De Friese Nassau's

De Friese Geschiedenis

De oorsprong van de voor Friesland zo heilloze twisten tussen de Schieringers en de Vetkopers, die in de 14e eeuw ontstonden en in de 15e eeuw zich aanmerkelijk uitbreidde, was gelegen in het kloosterwezen. Buiten de monniken die de Kloosters in stand hielden waren er ook dienende broeders. Eigenlijk gewoon burgers die een ondersteunende eenheid vormden voor de Katholieken. Het zal geen mens verwonderen dat deze situatie, de tucht in de Kloosterorden danig ondergroef. Wat de Paus bepaalde, maakte in die tijd in Friesland niet zoveel indruk. De man was ver en ver weg. Daardoor kon het aantal ondersteunden de monniken ver overtreffen. Daardoor onstonden er twisten tussen de Broeders der Cisterciënzers en de Norbertijnen, die het in stand houden van de Kloosters bepaald niet bevorderden. Daar kwam de strijd tussen Schier en Vet uit voort. De naam Schieringers is afgeleid van de schiere Monniken, de Cisterciënzers . Die van de Vetkopers was afkomstig van de Norbertijnen, die vetweiders waren. Deze strijd had duidelijk Friese kenmerken. Bij de ene ging het om de vrijheid en bij de ander om erkenning van het gezag van de Hollandse Graven. De strijd leidde tot haat, rouw en grote rampen. Stinzen en Kloosters werden belegerd, vernield en verbrand.

De Stins van Dantumadeel

Boerderijen werden overvallen, mensen gedood en dieren afgevoerd. Dit allemaal ter meerdere glorie van het ware woord, de waarheid! Zelfs Kloosteroversten en Abten trokken het harnas aan en vochten aan het hoofd van kleine legers van Monniken. Sluipmoord was aan de orde van de dag en vele Edelen, boeren en burgers vonden de dood.

De Bourgondiërs hadden ernaar gestreefd hun macht in Henegouwen en Brabant te vestigen. Filips de Goede kreeg het ook voor elkaar in Limburg en later ook in de Gewesten Holland, Zeeland en Luxemburg. De Bourgondische Hertogen hielden vast aan de oude rechten van Holland. Daardoor was het noodzakelijk dat de eenwording een feit zou worden.

Karel de Stoute wilde perse in 1469 Friesland aanvallen. Kennelijk had de geschiedenis hem niets geleerd. Op verzoek van Koning Eduard IV van Engeland kreeg de vloot die hiervoor was uitgerust een andere bestemming. De Koning had de vloot dringend nodig voor andere belangrijkere zaken. Zo geschiedde het.

In 1435 slaagde het stadsbestuur van Leeuwarden erin om Oldenhove en Hoek onder stedelijke jurisdictie te krijgen. Dat gebied was voorheen een onderdeel van de Grietenij Leeuwarderadeel. De ontstane situatie was moeilijk te accepteren voor de machthebbers van de Grietenij. Als klap in het gezicht van deze mensen,, maakte het stadsbestuur ook nog eens gebruik van haar bevoegheden de regionale handel en nijverheid te monopoliseren en een hegonomie na te streven over de verre omtrek van de stad. Er werden in 1482 en de jaren daarna telkens voor een periode van vier jaren overeenkomsten gesloten met het Vetkooperse Bolsward en de Schieringse steden Sneek, Sloten en Franeker. De opzet van die overeenkomsten was om elkaars handelsbelangen in Oostergo en Westergo te garanderen en veilig te stellen.

Al rap ontstonden tegenstellingen die onaanvaardbaar bleken te zijn, waarbij de neiging tot hegonomie de belangrijkste oorzaak was, dat de overeenkomsten in 1486 niet meer werden verlengd. Naar aanleiding van een hoogoplopende ruzie over het verbod door de Leeuwarder rechter (Magistraat) tot het nuttigen van Haarlem's bier, besloten de Schieringers deze Vetkoopse stad een lesje te leren. Met grof geweld veroverde een Schierings leger de stad en vermoordde op gruwelijke wijze de bekende en eerbiedwaardige olderman Pieter Sijbrands Auckama. Een aantal jaren leed Leeuwarden behoorlijk onder het Schieringse bewind.

