OranjelogoDe Huizen van Oranje en NassauNassau
Inhuldiging Koningin Wilhelmina
Vlag BelgieVlag NederlandGouden KroonVlag LuxemburgVlag Duitsland

Vorstinnen van Oranje en Nassau

Prins Hendrik der Nederlanden

Hendrik Wladimir Albrecht Ernst van Mecklenburg werd geboren in 1876 als vierde kind en derde zoon van Groothertog Frederik Frans II van Mecklenburg-Schwerin en diens (3e) vrouw, Prinses Marie van Schwarzburg-Rudolstadt. Zijn oudste broer Frederik Wilhelm verdronk in 1897. Zijn andere broer Adolf en zijn zuster Elisabeth, leefden tot respectievelijk 1969 en 1955. Naast deze, had Hendrik nog twee oudere
halfzusters en drie oudere halfbroers
Op de leeftijd van 7 jaar, verloor hij zijn vader. Hij bezocht het gymnasium in Dresden en maakte na het
behalen van het schooldiploma een reis naar Griekenland, Brits-Indië en Ceylon, waarvan in de plaatselijke krant uitvoerig verslag werd gedaan.
In zijn daaropvolgende militaire carrière verkreeg Heinrich de rang van eerste luitenant bij het gardebataljon jagers in Potsdam.
Hij bracht een groot deel van zijn leven door op het Slot Schwerin.

Slot Schwerin met zijn fraaie tuinen en waterpartijen

De ontmoeting die leidde tot het huwelijk van Hendrik en Wilhelmina was door de Koningin Regentes Emma, vakkundig voorbereid. Immers, het
gebeurde niet elke dat dat je een aankomend Koningin hebt, die een goede echtgenoot zoekt. Daarvoor waren liefhebbers genoeg. Al was het maar
om het meer dan forse fortuin van de Oranje's dat menig zoon van een Hertog of een Prins deed watertanden. Bij het Geslacht van de Oranje-
Nassau's zat je gebeiteld voor wat betreft de financien. Als men tenminste in aanmerking kwam voor de vacante baan van Prins-Gemaal.
Na eindeloos debateren over wie wel en wie niet in aanmerking zou kunnen komen, was Prinses Wilhelmina het wat zat. Zij vond dat al die mannen
maar moesten opstappen en ze zou zelf wel een keuze maken.


Koningin Emma, Kroonprinses Juliana, Hertog Hendrik en Koningin Wilhelmina

Koningin-Regentes Emma had het land al in gedachten. Duitsland bood voor een aankomend echtgenoot de meeste mogelijkheden. Veel bekende Geslachten, die een aanzienlijk aantal nazaten op de wereld hadden gezet, passeerden de revue. Niet iedereen kwam voor deze selectie in aanmerking. Toch bleven er een paar mannen aan de strijkstok hangen. Daarvoor reisde in mei 1890 Koningin-Moeder Emma tesamen met dochter Wilhelmina rond in Duitsland en belandde in slot Schwarzberg in Thuringen. Daar had zij ontmoetingen gearrangeerd met drie mogelijke kandidaten van Duitse afkomst.

Die waren, Friedrich Wilhelm van Pruisen, kleinzoon van Prinses Marianne, die door de Duitse Keizer naar voren was geschoven. Daarnaast waren de twee broers Von Mecklenburg-Schwerin geselecteerd. Helaas, kwam van die broers alleen Heinrich opdagen. Adolf had andere drukke bezigheden, zoals feesten en bij vriendinnen op bezoek gaan en was dus deze ontmoeting glad vergeten. Maar niet getreurd Hertog Heinrich, sprak Wilhelmina wel aan. Een rijzig figuur en van heel goede komaf, zo stelde zij vast.
Gezelig causeur en knap ook.
Moeder zowel dochter lieten hun oog vallen op Hertog Heinrich zu Mecklenburg-Schwerin. Op 16 oktober 1900 werd de verloving bekend gemaakt. Ofschoon Heinrich bij Duitse verwanten van Wilhelmina geen onverdeeld goede pers had en door de familie zu Mecklenburg bij de Nederlandse Regering nogal onbescheiden geachte eisen waren gesteld, werd toch de verloving afgekondigd. Jammer voor het geslacht zu Mecklenburg-Schwerin dat de Nederlandse overheid noch Koningin Wilhelmina op de eisen inging en voet bij stuk hield. Voor Hendrik was dat bepaald geen bezwaar. Op 7 februari 1901, trouwde Wilhelmina met de inmiddels tot Prins Hendrik omgedoopte Hertog zu Mecklenburg-Schwerin en tevens Vorst van Wenden.

