![]() |
Vorstinnen der Nederlanden |
![]() |
Wilhelmina Helena Pauline Maria Koningin der Nederlanden
Kunstenares
Vele leden van de familie van Oranje-Nassau waren zeer creatief. De een tekende of schilderde na en de andere creëerde zijn eigen ontwerp. Bekende nazaten die kunstzinnig waren zijn bijvoorbeeld Anna van Hannover (1709-1759) geweest. De gemalin van Prins Willem IV schilderde niet onverdienstelijk. Helaas maakt zij ontwerpen van andere schilders na en gaf aldus blijk van een gebrek aan inventiviteit en innovatie. Wilhelmina van Pruissen (1751-1820), schoondochter van eerder genoemd echtpaar stond bekend als een begaafd miniaturiste. Verschillende uitingen daarvan zijn thans in eigendom van het Koninkijk Huis Archief. Haar dochter Prinses Louise (1770-1819) was duidelijk minder kunstzinnig dan de moeder. Het aantal bewaard gebleven kunstuitingen van deze dame, imponeerde meer in aantal dan aan kwaliteit. Haar schoondochter Prinses Wilhelmina van Pruissen (1774-1837), gaf blijk te beschikken over een meer ontwikkelde kunstzinnige uiting. Voornamelijk was deze ontwikkeling te danken aan de opleiding die zij tijdens haar jeugd kreeg in Berlijn van de toen bekende schilder Johann Friedrich Bury, later benoemd tot hofschilder. Wilhelmina's werk straalde enthousiastme uit, maakte veelvuldig kopieen en was ondanks dat ere-lid van de Academie voor Beeldende Kunsten te Berlijn. De doeken van de Russische Grootvorstin en Koningin der Nederlanden Anna Paulowna (1795-1865) vielen op door hun hoge kwaliteit. Ook bij haar was helaas het motto 'naschilderen' aan de orde. Kennelijk waren deze vrouwen onzeker over hun eigenschappen als kunstenares. |
|
Wihelmina Schilderes |
Een aantal van deze Vorstinnen en Prinsessen beperkten hun artistieke kwaliteiten tot veelal de huiselijke kring. Daarentegen ontwikkelde Koningin Wihelmina zich tot een schilderes van formaat die dol was op landschappen. Door de wijde wereld in te trekken met haar schilderskist deed zij daar de broodnodige inspiratie op voor de ontwerpen die zij vervolgens aanbracht op het schilderslinnen. In haar kunstzinnig leven vertaalde zij een grote verscheidenheid aan onderwerpen in haar doeken op een manier die respect en bewondering af dwong. Haar bijzondere talenten op dit gebied werden versterkt door verplichte lessen, die de kiem legden voor haar levenslange passie voor het schilderen. Door de jaren heen ontwikkelde zij een groot oeuvre. Daardoor kon zij meewerken aan tentoonstellingen en in de jaren 30 en 40 stelde Wilhelmina zelfs tentoonstellingen samen van uitsluitend haar werk. Velen in ons land en in de overzeese gebiedsdelen konden daardoor genieten van Wilhelmina's kunstzinnige uitingen. Helaas werden haar schilderijen en tekeningen na 1951 uit de openbaarheid gehouden. Doordat dochterlief Juliana de bijna volledige kunstzinnige nalatenschap van haar moeder had ondergebracht bij de Stichting Historische Verzamelingen van het Huis van Oranje-Nassau, kunnen wij nu genieten van de resultaten van de artistieke kwaliteiten van Wilhelmina van Oranje-Nassau. Een leven lang heeft deze Koningin met passie en diepgaande toewijding de schilder-, fotografie en tekenkunst beoefend. Het bood haar een wereld van vreugde, alsmede respect voor de natuur en was een onuitputtelijke bron van inspiratie. Wilhelmina's vaardigheden die bijna op professioneel niveau hebben gelegen, werden versterkt door onderwijs, lessen en raadgevingen van diverse bekende schilders uit die tijd. Te noemen vallen hier kunstenaars als Frits Jansen (1856-1928) uit Den Haag. Voorts Albert Roelofs (1877-1920) uit Schaerbeek bij Brussel en Willem van Konijnenburg (1868-1943), ook uit de Residentiestad. Tenslotte de samenwerking met Arnold Marc Gorter (1866-1933), uit Amsterdam. Een gevierd kunstenaar en hielp Wilhelmina anders te kijken naar wat zij in de natuur waarnam. |
