OranjelogoDe Huizen van Oranje en NassauNassau
Dillenburg (D)
Vlag BelgieVlag NederlandGouden KroonVlag LuxemburgVlag Duitsland

Bastaarden Oranje en Nassau

Bastaarden Prins Maurits

deel II

Alexander Sweder Spaen-LaLecq (* 1703 - + 1768), Baron van Spaen, geboren op het Kasteel de Heerlijkheid Ringelenberg als zoon van Willem
Hendrik van Nassau-LaLecq en Elisabeth Agnes Jacoba. Alexander Sweder Spaen-LaLecq
(* 1703 - + 1768), Baron van Spaen, geboren
op het Kasteel de Heerlijkheid Ringelenberg. Ritmeester onder regiment van Generaal-Majoor Hop/ Hij trouwde, 22-01-1747 of 29-01-1747 of
05-02-1747, met Jonkvrouwe Adriana de la Court, geboren en wonende te Leiden.

Graaf Paulus van Nassau-Beverweerd, geboren op 2 april 1758 te Utrecht als zoon van Graaf Hendrik Carel (* 1696 - + 1781) en Johanna Gevaerts (* 1733 - +1779). Paulus overleed op 11 mei 1758 te Utrecht. Hij was vernoemd naar zijn grootvader Paulus Gevaerts,
Vrijheer van Gansoyen, Burgemeester van Dordrecht. Gravin Jeanne Suzanna Marie Nassau-Beverweerd, Vrouwe van Beverweerd (1781)
en Odijk. Zij werd gedoopt op 28 oktober 1764 in Utrecht als dochter van Graaf Hendrik Carel (* 1696 - + 1781) en Johanna Gevaerts
(* 1733 - + 1779)
. Zij trad in het huwelijk op 2 juli 1782 te huize Beverweerd met Baron Evert Frederik van Heeckeren (* 1755 - + 1831)
Heer van Enghuizen en Beurse
.


Huidig Kasteel Beverweerd

Gravin Jeanne Suzanna Marie van Nassau-Beverweerd stierf op 26 juni 1810 te Hummelo. Haar ouders gingen scheiden toen zij nog geen 1 jaar oud was. Haar vader benoemde twee voogden, mr. Jacob van der Heim (* 1727 - + 1799), burgemeester van Rotterdam en Balthasar Constantijn van Lynden (* 1731 - + 1822) in 1770 benoemde haar vader Jan Krol, kameraar van de Lekdijk Bovendams, eveneens tot voogd. Gravin Henriette Caroline van Nassau-LaLecq. Zij werd op 15 februari 1731 te Maastricht geboren als dochter van Lodewijk Theodoor I van Nassau-LaLecq (* 1701 - + 1748) en Gravin Christoffelina Maria Casimira Reinenara von Schlippenbach (* 1705 - + 1732).

Christoffelina was een dochter van Casimir Abraham Graaf von Schlippenbach (Almahlen, Koerland ,12-4-1680 - Sint-Michielsgestel, 28-6-1755) en zijn (1e) vrouw Catharina Cecilia Huneken (19-05-1669 Den Haag - 5-11-1737 Maastricht). Henriette trouwde op 13 augustus 1747 te Berg-Krothen (Koerland sedert 1918 Letland) met Ulrich Gotthard von Nolde, Heer van Krothen. Ulrich Gotthard Baron von Nolde, (zoon van Johan Ernst Baron von Nolde en Charlotte Elisabeth von Behr) overleden 1776. Henriette overleed in 1764, te Libau (Koerland).

Henriette en haar zus Mauritia werden opgevoed door de familie van haar moeders kant (von Schlippenbach) in Koerland (Letland 1918), omdat de
moeder kort na de geboorte van Mauritia overleed. Het paar kreeg tussen 1749 en 1753 drie zoons en een dochter. Henriette's echtgenoot, Majoor der Cavalerie, koos in 1787 de Patriotse zijde maar werd later overtuigd Orangist. Het paar woonde in Zutphen en op kasteel Enghuizen bij Hummelo. Haar zoon Hendrik Jacob Carel Johan (1785-1862) werd bij onstentenis van Nassau erfgenamen Heer van Beverweerd en Odijk, hetgeen het einde betekent
van de band met (Oranje-) Nassau, eigenaar bij testament. Het huis Beverweerd werd in 1835 in Neogotische Stijl verbouwd en werd in 1958 in gebruik
genomen als internationale school. In 1835 werd het kasteel in Enghuizen door hen afgebroken en vervangen door een nieuw huis.