Het huwelijk in Den Haag in 1901 trok veel belangstelling en geschiedde met veel vertoon; de aan Wilhelmina bij haar inhuldiging geschonken
Gouden Koets kon voor het eerst gebruikt worden. Na voltrekking van zijn huwelijk kende de jonge Koningin de Hertog de titel van Prins der
Nederlanden
toe. Inmiddels had hij de Nederlandse nationaliteit verworven. Van de Duitse nationaliteit deed hij nadrukkelijk op 23 januari 1901
afstand
, al had men dit nu juist van Mecklenburgse zijde niet gewenst. Aan het Prins-Gemaalschap werd van Nederlandse kant geen jaargeld
verstrekt maar dat loste Wilhelmina zakelijk netjes op.

De nieuwe Prins kreeg een heel behoorlijke toelage. Hendrik (Heinrich) Wladimir Albrecht Ernst, Hertog van Mecklenburg, Vorst van Wenden,
Schwerin en Ratzeburg, Graaf van Schwerin, Heer van de landen Rostock en Stargard werd bij Koninklijk Besluit (KB) 26-1-1901 nr. 38
genaturaliseerd en bij KB van 6-2-1901 nr. 61 titel verleend van Prins der Nederlanden (Schwerin (Duitsland) 19-4-1876 - 's-Gravenhage 3-7-1934).
Zoals reeds is vermeld, was hij de zoon van Friedrich Franz II, Groothertog van Mecklenburg-Schwerin en Marie Caroline Auguste,
Prinses van Schwarzburg-Rudolstadt.
Het huwelijk van Wilhelmina en Hendrik bracht de eerste jaren vier miskramen maar leek verder wel gelukkig. De troonopvolging werd een probleem. Als Koningin Wilhemina eens kinderloos zou overlijden, dan kon de troon weleens naar een Duitser gaan. Wie dan? De Koningin had een achterneef Willem Ernst, Groothertog van Saksen-Weimar-Eisenach. Hij was een kleinzoon van Wilhelmina's tante Sophie ( zuster van Willem III). Ook noemde men de nicht van de Koningin Marie, dochter van diezelfde Sophie als mogelijk troonpretendent. Op 30 april 1909 werd tenslotte toch een kind geboren, Juliana.

De Koningin onderwees haar dochter - al op jeugdige leeftijd - in het Protestantisme, de Bijbel en over alle facetten van het Koninkrijk. Mede hierdoor, ontstond tussen moeder en dochter een hechte band die hun leven lang zo zou blijven. Hertog Heinrich's geboorteland, Mecklenburg, was een Noordduits staatje aan de Oostzee gelegen, dat reeds langere tijd onder de invloed was geraakt van het dominerende Koninkrijk Pruisen, maar nooit werd opgeslokt en na het uitroepen van het Keizerrijk toch een eigen vorm van regering behield. Voor de jonge Hertog, was de kans op erfopvolging praktisch uitgesloten.

Die mogelijkheid viel trouwens reeds in 1883 aan een halfbroer toe. Heinrich groeide op in een kinderrijk gezin in de vorstelijke verblijven in Schwerin en Rabensteinfeld. Op dertienjarige leeftijd werd hij voor het volgen van middelbaar onderwijs naar Dresden gestuurd. Na zijn eindexamen Gymnasium mocht Heinrich in 1894 - als beloning - een wereldreis maken. Deze duurde negen maanden en bracht hem o. m. in Griekenland, Brits-Indië en Ceylon, waar hij deelnam aan jachtpartijen in dit geval op olifanten. In zijn daarop volgende Militaire Carrière, bracht de Hertog het tot Eerste Luitenant bij het GardeBataljon Jagers in Potsdam. Dat werd gevolgd in 1899 gevolgd door ambtelijk werk bij een van de regeringsdepartementen te Schwerin.