Toen Leeuwarden in 1487 in handen van de Schieringers raakte, riepen de Vetkopers de hulp in van Groningen. De Schieringer Juw Dekama, die later raadsheer in het Hof en Grietman van Baarderadeel zou worden, deed een dringend beroep op Hertog Albrecht van Saksen, Stadhouder-Generaal van Holland. Deze trok met een leger de Gewesten binnen en veroverde het geheel. Als tegenprestatie benoemde Maximiliaan, de Rooms-Duitse Keizer die het hier voor het zeggen had, Albrecht tot Potestaat. Het bieroproer luidde in zekere zin voor de Leeuwarders het einde van de Middeleeuwen in. De oude Friese vetecultuur ging uiteindelijk ten onder om plaats te maken voor een wat meer geregeld bestuur. Dat was het einde van de veelgeroemde Friese vrijheid.

Potestaat was volgens een onecht privilege van Karel de Grote (het zgn. Karelsprivilege) de titel van een legeraanvoerder voor Friesland. Volgens het privilege werd de potestaat gekozen door de "consuls" en had hij het recht mensen tot ridders te slaan. De potestaat is echter volstrekt vreemd aan de Friese verhoudingen. De titel duikt voor het eerst in het jaar 1470 op en wel aantoonbaar in samenhang met het vervalste privilege.

Juw Dekama is de enige persoon waarvan zeker is dat hij tot potestaat van Friesland tussen Vlie en Lauwers gekozen is. Hij werd op 3 januari 1494 in Sneek tot potestaat gekozen, maar alleen door de Schieringers erkend. In 1498 vroeg hij Albrecht III van Saksen het land te leiden, nadat hij geen controle meer kon uitoefenen over het door de twisten tussen Schieringers en Vetkopers verscheurde land.

Albrecht kreeg hierbij de titel van "erfpotestaat". Na Albrechts overlijden ging de titel van potestaat over op diens zonen Hendrik en George, tot deze laatste in 1515 zijn rechten op Friesland aan Keizer Karel V afstond. De titel potestaat is waarschijnlijk afgeleid van het Italiaanse Podestà (Nederlands: Potestaat, Duits: Potestat, Engels: Potestate, alle afgeleid van het Latijnse potestas, dat macht betekent). In de oude Friese geschiedschrijving is een hele reeks potestaten gecreëerd.

De eerste daarvan is de legendarische Friese vaandeldrager Magnus Forteman, de laatste bovengenoemde Juw Dekama. Hiertussenin bevindt zich een aantal personen, waarvan sommigen vermoedelijk legendarisch zijn, maar anderen echt bestaande personen met macht of invloed in Friesland - zonder dat duidelijk is of deze ook een formele titel hadden en of deze eventuele titel overeenkomt met de podestaattitel eind 15e eeuw.

Hertog Albrecht von Sachsen

De Heerlijkheid Friesland (Hearlikheid Fryslan) ontstond in 1542 toen Karel V dit gebied verwierf. In 1580 werd het grootste deel van deze provincie opgenomen in de toen gestichtte Unie van Utrecht. Het gewest werd aangeduid als een 'Algemene Heerlijkheid'. De Staten van Friesland waren toen samengesteld uit de afgevaardigden van 30 Grietenijen en van de elf Friese steden Stavoren (1118), Harlingen (1234), Ijlst (1268), Leeuwarden (1285), Dokkum (1298), Bolsward (1331), Hindeloopen (1372), Franeker (1374), Workum (1399), Sloten (1426) en Sneek (1456).

Op 29 juni 1585 richtte Willem Lodewijk van Nassau in Franeker een Universiteit op. Deze was bedoeld voor de opleiding van Calvinistische Predikanten. Bij de vorming van de Bataafse Republiek in 1795 werd Friesland verdeeld. Het Noorden vormde tesamen met Stad en Lande het departement (we waren immers in Franse handen) van de Eems en het Zuiden werd samen gevoegd met Drenthe en kreeg de naam 'Heerlijkheid Overijssel' toegemeten. Honderd jaren later onstond de voorloper van de huidige Friese vlag. De Friese vlag was in zwang sinds 1895 maar werd pas officieel vanaf 9 juli 1957. De pompeblêden waren de uitgesproken tekens die deze vlag, naast het rood , wit en blauw, domineren.