Gravin Mauritia Ludovica (Maurice Louise) van Nassau-LaLecq. Geboren op 19 april 1732 te Maastricht als dochter van Lodewijk
Theodoor I van Nassau-LaLecq (* 1701 - + 1748) en Gravin Christoffelina Maria Casimira Reinenara von Schlippenbach
(* 1705 - + 1732)
. Mauritia trad in het huwelijk rond 1750 te Koerland met Werner Ernst von Mirbach, Heer van Wartagen en Nodaggen
(tot 1752). Mauritia Luduvica stierf na 20 april 1771, waarschijnlijk in Letland. Mauritia Ludovica's moeder overleed kort na haar geboorte. Haar man
Werner Ernst von Mirbach bezat goederen in Nodaggen (Nodaga) en Wartagen (Vartaja) in de gemeente Krothen (district Libau, nu Liepaja, Letland)
en was min of meer de buurman van Henriette, de zuster van Mauritia, echtgenoot Von Nolde. Werner Ernst von Mirbach werd 'Rittmeister der
Piltenschen Ritter- und Landschaft'in het district Pilten in Oost-Koerland (Letland). Sedert 1620 was de familie Von Mirbach lid van de
Koerland-Piltense Ridderschap. Mauritia Ludovica en Werner Ernst von Mirbach kregen 2 zonen.

Gravin Catherina Elisabeth Wilhelmina van Nassau-LaLecq. Zij werd op 29 februari te Menen gedoopt als dochter van Lodewijk Theodoor I
van Nassau-LaLecq (* 1701 - + 1748) en zijn tweede echtgenote Josina Geertruida Crommelin (* 1715 - + 1756)
. Catherina Elisabeth Wilhelmina trouwde op 24 mei 1762 te Bodengrave met Coenraad Schuur (* 1734 - + 1781). In mei 1777 overleeds Catherina Elisabeth Wilhelmina
te 's Gravenhage. Na de dood van haar vader in 1748 kreeg Catherina's oom Hendrik Karel de voogdij. Catherina woonde waarschijnlijk in Schiedam
waar zij omging met Coenraad Schuur (* 1734 - + 1781), die zij voorstelde als de man die zij wil huwen. Het paar ging na hun trouwen in 1762 in Ijsselstein
wonen. Catherina kreeg uit haar huwelijk met Coenraad Schuur 1 dochter, de in 1770 te Ijsselstein geboren Wilhelmina Theodora Coenradina.

In 1777 overleed Catherina Elisabeth Wilhelmina Schuur (-Nassau-LaLecq) en werd bijgezet in het familiegraf te Ouderkerk. Vier jaar later stierf haar
man in 1781 en werd begraven in de Oude Kerk te 's Gravenhage. Hun 11 jarige dochter Wilhelmina Theodora Coenradina bleef als wees achter.
De heren Weesmeesters van de Weeskamer te 's Gravenhage ontfermden zich over haar. Bij haar meerderjarigheid stelden zij een rapport op met de
door Wilhelmina via haar moeder geërfde goederen.

Graaf Lodewijk Theodoor II van Nassau-LaLecq, Heer van de Lek, Heer van Ouwerkerk (1762-1773). Geboren op 20 november 1741 te
Terheijden als zoon van Lodewijk Theodoor I van Nassau-LaLecq (* 1701 - + 1748) en zijn tweede echtgenote Josina Geertruida
Crommelin (* 1715 - + 1756)
. Lodewijk Theodoor II trad in het huwelijk (per procuratie) voor de eerste keer op 13 juli 1767 te Utrecht met Jeanne
Françoise Elisabeth de Crousaz (* 1745 - + 1768)
. Lodewijk Theodoor II trouwde voor de tweede keer op 4 april 1768 te Pulli (Lausanne) met
Markiezin Anne Pauline Marie de Chandieu-Villars (* 1774- na + 1795). Lodewijk Theodoor II van Nassau-LaLecq overleed in april 1795 te
Ravenstein. Lodewijk Theodoor II werd opgevoed door zijn oom Hendrik Karel en zijn tante Adrienne in hun prachtige huis
aan het Haagse Lange Voorhout.