Het aangeboren talent van Koningin Wilhelmina op het gebied van schilderen, tekeningen en fotograveren heeft bij veel mensen een diep indruk achter gelaten. Al vroeg in haar jeugd kreeg de Prinses onderricht van uit die tijd zeer bekende kunstenaars als eerder genoemden. Zij ontdekten het talent bij Wilhelmina. Maar technische vaardigheden opgebouwd uit onderricht en oefening zijn bij lange na niet voldoende. Artistiek inzicht en bovenal de manier van kijken naar hetgeen men waarneemt zijn van eminent belang. De Koningin vertaalde dat zelf even subtiel als terloops:'De bekoorlijke wijze waarop de oppers de horizontale lijn van het grasveld breken, gepaard gaande aan de oneindige afwisseling van kleuren, welke zij te zien geven, dit alles geeft zoveel poëzie aan het landschap; vooral wanneer dit omlijst wordt door oude boomgroepen, waardoor intieme hoekjes ontstaan.' Een van de eerste leermeesters die dit bij Wilhelmina ontdekt was Frits Jansen, onderdirecteur van de Haagse Academie van Beeldende Kunsten te Den Haag. Deze werd door Koningin Emma aangetrokken om haar verder te bekwamen. Jansen zelf was een prima aquarellist en zijn werken werden gekenmerkt door een trefzekere uitvoering van de onderwerpen als kinderen, jonge meisjes, huisdieren en stadsgezichten. Bovendien gaf hij er een atmosfeer aan zijn werk. Vooral dat laatste sprak Emma en ook haar dochter aan. Hij bracht zijn Koninklijke pupil de eerste stappen van het beheersen van het perspectief alsmede de kleurenleer bij. Vervolgens kwamen alledaagse dingen aan de orde, zoals vazen, kruiken en landbouw werktuigen. |
||
Wilhelmina: Schets uit 1896 |
Frederik Johannes "Frits" Jansen werd geboren in Den Haag op 20 januari 1856. Hij werkte vooral in Den Haag en was een student er aan de Academie van Beeldende Kunsten tussen 1874 en 1879. Na het afronden van zijn studie in Den Haag reisde hij naar Parijs om te studeren met L. Bonnat tot 1881 en daarna in Londen. Toen hij terug naar Nederland werd hij docent aan de De Haagse Academie van Kunsten en in 1887 werd hij benoemd tot vice-president van de academie. Hij schilderde portretten, genrestukken en een paar landschappen, maar werd vooral bekend om zijn prachtig getekende sfeervolle portretten. Frits Jansen overleed in Voorburg op 31 maart 1928. |
Richtlijnen voor het schetsen |
Van de werkstukken die de Prinses in die tijd maakte is weinig of niets over gebleven. Een en ander is te danken aan het feit dat Wilhelmina een kloek en duidelijk besluit in 1921 nam, haar 'rommel' uit haar jeugd maar eens op te ruimen. Onder de 'slachtoffers 'van deze dadendrang waren eerder genoemde resultaten van haar lessen. Enkele schetsboeken en een verdwaalde aquarel zijn thans in het bezit van Het Loo. We weten, in elk geval, hoe een en ander eruit moet hebben gezien. Het overgebleven Aquarel (middensonder) is een academisch opgezette studie van een juk met twee emmers op een tafeltje met als achtergrond een groen gordijn. Het stuk is afkomstig uit de periode dat haar leertijd (1899) was afgesloten. Stillevens werden door Wilhelmina niet gezien als een verplichte leerstof maar meer als het ontwikkelen van een eigen initiatief dat haar de kans gaf deze materie ook onder de knie te krijgen. Ongetwijfeld heeft de Prinses veel meer van dit soort tafeleren vervaardigd. In een schrijven dat zij stuurde aan haar Gouvernante Miss Winters, verhaalt zij over haar lessen in het vervaardigen van olieverf schilderijen. Met een zekere mate van trots vermeldt Wilhelmina dat zij een oude ketel heeft geschilderd, gevolgd door een bijl en dat alles zonder de hulp van Frits Jansen, haar leraar. |