De Friese Gouwen rond 1300

Los van de opsomming van zeven Zeelanden zijn er uit de Middeleeuwen meerdere Friese gouwen bekend. Van een groot aantal van die gouwen zijn oude rechtsteksten, met name bewerkingen van de 17 Keuren en 24 Landrechten bewaard gebleven waaruit een zekere samenhang tussen de verschillende gouwen lijkt te blijken. De verschillende gouwen staan soms onder meerdere namen bekend, terwijl andere weer onderverdeeld zijn in kleinere eenheden. Het grensgebied tussen de huidige provincies Friesland en Groningen wordt op de kaart onderverdeeld in meerdere kleinere gebieden. Humsterland, Langewold en Vredewold, in Groningen, worden vaak samen aangeduid als het Westerkwartier, hoewel Humsterland wellicht ooit een zelfstandige gouw vormde, waar wellicht ook Achtkarspelen bij hoorde. Van Smallingerland is bekend dat het in de middeleeuwen als eenheid optrad, voor Kollumerland geldt hetzelfde, hoewel het later ook tot Oostergo wordt gerekend. Het Saterland, een van de twee gebieden in Duitsland waar nog Fries wordt gesproken stond niet als Gouw bekend. Het werd door Friezen gekoloniseerd. Voor Noord-Friesland geldt hetzelfde, er lagen geen bekende gouwen, de Friezen die er wonen zijn er waarschijnlijk vanuit de Friese gebieden in het westen naar heen getrokken

In het huidige Nederland lagen de Gouwen:

  1. Westergo--11
  2. Zuidergo (niet op de kaart)
  3. Oostergo
  4. Bornego, grotendeels samenvallend met Zevenwouden
  5. Westerkwartier, onderverdeeld in Vredewold, Langewold, Middag en Humsterland
  6. Hunsingo
  7. Fivelingo
  8. Oldambt
  9. Reiderland (gedeeltelijk in Duitsland)

West-Friesland, Westergo, Oostergo, Hunzingo,
Fivelingo, Emsingo en Jeverland

In het huidige Duitsland lagen de Gouwen:

  1. Eemsgo (op de kaart Emsigerland)
  2. Federgo (ook wel Krummhörn genoemd)
  3. Norderland
  4. Brookmerland
  5. Harlingerland (overeenkomend met het district Wittmund)
  6. Wangerland (ook Jeverland genoemd)
  7. Östringen
  8. Rüstringen
  9. Moormerland
  10. Overledingerland
  11. Land Wursten

Waar komt de tekening van de Friese vlag vandaan. Het volgende verhaal doet de ronde en of het waar is? Misschien wel misschien ook niet. De zeven rode pompeblêden (bladeren van de gele plomp) verwijzen naar de Middeleeuwse Friese 'zeelanden'. Dat waren zelfstandige landstreken langs de kust van Alkmaar tot de Wezer, die samengingen in een verenigingsverband tegen de Noormannen. Er zijn nooit precies zeven van deze bestuurseenheden geweest, het getal zeven heeft waarschijnlijk de connotatie 'veel'. Sommige bronnen gingen wel uit van zeven Friese Zee landen: West-Friesland, Westergo, Oostergo, Hunzingo, Fivelingo, Emsingo en Jeverland. De Zeven Friese Zeelanden is de historische benaming voor de gebieden die door de Friezen werden bewoond. Het aantal van zeven kan daarbij zowel de betekenis van veel hebben als een precieze aanduiding van het aantal landen bedoelen. In de loop van de tijd hebben er meerdere opsommingen bestaan die tot zeven landen kwamen. De oudste verwijzing naar zeven is waarschijnlijk een mythologische verklaring van de oorsprong van de Friezen. Volgens deze mythe zou de oerstamvader van de Friezen zeven zonen hebben gehad die allen naar een eigen gebied zouden zijn uitgevaren.

Deze gebieden lagen overigens niet in het latere Friesland maar in de kuststreek tussen het huidige Hamburg en de Deense grens. Het getal zeven komt in iedere lijst van Friese gebieden terug. Dat getal dwingt klaarblijkelijk om de opsomming aan te passen aan het getal. In de Middeleeuwen is sprake van veel meer dan zeven Friese gebieden, maar als ze als Zeelanden benoemd zijn, worden ze teruggebracht tot zeven. Daarbij worden overigens gebieden opgesomd die naar huidig inzicht nimmer Fries geweest zijn.