Op 8 november 1752 werd Lodewijk Theodoor II officieel door oom Hendrik Karel geadopteerd. In 1762 erfde hij de Heerlijkheid Ouwerkerk van zijn
oom Willem Hendrik, deze verkocht Lodewijk in 1773 aan zijn jongste oom Jan Nicolaas Floris. Vanaf 1766 tot begin 1769 woonde hij te Lausanne.
Zijn huwelijk met Jeanne Françoise Elisabeth de Crousaz, dochter van de Generaal-Majoor in het Staatse leger Pierre, was gedwongen vanwege
haar zwangerschap. Binnen een maand na de geboorte van de dochter Gertrude Françoise Elisabeth overleed Jeanne. Twee maanden later huwde hij
voor de tweede keer met Markiezin Anne Pauline Marie de Chandieu-Villars, dit huwelijk werd geen succes.

In 1769 vertrok hij uit Lausanne, met schulden achterlatende, naar de Republiek om daar een betrekking te zoeken. Zes maanden nadat Lodewijk
Theodoor II Lausanne verliet kreeg Anne een zoon, Lodewijk Filips Karel. In 1779 en 1780 hadden de echtlieden contact over de geldigheid van hun
huwelijk. De door Lodewijk Theodoor II voorgestelde scheiding accepteerde Markiezin Anne Pauline Marie de Chandieu-Villars niet, als hun huwelijk
niet geldig was, kon ze ook niet scheiden. In 1776 heeft Lodewijk Theodoor II zulke hoge schulden dat hij zijn tante Johanna Gevaerts om hulp vroeg.
Rond 1779 werd Lodewijk benoemd tot extra-ordinaris-raad van Culemborg, later Raad in het Hof van Vianen. Vanaf 177 verwierf Lodewijk Theodoor II
in de Republiek bekendheid met politieke- en literaire geschriften die een gematigd patriotse gezindheid vertoonden.

Ondermeer publiceerde hij over de Amerikaanse Vrijheid's Oorlog en over het Staatsbestel van de Republiek. In de jaren 1779-1784 redigeerde hij het
tijdschrift De Staatsman. Voorts schreef hij vrolijke toneelstukken onder de zinspreuk van Horatius; 'Ridendo dicire verum' (lachende de waarheid
zeggen). In 1786 ging Lodewijk Theodoor II over tot het Katholicisme. Zijn politieke en standpunten en overgang tot het Katholicisme vervreemden
hem van zijn familie. Bij de nederlaag van de patriotten in 1787 verliet Lodewijk Theodoor II het land. In 1795 woonde hij als 'burger' van
Nassau-LaLecq te Ravenstein waar hij stierf.

Gravin Josina Geertruida van Nassau-LaLecq. Zij werd op 2 juni 1743 te Oosterhout gedoopt als dochter van Lodewijk Theodoor I van Nassau
-LaLecq (* 1701 - + 1748) en zijn tweede echtgenote Josina Geertruida Crommelin (* 1715 - + 1756). Josina trad in het huwelijk voor de eerste keer op
21 november 1766 te Oirschot met Jan Testas (1736-1776).Hij is een neef van Maria Anna Testas, gehuwd met Jan Nicolaas Floris van Nassau-LaLecq.
Zijn grootvader Pierre en oudtante Susanna zijn afkomstig uit Bordeaux, maar hebben zich gevestigd in Amsterdam. Josina en Jan kregen 1 zoon, Jan
Lodewijk geboren in 1769 te Ijsselstein en overleed het volgende jaar te Wageningen. Josina trouwde voor de tweede op 10 april 1783 te Heteren met
Gerrit Maurits van Dieren (* 1731 - + 1809). Gravin Josina Geertruida van Nassau-LaLecq overleed op 19 februari 1816 te Wijchen.
Josina was amper 5 jaar als zij haar vader verloor. Hierop werd diens broer Hendrik Carel tot haar voogd benoemd.