||
Haar vormingsjaren kwamen in 1898 tot een einde. De Koningin zette op eigen kracht het schilderen en aquarellen voort. In 1919 achtte Wilhelmina de tijd rijd voor haar dochter Juliana, die inmiddels 10 jaren oud was, om toe te treden tot het gezelschap van Vorstelijke kunstenaars. De keuze voor dat onderwijs viel op Albert Roelofs. Een schilder/kunstenaar die bekend was door zijn figuurstukken en portretten. Roelofs was lid van de Schilderkunstig Genootschap Pulchri Studio in Den Haag. De vrouw van de kunstenaar werd belast met het onderwijs in de kunstgeschiedenis aan de jonge Prinses. Na verloop van tijd verzocht Wilhelmina, welliswaar met enige mate van verlegenheid, Albert Roelofs haar werk eens te bekijken. Op het gebied van Pastels stak de Koningin, volgens de kunstenaar, met kop en schouders boven het gemiddelde uit. Het gevolg was dat de lessen die Wilhelmina van Roelofs kreeg van eminente betekenis zijn geweest voor haar uiteindelijke artistieke ontwikkeling. De Koningin nam de tijd voor de schilderlessen bij Albert Roelofs. Helaas stierf de kunstenaar op oudejaarsnacht 1920 plotseling. De lessen werden voortgezet door de weduwe van Roelofs, die tot het einde van haar leven hartelijke betrekkingen heeft onderhouden met de Koningin. Enkele van haar mooiste krijttekeningen stammen uit die periode. |
||
Roelofs: Girl with flowers |
Wilhelmina: Juk met 2 emmers 1899 |
Roelofs: Toekomstdromen |
| Albert (Roelofs, Otto Willem Albertus) Roelofs werd op 5 september 1877 in Schaarbeek (Brussel) geboren en overleed op 31 december 1920 in Den Haag. Albert Roelofs was de zoon van de beroemde schilder Willem Roelofs (Amsterdam, 10 maart 1822 - Berchem, 12 mei 1897) en Lid van van Pulchri studio. Woonde en werkte in Brussel en Den Haag. Hij had zijn opleiding genoten aan de Akademie van beeldende kunsten in Den Haag en de Académie Julian in Parijs bij Victor Gilsoul. Hij had als onderwerpen: interieurs, landschappen, portretten, stillevens en dieren. Koningin Wilhelmina en Prinses Juliana namen ook schilderlessen bij Albert Roelofs. Kenmerkend voor de schilder was zijn extravagante manier van kleden als een dandy, waarin hij samen met zijn vrouw Tjieke Bleckmann (die ook schilderes was) de Haagse Pulchri Studio bezocht. Hij was lid van Arti et Amicitiae in Amsterdam, de Hollandsche Teekenmaatschappij in Den Haag en Pulchri Studio. | ||
| Na het overlijden van Roelofs verzocht Wilhelmina een goede vriend van de vorige kunstenaar, Willem Adriaan van Konijnenburg, de taken over te nemen. Willem was een liefhebber van groots. Alles wat hij ondernaam was in het groot, was dominant aanwezig in gesprekken en stamde ook nog uit een deftige familie. Deze kunstenaar werd de belangrijkste leermeester van de Koningin. Hij entameerde op zeer verdienstelijke wijze de Nieuwe Kunst, een vaderlandse variant op de heersende Art Nouveau. Wilhelmina liet hij oefeningen in deze stijl maken waarbij aandacht werd geschonken aan de overgang van het picturale (schilderijen opgebouwd uit kleurtoetsen) naar het lineaire (de scherpe contouren spelen een belangrijke rol). Een voorsteling was niet langer het object maar het subjectieve ervan. | ||