In 1417 werden de volgende zeven gebieden genoemd als Zeven Zeelanden:

West-Friesland
Westergo
Oostergo
Stellingwerven en Drenthe
De Ommelanden en de Stad Groningen
Oost-Friesland
Butjadingen

Een andere indeling was:

West-Friesland - tussen IJ en Vlie
Westlauwers Friesland - tussen Vlie en Lauwers
Oostlauwers Friesland - tussen Lauwers en Eems
Oost-Friesland - tussen Eems en Jade
Butjadingen - tussen Jade en Wezer
Wursten en Hadeln - tussen Wezer en Elbe
Dithmarschen - tussen Elbe en Eider

De vlag met "pompeblêden" zou zijn overgeleverd uit de elfde eeuw. Dit zou men kunnen opmaken uit verzen uit het Gudrunlied. Omstreeks 1200 vertonen Scandinavische wapenschilden velden bestrooid met leliebladen of harten, vaak in combinatie met afbeeldingen van leeuwen. Een eerste verwijzing naar een Fries wapen werd gevormd door een vaandel dat afgebeeld staat in de 'Brabantse Kroniek', een manuscript uit 2e helft van de 14e eeuw. Het vaandel of banier is blauw met twee gaande, aanziende gele leeuwen en het veld bezaait met witte penningen. (Eigenlijk is dit dus een eerste Friese vlag!)

In verband met de naderende kroningsfeesten van Koningin Wilhelmina in 1898, wilde men deze vlag ook voor officiële gebeurtenissen laten vastleggen. Hiertoe werd in 1897 door Gedeputeerde Staten aan de bekende heraldische tekenaar Heerke Wenning gevraagd een tekening en beschrijving te maken. In een besluit van 14 oktober 1897 werd zijn rapport aangenomen en vastgelegd.

In dat rapport was de, dan officiële, beschrijving van de vlag: 'In blauw drie witte rechtsschuine banen, met daarop zeven rode pompebladen, gerangschikt twee, drie en twee.' Wenning tekent hierbij nog aan; 'het mogen geen harten zijn.' Niet lang daarna ziet men de vlag hier en daar opduiken, zoals omstreeks 1910 op de ijsbaan bij Deinum.


De huidige vlag van de
provincie Friesland

Eerst in 1957 wordt de vlag door Provinciale Staten officieel vastgesteld en (samen met het wapen) ter bevestiging aan de koningin aangeboden. In het provinciaal blad van Friesland van 1958, nr. 12 wordt dit statenbesluit vermeld, alsmede de beschrijving van de vlag. Deze luidt: Een vlag van zeven schuine banen van gelijke breedte, afwisselend kobalt blauw en wit: de middellijn van de middelste baan beginnende boven aan de broekzijde en gaande van hoek tot hoek; de witte banen beladen met zeven scharlakenrode plompebladeren loodrecht op de as van de baan staande en geplaatst 2 : 3 : 2.

Gedurende lange tijd, we spreken over een paar honderd jaar, leefden de Friezen er lustig op los. In de 15e eeuw werd Ulrik Cerksema, Graaf van Oost-Friesland de man. In 1498 verspeelden de Friezen door onderlinge verdeeldheid en aanhoudende partijstrijd hun geliefde vrijheid. De Duits-Oostenrijkse Keizer Maximiliaan was dat zat en benoemde in 1498, Hertog Albrecht van Saksen tot 'gubernator en potestaat' van heel Friesland (Heer van heel Friesland). Het nieuwe Saksische bewind stelde gelijk een stadhouder aan. Willebrord von Schaumburg (1498 - 1500) werd de eerste van die Saksische stadhouders, De volgende was Graaf Hugo van Leijsenick en deze vervulde dat ambt van 1500 - 1504.

Hij werd opgevolgd door Willem Truchus von Waldburg (1504 - 1506) en deze verhuisde van het Sjaerdemaslot in Franeker naar het blokhuis in Harlingen. De Regering verhuisde daar ook heen. Dat namen veel Friezen niet en het resultaat was dat de arme Hertog slechts Westerlauwers Friesland onder controle kreeg. De rest kon hij wel vergeten. Maar de opsplitsing van het oude Friesland werd een feit waar zelfs de stoere Friezen niet omheen konden. De verdeling van de provincie werd op 11 juni 1580 een feit, dat nuchter werd bekeken door de Friezen. Een van de bekendste stadhouders uit die tijd was Caspar de Robles (de zwarte kolonel) die naam maakte door zijn krachtdadig optreden na de Allerheiligste Vloed van 1570, toen hij met harde hand de Friezen dwong tot versterking van hun dijken.