Haar oom stuurde haar voor haar verdere opleiding naar de weduwe Mestre Brayae-Hogenbergh te Arnhem (* 1758 - + 1763). Vervolgens woonde ze bij
haar oom en tante Hoeufft op Huize Blijdorp. Deze overleden kort na elkaar in 1765 waarop haar oom Hendrik Carel opnieuw een verzorger voor haar
zocht. Jan Testas beheerde in de jaren 1766-1769 de goederen en financiën van zijn zwager Lodewijk Theodoor II die dan te Lausanne woonachtig was.
Na Josina's tweede huwelijk met de Luitenant Gerrit Maurits van Dieren woonde de Gravin te 's Hertogenbosch en Ravenstein en tenslotte vanaf 1806
met man en dochter Louisa van Dieren, schoonzoon en kleinkinderen te Wijchen. Josina ontving jaarlijks als mede-erfgename van de Lek haar jaarlijkse
deel van fl.390 per jaar (uit goederen) via rentmeester H. Verhoeff te Dordrecht. In de jaren 1810-1814 klaagde zij bij de rentmeester over de slechte
opbrengsten. Zij leed geldgebrek en moet 'economiseren op mijn oude dag'. Zij overleed - zoals reeds vermeld - op 19 februari 1816 te Wijchen.

Graaf Maurits Lodewijk van Nassau-LaLecq. Gedoopt op 16 september 1742 te Doorn als zoon van Jan Nicolaas Floris van Nassau-LaLecq
(* 1709 - + 1782) en zijn eerste vrouw Cornelia d'Hangest Genlis d'Ivoy (* 1714 - + 1744)
. Hij bleef ongehuwd en woonde te Utrecht achter
de Sint-Pieter. Maurits Lodewijk overleed op 6 oktober 1768 te Utrecht.

Gravin Maria Wilhelmina van Nassau-LaLecq, Vrouwe van Ouwerkerk (* 1782 - + 1783). Maria Wilhelmina werd gedoopt op 20 april 1750
te Amsterdam als dochter van Jan Nicolaas Floris van Nassau-LaLecq (* 1709 - + 1782) en zijn tweede vrouw Maria Anna Testas
(* 1715 - + 1795)
. Maria Wilhelmina stierf op 25 augustus 1809 te Utrecht. Zij volgde haar vader op als Vrouwe van Ouwerkerk in 1782. In 1783
verkocht zij Ouwerkerk aan Jan Smits Jansz. te Lekkerkerk waarmee dit voorgoed van de Nassau's vervreemd was. In 1844 gingen de rechten van de
Heerlijkheid over op de gemeente Ouderkerk. In 1798, het derde jaar van de Bataafse Republiek, verzocht de te Utrecht waarschijnlijk met haar zusters
samenwonende Maria Wilhelmina, de beheerder van de kerk te Ouderkerk- 'vermits alle de wapens overal weg genomen werden'-
de familiewapens dicht te pleisteren ' voor 't door vreemde handen eruit werden gebroken. Elf jaar later overleed zij; haar begrafenis
en bijzetting gebeurde op 29 augustus 1809.

Graaf Jan Floris van Nassau-LaLecq. Hij werd geboren op 5 april 1751 te Utrecht als zoon van Jan Nicolaas Floris van Nassau-LaLecq
(* 1709 - + 1782) en zijn tweede vrouw Maria Anna Testas (* 1715 - + 1795)
. Jan Floris trad in het huwelijk op 17 juni 1780 te Utrecht met
Barbara Arnolda Lemmers (* 1757 - + 1846). Jan Floris stierf op 14 april 1814 te Kortenhoef. In 1777 leende de dan 25 jarige Jan Floris een bedrag
van fl.3700 onder hypothecair verband met zijn tractement. Drie jaar later huwde hij Barbara Arnolda Lemmers, wat een Katholiek huwelijk was!
Jan Floris had zitting in de Admiraliteit van Zeeland te Middelburg.

Meerdere familieleden bekleedden functies in de marine. Zijn vader was Raad ter Admiraliteit in het Friese College, en zijn zwager Nicolaas Lemmers werd
na een voorspoedige carrière in 1808 Schout-bij-nacht. De in totaal vijf Admiraliteitcolleges van elk zeven leden waren belast met de zorg voor de bouw,
onderhoud, uitrusting en bemanning van oorlogsschepen. Voorts verzorgden zij de financiering van de marine door het innen van scheepvaartsbelasting
(konvooien en licenten) en spraken zij recht over de binnengebrachte veroverde schepen en overige buit. Jan Floris' schoonzuster Susanna Elisabeth
Lemmers trad in het huwelijk in 1785 met Govert Bijl de Vroe. Na haar dood hetrouwde deze met Jan Floris dochter Barbara Arnolda Flora.