Konijnenburg: Landschap |
Konijnenburg |
Wilhelmina: Landschap met boot |
Willem Adriaan van Konijnenburg (Den Haag, 11 februari 1868 – aldaar, 28 februari 1943) was een Nederlands kunstenaar. Hij was de zoon van Willem van Konijnenburg, hoofdinspecteur der directe belastingen, en jonkvrouw Sara Louise Vrijthoff. Van Konijnenburg trouwde op 30 september 1897 met Johanna Petronella Kempers (1872-1963). Dit huwelijk bleef kinderloos. Willem van Konijnenburg verliet in maart 1884 op 16-jarige leeftijd voortijdig het gymnasium van Den Haag. Hij had daar anderhalve klas doorlopen. Het eerste teken- en schilderonderricht kreeg hij van zijn moeder, waarna hij verder ging in een zomercursus aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten (1881); ook kreeg hij lessen van de tekenleraar J.C. d'Arnaud Gerkens (1882-1892). Vanaf mei 1884 volgde Van Konijnenburg de opleiding voor de MO-akte tekenen aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten en slaagde daar in oktober 1886. Daarna ging hij lesgeven aan privé-leerlingen. Tot zijn leerlingen behoorden onder anderen de illustratrice Rie Cramer, en de schilderes Jeanne Bieruma Oosting. In 1921/1922 ging hij ook lesgeven aan Koningin Wilhelmina. De Vorstin wilde realistische landschappen schilderen in de traditie van de Haagse School. De relatie met de Koningin leverde hem in 1923 de opdracht een serie postzegels bij haar zilveren regeringsjubileum te vervaardigen en later, in 1940, een definitieve serie postzegels met haar beeltenis. In de tussentijd was hij verantwoordelijk voor de allereerste serie Zomerzegels, in 1935. Zijn geringe erkenning als kunstenaar compenseerde Van Konijnenburg door actief deel te nemen aan het culturele leven in de hofstad, waarin het Schilderkundig Genootschap Pulchri Studio en de Haagsche Kunstkring een belangrijke plaats innamen. Om zijn inkomen te vergroten ging Van Konijnenburg in opdracht werken. Zo maakte hij spotprenten voor de weekbladen De Kroniek (1895-1897) en De Nederlandsche Spectator (1896-1901) en affiches voor dienstregelingen van de 'Rotterdamse Stoomboot Reederij Fop Smit & Co. (1896-1904). Na 1900 begon hij zich uitvoerig te verdiepen in een breed scala van onderwerpen zoals filosofie, ethiek, logica en esthetica. Waartoe dit zoeken had geleid, liet Van Konijnenburg zien in De apotheose van het landschap, een geheel van zeventien geschilderde taferelen die hij in 1905/1906 maakte voor de vakken tussen de ramen in de eerste-klasse salon van raderstoomboot W. F. Leemans van rederij Fop Smit & Co. Hij ontwierp in 1909 de gevelbeelden van het kantoor van uitgeverij Martinus Nijhoff aan het Lange Voorhout in Den Haag en ontwierp ook boekbanden. In zijn religieuze werk - dat van na 1915 dateert - spreekt bovendien de invloed van de Vlaamse Primitieven. Met nieuwe vrienden als de kunstcriticus Albert Plasschaert en de dichter P. C. Boutens versterkte hij het beeld van zijn eruditie, intelligentie en beschaving. Van Konijnenburgs doorbraak volgde in 1917, toen hij dertig werken uit de periode 1910-1917 liet zien - bijna alle uit de collectie-Van Kooten Kok - in een tentoonstelling in Kunstzaal Kleykamp in Den Haag. Van nu af werd Van Konijnenburg in één adem genoemd met kunstenaars als Jan Toorop, Johan Thorn-Prikker, Antoon Derkinderen en Richard Roland Holst. Het aantal tentoonstellingen van zijn werk nam toe. Ook werd hij regelmatig gevraagd zitting te nemen in jury's van prijsvragen. In de jaren twintig kreeg Van Konijnenburg de gelegenheid zich op een ander terrein van de kunst te bewijzen: hij kreeg opdrachten voor grote monumentale kunstwerken. In de periode 1924-1936 werkte hij samen met Joan Collette aan de beglazing van het koor van de Nieuwe Kerk in Delft en ontwierp hij tussen 1933 en 1941 een reeks wandtapijten voor de aula van de Universiteit te Utrecht. