond het Binnenhof in Den Haag te versterken. Ook liet hij duizend Delftse mannen blootvoets naar Den Haag lopen om daar vergiffenis voor de stad te vragen. Deze mannen werden gevolgd door 500 vrouwen die in hun mooiste jurk en met losse haren moesten smeken om het leven van de mannen.

Albrecht trouwde op 28 juli 1353 met Margaretha van Brieg (1336 - 18 of 22 februari 1386), dochter van Graaf Lodewijk I van Silezië-Liegnitz en Agnes van Glogau en kreeg met haar zeven kinderen:

  1. Johanna van Beieren (1356 - 31 december 1386) (huwde in (1370?) 1376 met koning Wenceslaus van Bohemen)
  2. Catharina (30 mei 1361 - Hattem, 19 november 1400), die in 1371 huwde met Eduard van Gelre (sneuvelde nog datzelfde jaar) en op 18 september 1379 huwde met Hertog Willem III van Gulik
  3. Margaretha van Beieren-Straubing (1363 - Dijon, 24 januari 1424) gehuwd in 1385 met Jan zonder Vrees, zoon van Filips de Stoute
  4. Willem (5 mei 1364 - 1417), gehuwd met Margaretha van Bourgondië, dochter van Filips de Stoute)
  5. Albrecht II van Beieren (1368 - 21 januari 1397)
  6. Johanna (München, 1373 - Wenen, 15 november 1410), gehuwd met aartshertog Albrecht IV van Oostenrijk
  7. Jan zonder Genade (1374 - Den Haag 5 januari 1425)

Albrecht trouwde op 30 maart 1394 voor een tweede maal, met Margareta van Kleef (overleden 1411), dochter van Adolf III van der Mark, dit huwelijk bleef kinderloos. Albrecht overleed in 1404. Zijn lichaam werd begraven in de Hofkapel op het Binnenhof, die enkele eeuwen later bij een brand verloren ging. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Willem VI.