Gravin Isabella Charlotte Amelie van Nassau-LaLecq
. Geboren op 25 juli 1755 te Utrecht als dochter van Jan Nicolaas Floris van Nassau-
LaLecq (* 1709 - + 1782) en zijn tweede vrouw Maria Anna Testas (* 1715 - + 1795)
. Isabella Charlotte Amelie trouwde op 2 juli 1782 met
Jonkheer (1814) Willem Carel Pieter de Geer (* 1759 - + 1831), Heer van Oudegein en Rijnhuizen. Isabella Charlotte Amelie overleed op 7 februari
1842 te Utrecht. Haar man erfde het Kasteel Oudegein bij Jutphaas van zijn vader. Het paar kreeg drie kinderen. Na de dood van haar vader verkocht
Isabella samen met haar twee zusters in 1798 op een publieke veiling het Paushuize te Utrecht voor fl.32. 000,-.

Gravin Carolina Wilhelmina Trajectina van Nassau-LaLecq. Zij werd gedoopt op 14 augustus 1757 te Utrecht als dochter van Jan Nicolaas Floris
van Nassau-LaLecq (* 1709 - + 1782) en zijn tweede vrouw Maria Anna Testas (* 1715 - +1795)
. Carolina Wilhelmina Trajectina overleed
op 1 mei 1840 te Utrecht. Bij haar geboorte kreeg Gravin Carolina Wilhelmina Trajectina van Burgermeester en het Vroedschap van Utrecht
als pillegift, een lijfrente van fl.150 per jaar, mede daarom zou haar vader, Schout van Utrecht, haar de naam Trajectina hebben gegeven.

In 1783 erfde zij samen met haar zuster Maria Wilhelmina van haar oom Jan Willem Maurits al diens bezittingen, met levenslang vruchtgebruik voor hun
moeder. Haar andere zuster Isabella Charlotte Amilie, getrouwd met Willem de Geer, werd met een legaat van fl.1000 bedacht. Vanaf 1814 tot haar dood
woonde zij als 'rentenierster' met haar neef Jan Jacob de Geer en diens gezin op het Janskerkhof 22 te Utrecht. In haar testament vermaakte zij haar
snuifdozen, tandenkokertje met pareltjes en potloodpen, allen van goud, en haar 'poppenhuis met het zilver' aan haar neven en nichtje De Geer.

Gravin Louisa Suzanna van Nassau. Gedoopt op 13 oktober 1726 te Bergen als dochter van Willem Adriaan II, Heer van Driebergen en
Zeist (* 1742 - + 1745), Vrijheer van Bergen (1707) en Adriana Petronella van der Does (* 1705 - + 1770), Vrouwe van Alblas
. Louisa
Suzanna trad in het huwelijk op 7 januari 1750 in de Waalse kerk te 's Gravenhage met Graaf Frederik Christoffel von Degenfeld-Schomburg
(* 1721 - + 1781)
. Louisa Suzanna stierf op 2 augustus 1803 te Wenen.

Louisa Suzanna's schoonvader was Freiherr Christoffel Martin von Degenfeld, Pruisisch Luitenant-Generaal der cavalerie en 'Wirklicher Geheimer
Staats- und Kriegsminister' en in 1716 verheven tot Rijksgraaf. Frederik Christoffel von Degenfeld-Schomburg trad in Staatse krijgsdienst en was in 1767
Generaal-Majoor de infanterie. Kort daarna verhuisden Louisa Suzanna en haar man echter naar Wenen waar Frederik Christoffel van 1767 tot 1781
Extra Ordinairis Envoyé en Minister Plenipotentiaris van de Republiek was bij Keizerin Maria Theresa (* 1717 - + 1780) en Keizer Josef II
(* 1741 - + 1790). Aldaar hadden zij contact met Cowper-Nassau en kregen te maken met diens aanspraken op de titel Vorst van Nassau.

Degenfelds moeder Mary was de dochter van de Engelse Hertog van Schomburg en Leinster en haar familienaam werd bij de naam Degenfeld bijgevoegd.
Het huwelijk tussen Louisa Suzanna en Frederik Christoffel bleef echter kinderloos. In 1747 verkocht Louisa Suzanna's vader, Willem Adriaan II,
uit geldgebrek de ridderhofstad Blikkenburg voor fl.10.000,. Deze was door Nassau-Odijk in 1687 gekocht. In de jaren hierna wist Willem
Adriaan II weer een fortuin te vergaren want hij laat na zijn dood fl.500.000 na.