Als dank daarvoor richtte Friesland een monument voor hem op. De Stiennen Man op de dijk bij Harlingen (Harns). Doordat het gewest zich aansloot bij de Pacificatie van Gent werd de Robles gevangen genomen en afgevoerd. De Staten-Generaal van Holland benoemden in zijn plaats George de Lalaing, Graaf van Rennenberg. Die koos in 1580 de Spaanse zijde en dat verraad kwam hen duur te staan. In de geschiedenis staat dit bekend als 'Het verraad van Rennenberg'. Door weinigen in Friesland werd het gedwongen terugtreden van de toenmalige Spaanse stadhouder Caspar de Robles betreurd. Zijn opvolger, George de Lalaing, Graaf van Renneburg - zo hoopte men - zou beter zijn dan zijn voorganger.

De Graaf was de eerste Stadhouder die door de Staten-Generaal van Holland werd benoemd. Rennenburg was de vriend van Willem I van Oranje en had zich duidelijk afgezet tegen de Spaansgezinden. De omstandigheden waren gunstig voor de Friezen. De Graaf betaalde de muitende en ontevreden soldaten. Zij hielden zich daardoor rustig en trokken al spoedig richting het Westen. De Godsdienststrijd leek ook tot het verleden te behoren. Een ieder werd in staat gesteld zijn of haar geloof te belijden.

Verraad van Renneberg, belegering van Steenwijk

Het verdedigen van deze verworven rechten en vrijheden was echter niet zo eenvoudig. In Friesland was er groot verzet tegen de Unie van Utrecht van 1579. Op een landdag te Harlingen vlogen de Hoge edelen elkaar hierover in de haren. Een groot aantal was voor aansluiting bij de Unie en gaf dat aan de Graaf-Stadhouder Rennenburg te kennen. Maar de tegenstanders lieten ook van zich horen. Vooral de Roomsen en de Geestelijkheid was tegen. Die leverden een smeekbede in bij de Stadhouder tegen de aansluiting in.

Rennenburg aarzelde aanvankelijk maar toen de voorstanders fors in aantal toenamen, schaarde hij zich bij hen. Steden als Leeuwarden, Franeker en Sneek en ook een aantal Grietenijen droegen hun afgevaardigden op voor te stemmen. Helaas bood Bolsward tot het laatst toe verzet. Dat veranderde pas toen er een andere Burgemeester werd aangesteld. Twee avontuurlijke, hoge adellijke heren hebben in de 16e eeuw een rol gespeeld in de geschiedenis van het rustige dorp Oudenhoorn.

De ambachts heerlijk -heid Oudenhoorn was in de 14e eeuw in het bezit gekomen van George van Lalaing, Graaf van Rennenburg, een graafschap gelegen in Limburg. Deze Graaf, die aanvankelijk in Staatse (Nederlandse) dienst was, koos op 3 maart 1580 de zijde van de Spanjaarden. Na dit verraad hebben de Prins van Oranje en de Staten van Holland, Rennenbergs goederen in de Noordelijke Nederlanden, waaronder de Ambachtsheerlijkheid Oudenhoorn in 1580 verbeurd verklaard.

In 1866 werd bij terpafgravingen een grote goudschat gevonden met byzantijnse en frankische munten uit de zevende eeuw. Ze werden niet gebruikt in een geldeconomie, maar als sieraden gedragen. De schat bestaat uit een fibula, ringen en oorhangers. In de bracteaten zijn Romeinse munten verwerkt. De munten zijn onder andere van Justinianus uit de 6e eeuw en zijn thans tevinden in het Rijksmuseum van Oudheden, Leiden.

Wat Wieuwerd echt bekend heeft gemaakt is de befaamde grafkelder (1609) onder de, in hoofdzaak 19e eeuwse Hervormde kerk. In de grafkelder ontdekten timmerlieden in 1765 bij toeval een aantal lijken die op natuurlijke wijze zijn gemummificeerd. Vier van deze eeuwenoude mummies zijn in de grafkelder te bezichtigen en vormen sinds jaren een toeristische attractie. Hoe het kan dat deze lijken nooit zijn vergaan is nog niet volledig duidelijk. Men denkt aan de luchtstroom en vochtigheidsgraad in de graftombe als oorzaak, maar elk onderzoek dat definitief uitsluitsel kan geven over de oorzaak wordt niet toegestaan door de kerk. Dit omdat men de mystieke sfeer die nu om de natuurlijke mummificatie hangt wil behouden.