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog stelde Van Konijnenburg zich op het standpunt dat een kunstenaar zich buiten de politiek moet houden. Toen hij de keus kreeg om al dan niet lid te worden van de Kultuurkamer koos hij voor het lidmaatschap. Kort daarna overleed hij aan een griepaanval. |
||
Voor de Koningin stelde Konijnenburg een soort handleiding op, voorzien van enkele duidelijke voorbeelden. Het waren de tekeningen die deze schilder zo beroemd maakten. De handleiding bestaande uit 22 pagina's was zeer uitgebreid en voorzien van allerhande technische aanwijzingen het licht betreffende, perspectief en lichtinval. Hij spoorde Wilhelmina aan een groter formaat te gaan gebruiken. De Koningin nam die raad ter harte en in 1920 werkte zij op een groter formaat. Nietgenstaande deze raad, was er sprake van een fors aantal tegenstellingen in de opbouw van het kunststuk. Waar Konijnenburg opging in de apotheose dat de natuur ondergeschikt behoorde te zijn aan de kunst, was de Koningin van mening dat de kunst de mindere was van de natuur. Een grotere tegenstelling was niet denkbaarder. Leerling versus leraar. Het door op schrift gesteld terzake heeft zij tot aan haar dood in 1962 onder handbereik gehad. De voorkeur van de leermeester, monumentaal, verhalend en gestileerd werd rustig aangehoord. De leerling, in hart en nieren een landschapschilderes, had een andere heel duidelijk mening die meer dan fors verschilde van die van Konijnenburg. 'Liefde en eerbied voor de bestaande natuur blijft bij mij de hoofdzaak en het uitgangspunt'. Daar kon de leraar het mee doen! |
||
Wilhelmina: Chrysanten |
Wilhelmina: Kuipplant |
Wilhelmina: 4 paarden voor de stal |
Omstreeks 1895 begon de Koningin met het maken van aquarellen met bloemen als motief. De linkerfoto aquarel Chrysanten genaamd is het oudst bewaard gebleven voorbeeld. Ook is het de eerste die zelfstandig en in kleur werd uitgevoerd. Het jaar van vervaardigen was 1897. Rond de eeuwwisseling waren dit de bloemen. Vele kunstenaars, o. a. Pieter Mondriaan, werden door de pracht en praal van deze bloemen, gefascineerd en namen deze op in hun aquarellen coillectie. Dankzij de traditionbele manier van aquarelleren hetgeen Wilhelmina van Frits Jansen leerde, kon dit prachtige stuk tot stand komen. De geschilderde bloemstukken, overigens favoriet bij de Koningin, zijn zonder uitzonderingen, een samenstelling van een soort bloem. Veldboeketten en andere gekunstelde creaties waren aan haar niet besteed. Zij hield van de natuur zoals deze was. Het resultaat was veelal een vertederende en zeer uitgebalanceerde compositie die zijn weg vond naar het linnen. De typische kuipplant op de middelste foto, de Abutilon Darwinii kan meer dan manshoog worden en bloeit met brede kuipvormige bloemen. De natuur bracht diverse variatie's in kleur aan, die binnen het kleurengebied van dieprood tot heldergeel liggen. 