Graaf Willem Lodewijk van Nassau, Vrijheer van Bergen in 1759 en Middelharnis. Hij werd gedoopt op 14 december 1727 te Bergen (N-H)
als zoon van Willem Adriaan II, Heer van Driebergen en Zeist (* 1742 - + 1745), Vrijheer van Bergen (1707) en Adriana Petronella
van der Does (* 1705 - + 1770), Vrouwe van Alblas
. Graaf Willem Lodewijk van Nassau stierf op 26 juni 1792. Willem Lodewijk wordt
net als zijn moeder krankzinnig. De door hem beklede functie van Hoogheemraadschap van de Uiterwaterende Sluizen van Noord-Holland
liet hij waarschijnlijk waarnemen.

Graaf Wigbold Adriaan van Nassau-Woudenberg, Vrijheer van Bergen in 1792. Gedoopt op 26 juni 1729 te Bergen (N-H) als zoon van
Willem Adriaan II, Heer van Driebergen en Zeist (* 1742 - + 1745), Vrijheer van Bergen (1707) en Adriana Petronella van der Does
(* 1705 - + 1770), Vrouwe van Alblas
.Hij ging op 2 mei 1756 in ondertrouw en trouwde in Hoorn met Hester van Foreest (* 1736 - + 1785).
Graaf Wigbold Adriaan van Nassau-Woudenberg overleed op 23 oktober 1797 te Bergen. De Graaf was vernoemd naar zijn grootvader Wigbold van der
Does. Hij kreeg in 1754 van zijn verwant Hendrik van Nassau, Graaf van Grantham, het huis Woudenberg, sindsdien noemde hij zich van Nassau-
Woudenberg
. In 1754 werd hij lid van het Vroedschap van Alkmaar en Rentmeester-Generaal der Domeinen in West-Friesland en het Noorderkwartier.
In 1765 werd hij dijkgraaf van Geestmerambacht; in de jaren 1773, 1774, 1777, 1778, 1781, 1782 en 1788 tot 1791 had hij zitting in het Admiraliteits
college van het Noorderkwartier dat afwisselend vergaderde te Hoorn en Enkhuizen.

Ook was hij Bewindhebber van de V.O.C. (1778-1788). In de jaren 1775, 1776,1780, 1783 en 1784 was hij Burgermeester van Alkmaar. In de Vroedschap
behoorde hij tot de Prinsgezinde partij. In Alkmaar noemde men hem 'de gekke Nassau'enerzijds vanwege zijn spilziek gedrag en anderzijds omdat zowel
zijn moeder als zijn oudere broer Willem Lodewijk krankzinnig waren. In 1788 werd een tekort van fl.98.105 ondekt in de kas die hij als Rentmeester
beheerde. Wigbold van Nassau-Woudenberg werd geschorst en naar 's Gravenhage gevoerd en gegijzeld. In februari 1789 stelde het
Alkmaarse Hof hem onder curatele.

Zijn familie toonde zich bereid een deel van de schuld terstond te betalen en de rest zo spoedig mogelijk af te lossen, op voorwaarde dat geen
strafrechtelijke vervolging zou worden ingesteld. Aldus werd met een machtiging van de Staten van Holland in 1790 de zaak geregeld en bleven de
pogingen van de Procureur-Generaal om toch een vervolging in te stellen vruchteloos. Nassau-Woudenberg's curatoren verkochten in 1790 zijn huis
op de Haagse Prinsessegracht tegenover de Koekamp en in 1791 het huis Woudenberg voor fl.5.250,-. aan Jan Anthony Taets Baron van Amerongen.
In 1794 was de gehele schuld afgelost. Na het overlijden van zijn broer Willem Lodewijk in 1792 werd Wigbold Heer van Bergen.