Daarnaast is de kerk bang dat ze gestolen worden; oorspronkelijk waren er elf mummies, maar door de jaren heen zijn er zeven gestolen; onder andere door geneeskundestudenten uit Franeker en door Franse soldaten in de Franse tijd (1795-1813). Ook over de identiteit van de mummies bestaat geen zekerheid. Het zijn waarschijnlijk de resten van leden van de Walta-familie (volgens Jan Ledder) en/of resten van enkele Labadisten. Om te demonstreren dat de merkwaardige bodemgesteldheid en luchtstroom nog steeds hun werk doen, werd in de loop der jaren een aantal dode vogels in de ruimte opgehangen. Ook al deze vogels zijn niet vergaan maar gemummificeerd.

Goudschat van Wiewerd

Dorp Wiewerd

Goudschat van Wiewerd

Het Spaanse gezag wees toen Frans Verdugo (1580 - 1594) aan als opvolger, terwijl Willem I van Oranje (1580 - 1584) al Stadhouder was. Tot 1594 bleef die naam rondspoken in Friesland. Willem Lodewijk heeft aan Verdugo's onverhoedse strategie en guerrilla zijn handen vol gehad. Inmiddels was Friesland (1579) al een deel geworden van de Unie van Utrecht. Op die manier was men verzekerd van een federaal verband met andere gewesten als Holland en Zeeland en toch werd de zelfstandigheid gewaarborgd. Die gewesten bleven voor bestaan als het Graafschap Holland, het Hertogdom Gelderland en de Heerlijkheid Friesland. Maar zij vormden wel een Republiek en wel de Bataafse Republiek. Gemeenschappelijk zworen de gewesten de Spaanse Koning Filips II in 1581 af. Bij 'Akte van Verlatinghe' werd de Vorst opzij gezet door de Staten-Generaal en ontheven van zijn verantwoordelijkheden en heerschappij over de Nederlanden. Op 1 januari 1596 werd Friesland een Bataafs Gewest.

Overigens werd het Sjaerdemaslot in 1629 verhuurd aan de Franse wijsgeer-mathematicus Jean Descartes (1596-1650), geboren in LaHay en 33 jaren oud toen hij daar kwam wonen. Door velen werd de wijsgeer als een ketter beschouwd en zijn leven was een lange reeks van verhuizingen. Hij leefde en woonde alleen al in Friesland op dertien verschillende plaatsen. Toch werd hij de grondlegger van het moderne rationalisme. Naast de tijdelijke aanwezigheid van de Fransman kwam ook in Franeker wonen Anna Maria van Schuurman. Zij was de eerste vrouw die college volgde aan een Nederlandse universiteit. Deze eminent geleerde vrouw was zeer bekwaam op vele gebieden. Anna Maria werd geboren in 1607 te Keulen op het familiekasteel Dreiborn. Zij bleek een bijzonder kind te zijn. Al op 3-jarige leeftijd kon zij de Bijbel lezen. In rekenen en schrijven blonk zij ook uit. Anna mocht ook graag tekenen, naaien, borduren en knip-prenten maken. Ze speelde op meerdere muziekinstrumenten en had een opvallend goede stem. In 1615 keerde de familie terug naar ons land.

Op de leeftijd van 16 jaren, vertrok Anna met haar familie naar Franeker. Het beviel haar daar toch niet zo goed en met gezwinde spoed ging het weer richting Utrecht in 1632. Uiteindelijk kwam zij, na vele omzwervingen in Duitsland en Denemarken, weer terug in Friesland. Anna ging wonen op het Waltaslot te Wiewerd en daar overleed zij op 14 mei 1678, zeventig jaren oud. Zij werd begraven op het kerkhof aldaar. In 1798 ging Friesland samen met Groningen en kreeg het Gewest de naam Eems. We herhalen nu vrolijk de geschiedenis, want de scheiding tussen Groningen en Friesland werd op 19 september 1801 wederom gerealiseerd. Tot 9 juli 1810 was Friesland Frans gebied onder de naam Frise. Maar in 1814 eindigde de Franse overheersing en ontstond het huidige Friesland.