's Zomers zijn deze planten buiten en in de winter binnen. In de tuinen van het Paleis Het Loo zijn deze planten dominant aanwezig. Het kunststuk werd op 1 september 1896 door Wilhelmina vervaardigd en zij gaf het als cadeau aan freule Van der Poll als afscheid als surintendante van de opvoeding van de jonge Koningin. Paarden waren en zijn voor de Oranje-Nassau's, buiten de honden hun favoriete dieren. Ook die van Wilhelmina. Het was voor de Koningin een favoriet onderwerp voor het tekenen en het schilderen. Wilhelmina had als klein kind al de neiging om vanuit het raam van het paleis Noordeinde, de paarden te schetsen die werden bereden door de wacht. Al op zeer jonge leeftijd maakte de Koningin kennis met dit soort dieren. Haar vader Prins Hendrik, gaf haar op haar zesde jaar vier Shetlandse pony's cadeau. De pony Baby werd haar eerste rijpaard en tot haar vijftigste bereed zij paarden. Op troepeninspectie was het een Generaalspaard met een dameszadel, zoals Koningin Elisabeth II van Engeland bij de jaarlijks terugkerende evenement Trooping the Colour. Het aquarel, dat hier betrekking op heeft (paarden) ziet men op de rechterfoto. Het heet vier paarden voor de stal en het tafereel dateert uit 1896. Hoofdrolspelers zijn zijn de gebruikelijke soort paarden uit die tijd, voorzien van hamen om de hals. Elk geportretteerd in de klassieke houding die paarden zo kenmerkt. De totale compositie straalt elan uit. Het lijkt verrassend aangenaam dat een zo'n jong kunstenares dit aan het linnen kan toe vertrouwen. De Koningin laat hier zien dat zij in staat was de juiste figuren in de juiste positie en bijna levensecht neer te zetten. De uitvoering is in waterverf , technisch van goede kwaliteit met goed op elkaar afgestemde kleuren die het geheel tot een waar genot maken. |
||
Wilhemina: Dochter Juliana |
Vader Prins Hendrik |
Wilhelmina: Schilderen in Schotland |
Wilhelmina begon ook in het begin van de 20ste eeuw zich bezig te houden met het opkomende fenomeen fotografie. Welliswaar waren de negatieven op glas maar dat mocht haar belangstelling niet verminderen. Al spoedig leerde zij goed om te gaan met de camera en deze vormde weldra een feitelijk onderdeel van haar bagage. De toen opkomende trant; het picturalisme kreeg in haar een fervent aanhanger. Ondanks dit fenomeen, bleef, na verloop van tijd, Wilhelmina zich toch liever bezighouden met het schilderen. Daarin kon zij zich beter in uiten dan in al die moderne uitvindingen. Op de linkerfoto is afgebeeld haar dochter Prinses Juliana. De middelste foto is van een geheel ander kaliber. Hier werd Prins Hendrik, rustende, vereeuwigd door zijn dochter met een potlood. Buitengewoon tekenend zijn de significante krachtige potloodstrepen, die met korte forse halen aan het papier werden toevertrouwd. Uitstekend zijn de contouren die de persoon uitbeelden neergezet. Talent en kennis van zaken valt hieruit op te maken. De gelijkenis met de Prins in die jaren, werd zeer treffend vastgelegd. Het is een van de zeer weinige portretten die door de Koningin van haar vader werden gemaakt. De rechterfoto geeft een impressie hoe het er toe ging in Schotland. Midden tussen paarden en de woeste gronden valt de schilderes Wilhelmina tezamen het haar dochter Juliana waar te nemen. Dochterlief kijkt gespannen toe hoe moeder haar schetsen voltooid van het landschap rondom hen. In latere dagen werden deze schetsen gebruik voor het schilderen van de door Wilhelmina zo geliefde landschappen. Wilhelmina schilderde vrolijk en dochter Juliana fotografeerde. Op verzoek van haar schoon zoon Prins Bernhard heeft zij voor zijn verjaardag in 1945 een aquarel gemaakt met als thema landschap en water. De familie-foto's die ooit door haar en haar kinderen met aanhang werden gemaakt bleven haar tot het einde van haar leven boeien. |
||