Gravin Gertrude Françoise Elisabeth van Nassau-LaLecq Geboren op 8 januari 1768 te Lausanne als dochter van Lodewijk Theodoor II
(* 1741 - + 1795), Heer van de Lek, Heer van Ouwerkerk (1762-1773) en Jeanne Françoise Elisabeth de Crousaz (* 1745 - + 1768)
.
Zij trouwde op 25 april 1786 te Lausanne met Graaf Karel Frederik von Rehbinder (* 1764 - + 1841), Heer van Friedrichhof, Sack (Sake),
Rahhola en Jelgimäggi (Estland)
. Gravin Gertrude Françoise Elisabeth van Nassau-LaLecq stierf op 17 november 1837 te Friedrichhof. Gertrude
leefde met haar man en kinderen tot aan haar dood bij Reval (Tallinn) in Estland op huize Friedrichshof. Gertrude's schoonvader Otto Magnus
(* 1728 - + 1792) was kamerheer en geheimraad aan het hof van Saksen-Weimar en werd in 1787 tot Rijksgraaf verheven door Keizer Josef II.
De Rehbinders behoren tot de Duitse Edellieden die als 'Baltische Baronnen' de voornaamste landbezittende klasse vormen in Estland.

Karel Frederik von Rehbinder bekleedde in 1816 de functie van Hakenrichter, (Rechtspraak over boeren). Het echtpaar kreeg tussen 1786 en 1802
vier zoons en 1 dochter. Na Gertrude's overlijden verkochten de Baltische erfgenamen in 1846 haar aandeel, d.w.z. 1/35 in de visserijrechten van de Lek,
de Noord- en Stormpolder aan Everdine Suzette van Pallandt-van der Staal van Oud-Beyerland, die via haar moeder Van Heeckeren weer een
afstammelinge van Prins Maurits van Oranje was.

Graaf Lodewijk Filips Carel van Nassau-LaLecq. Hij werd geboren op 21 augustus 1769 te Lausanne als zoon van Graaf Lodewijk Theodoor II
van Nassau-LaLecq (* 1741 - + 1795), Heer van de Lek en Ouwerkerk en Markiezin Anne Pauline de Chandieu-Villars
(* 1744 - na + 1795).
In 1776 was Lodewijk (Louis) in pension bij het echtpaar Mousol te Lausanne. Anne's tante De Villars trok zich het lot aan van
Louis en betaalde de kosten van zijn opvoeding. Op zin 18e werd Louis benoemd op 15 oktober 1787 tot Tweede Luitenant bij de Hollandse Gardes
en Pied (te voet). Louis overleed in 1794 te Lausanne.

Gravin Maria Isabella Carolina van Nassau-LaLecq . Gedoopt op 17 september 1780 te Engelen als dochter van Graaf Jan Floris
(* 1751 - + 1814) en Barbara Arnolda Lemmers (* 1757 - + 1846)
. Zij overleed op 4 augustus 1856 te Loenen a. d. Vecht. Haar ouders waren
3 maanden voor de geboorte van dit kind gehuwd. Maria bleef ongehuwd en woonde later, tot haar dood, te Loenen, waarschijnlijk samen met
haar zusters Johanna en Barbara.

Graaf Jan Floris Hendrik Carel van Nassau-LaLecq, des Heiligen Roomsen Rijksgraaf van Nassau-LaLecq, Graaf van Nassau.
Hij werd gedoopt op 15 september 1782 te Leerdam als zoon van Graaf Jan Floris (* 1751 - + 1814) en Barbara Arnolda Lemmers
(* 1757 - + 1846)
. Hij trad in het huwelijk op 4 mei 1822 te Amsterdam met Louise Philippine Houth (* 1783 - + 1839). Jan Floris Hendrik
Carel overleed op 29 maart 1824 te Amsterdam. Deze laatste mannelijke Nassau-LaLecq was in 1797 Kadet, 1800 Vaandrig en in 1805 2e Luitenant in
dienst van het Pruisische Leger. Onder Hertog van Brunswijk vocht hij in 1806 in de dubbele slag bij Jena en Auerstedt. Graaf Jan werd gevangen
genomen bij Maagdenburg. In oktober 1807 nam hij ontslag uit Pruisische dienst. In 1808 werd hij Kapitein in dienst van de Fransen in het
legioen van de Hannoverianen.