Het Wapen van Friesland verscheen het voor het eerst in 1409 in de 'Hollandse Kroniek' van de bekende heraut Claes Heynensz. Hierin staat het wapen met de gaande en aanziende leeuwen op een blauw veld met zilveren penningen bezaaid. Het wapen met de gaande leeuwen sluit wel aan bij de leeuwenwapens zoals die van Bordeaux langs de Noordzeekust richting Noord-Duitsland, Engeland en Denemarken voorkomen en waarin één, twee of drie gaande leeuwen staan. Deze leeuwen zijn goud op rood en blauw op goud. De blauwe leeuwen in het noorden worden soms vergezeld van rode harten.

Pas ca 1475 dook er in een Frans wapenboek een wapen van de 'Koning van Friesland?' op. Dit was het eerste wapen met schuinbalken en harten, dat aan een Friese koning wordt toegedicht. Deze afbeelding was de oudste weergave van het wapen dat later het wapen van de Ommelanden zou worden. Dit wapen had een blauw veld, dat beladen is met drie zilveren schuinbalken. De balken werden (in het blauw!) vergezeld van negen rode (rechtopstaande) harten, geplaatst 1, 3, 3 en 2.

Het eerder wapen met de twee aanziende leeuwen zou later dat van West-Friesland worden, terwijl het huidige 'Westerlauwers' Friesland ca. 1494 een variant kreeg op het wapen met de aanziende leeuwen. De penningen zijn vervangen door gouden (staande) blokjes. Net als de penningen, van een onbepaald aantal, 'bezaaid' dus.


Het Wapen van Friesland

Uit 1499 kenden we de eerste officiële beschrijving van het wapen, dat onder Hertog Albrecht van Saksen als wapen van Friesland zou fungeren: 'ein plaber schild, darynn ob einander zwin gelb leo met iren aufgeworffen swentzen zum ganz geschickt; underhalb und oberhalb der berurten leo in demselben schilde ausgesprayet gelbe spene'. Het schild was dan nog steeds "bezaaid" met blokjes, een niet nader bepaald aantal dus, verspreid over het schild. Onder Filips II werd het wapen nogmaals veranderd. Het aantal blokjes bracht men terug tot zeven en liggend geplaatst 2, 2 en 3 (de plaatsing van de blokjes in het schild wisselde echter in de diverse afbeeldingen nog wel eens). In deze uitvoering is het heden ten dage nog in gebruik. Pas op 9 juli 1957 werd in de vergadering van de Friese Provinciale Staten besloten, een verzoek aan Hare Majesteit de Koningin te richten om het als Officieel Wapen in het gebruik voor de Provincie Fryslân te bevestigen. Bij Koninklijk besluit dd. 11 februari 1958, no. 18, is de provincie bevestigd in het gebruik van dit wapen. De huidige vlag kreeg pas in de laatste kwart van de 19e eeuw een vaste vorm en ontstond door particulier initiatief. Het ontwerp was gebaseerd op een, in die tijd populaire, afbeelding uit de Kroniek van Winsemius (1586 - 1644) van het z. g. “oude” Friese wapen met de schuinbalken, al dan niet met harten of plompebladen.

De nieuwe interfriese Vlag

De Nederlandse provincie Friesland is slechts een deel van Friesland in brede zin. Friesland in brede zin is nooit bestuurlijk een geweest en heeft dus nimmer een vlag gehad. Op 23 september 2006 werd, bij een herdenking van de Slag bij Warns, voor het eerst een Interfriese vlag ontworpen door de Groep fan Auwerk, in samenwerking met de Fryske Rie foar Heraldyk. De vlag, die geen enkele officiële status heeft, toont een Scandinavisch Kruis, gemodelleerd naar de verhoudingen van de vlaggen van IJsland en Noorwegen.

Deze landen beschermen net als Friesland de democratische tradities. Het Scandinavisch Kruis symboliseert de verwantschap tussen de langs de Noord- en Oostzee levende volken en staat voor zowel de christelijke als voor-christelijke religies. De vier pompeblêden symboliseren de uit elkaar gelegen delen van Friesland in brede zin. De bladeren wijzen naar elkaar toe als teken van samenwerking.