Hij nam deel in de Spaanse veldtocht van Napoleon. Onder Maarschalk Messena vocht hij in 1810 bij Coimbra in Portugal, later onder Maarschalk Ney.
In 1812 verliet Jan Floris Hendrik Carel het Iberisch schiereiland om tot 1814 te vechten in Duitsland. Na maart 1814 keerde hij terug naar het vaderland
waar hij streed als Kapitein bij de troepen van de Linie. Omdat hij aan de 'bevrijding van het grondgebied der Nederlanden voor beleid en moed tegen de
algemeenen vijand had uitgemunt', werd hij in augustus 1814 Ridder Militaire Willemsorde 4de klasse. In dezelfde maand werd hij opgenomen in
de Nederlandse Adel door zijn benoeming in het Ridderschap van Holland, met de titel Graaf en Gravin op alle wettige afstammelingen
in de mannelijke lijn
.

In Nederland zette hij zijn militaire carrière voort in het depot Bataljon Koloniale Troepen. Ook was hij lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland.
Bijna 40 jaar oud trad hij in het huwelijk met de vrijwel even oude Louise Houth, weduwe van Gerard Vrolijk. Bij de ondertrouw kreeg hij een
bloedspuwing. Na een ziekbed van 6 maanden stierf hij op 29 maart 1824. Het huwelijk bleef kinderloos, zodat Jan Floris Hendrik Carel de enige Graaf
van Nassau is die tot de Adel van het Koninkrijk der Nederlanden heeft behoort. Hij werd ook als laatste van zijn geslacht begraven te Ouderkerk.

Graaf Abraham Jacobus Nicolaas van Nassau-LaLecq Gedoopt op 18 juni te Leerdam als zoon van Graaf Jan Floris (* 1751 - + 1814) en
Barbara Arnolda Lemmers (* 1757 - + 1846).
Hij werd bijgezet in Ouderkerk op 7 mei 1787.Graaf Maurits Lodewijk van Nassau-LaLecq.
Hij wordt gedoopt op 23 september 1787 te Zaltbommel als zoon van Graaf Jan Floris (* 1751 - + 1814) en Barbara Arnolda Lemmers
(* 1757 - + 1846)
. Hij ook, werd bijgezet te Ouderkerk en wel op 25 oktober 1787.

Graaf Abraham van Nassau-LaLecq. Gedoopt op 17 juli 1791 te Leerdam als zoon van Graaf Jan Floris (* 1751 - + 1814) en Barbara Arnolda Lemmers (* 1757 - + 1846). Abraham stierf op 1 april 1814 te Batavia. De naar zijn grootvader, de in 1762 uit dienst getreden Luitenant-ter-Zee
Abraham Lemmers, vernoemde Graaf vertrok naar de koloniën en stierf daar op 22 jarige leeftijd.

Gravin Barbara Arnolda Flora van Nassau-laLecq. Zij werd geboren op 1 december 1793 te Utrecht als dochter van Graaf Jan Floris
(* 1751 - + 1814) en Barbara Arnolda Lemmers (* 1757 - + 1846)
. Barbara Arnolda trad in het huwelijk op 2 januari te Kortenhoef met
Govert Bijl de Vroe (* 1762 - + 1850). Zij overleed op 24 februari 1855 te Loenen a. d. Vecht. Haar dertig jaar oudere van Woudrichem afkomstige
echtgenoot was weduwenaar. In 1785 was hij in het huwelijk getreden met de zuster van Barbara's moeder, Suzanna Elisabeth Lemmers, die in 1839
overleed. De orangist Govert Bijl de Vroe, was Garde de Corps bij de lijfwacht van Prins Willem V. In 1780, werd hij krijgsgevangen gemaakt
bij de capitulatie van het eiland Walcheren. In 1795, trad Govert vervolgens uit Krijgsdienst. Na de restauratie van de Oranjes, streed hij bij Waterloo.
Hij was Kolonel der Infanterie en werd ook Commandant te Coevorden. Het huwelijk bleef kinderloos.

Gravin Johanna Geertruida Abrahamina van Nassau-laLecq. Geboren op 27 juni 1784 te Leerdam gedoopt als dochter van Graaf Jan Floris
(* 1751 - + 1814) en Barbara Arnolda Lemmers (* 1757 - + 1846).
Zij stierf op 7 mei 1861 te Loenen. Het was zeker dat Johanna in de laatste
jaren van haar leven in het huis van haar getrouwde zuster Barbara Arnolda Flora te Loenen woonde. Johanna was de laatste afstammelinge van
Prins Maurits van Oranje Nassau
, met haar stierf de bastaardtak Nassau-LaLecq uit.