Bruid en Bruidegom

De positie van Prins-Gemaal naast een regerend Koningin was uiteraard een zeer moeilijke, vooral ook omdat men in die tijd de man in het huwelijk
als de eigenlijke kostwinner en het hoofd van het gezin wilde zien. Maar al te gauw was het Hof geneigd zo'n Prins-Gemaal als volgzame slippendrager
te zien. Wilhelmina maakte het haar echtgenoot in dit opzicht ook niet gemakkelijk. Uitdrukkelijk hield zij hem niet alleen buiten alle staatszaken, zoals constitutioneel voorgeschreven was, maar maakte in geen enkel opzicht Hendrik deelgenoot van welke kwestie dan ook. Het voorbeeld van Prins
Albert van Saksen-Coburg
, als Prins-Gemaal van de Engelse Koningin Victoria was voor haar eerder afschrikwekkend dan navolgens waardig.

Aan Prins Hendrik viel slechts een representatieve functie toe, zoals het begeleiden van de Koningin bij openbare plechtigheden, haar vervangen bij
andere. In verschijning en optreden bleek Hendrik nu juist minder geschikt voor dat soort zaken. Hij verveelde zich er stierlijk en liet dat dan ook
duidelijk merken. Zo bleef hij in gebroken Nederlands met onvervalst Duits accent spreken. In de begin jaren van het huwelijk, besteedde
Prins Hendrik
aandacht aan de jacht en de verbetering van de wildstand op de Veluwe. Echter werd het jagen hem niet door iedereen
in dank afgenomen en al snel had Hendrik een bijnaam 'Zwijnen Heintje'.

Prins Hendrik

Hendrik's persoonlijke belangstelling - geheel gericht door zijn opvoeding als Duitse landjonker - ging vooral uit naar
de jacht en het paardemennen, naar bosbeheer en bergklimmen, allemaal hobbies waarvoor Nederland weinig mogelijkheid bood en die hier ook slechts in beperkte kring enige waardering ontmoetten. Wel werd het spoedig duidelijk dat de Prins-Gemaal van goede wille was zijn rol als echtgenoot te vervullen. Veel waardering ondervond zijn kalm gedrag in 1907 bij de scheepsramp van de Harwich boot 'Berlin', die bij Hoek van Holland strandde en in tweeën brak. De Prins ging aan boord van het reddingssloep die er 's nachts op woeste zee in slaagde schipbreukelingen van het wrak te halen. Het lag voor de hand dat Hendrik daarna bij bestuurswerkzaamheden van organisaties voor het reddingswerk werd betrokken.Daarnaast had de Prins grote belangstelling voor het sociale- en economische leven in ons land.
Hij was, bijvoorbeeld, voorzitter van het Nederlands Rode Kruis, beschermheer van de Padvinderij en vervulde verschillende maatschappelijke functie's .

Op het Haagse hoofdkantoor zou de Prins vaak komen werken - vooral tijdens de Eerste Wereldoorlog was er veel te doen - en hij bleef tot zijn dood een actief bestuurder. Toen ook in Nederland in de loop van de jaren twintig de padvinderij zich snel ontwikkelde, aanvaardde hij het beschermheerschap van de Nederlandse Padvinders Vereniging en gaf hij in die functie herhaaldelijk blijk van belangstellingvoor dit jeugdwerk. Ondanks deze sociale activiteiten, bleef Prins Hendrik wat apart en eenzaam, steeds op de achtergrond, altijd bescheiden maar toch ook weinig energie of initiatief uitstralend. Wat het publiek wel waardeerde was zijn goedmoedigheid en zijn grapjes. Er deden spoedig verhalen de ronde over zijn komische vergissingen en versprekingen, daar de meeste anekdotes door anderen werden bedacht en hem dan toegedicht. Daar kan geen mens zich tegen verweren.
Dat het huwelijk van Koningin en Prins niet gelukkig was, bleef spoedig geen geheim meer. Dat huwelijk was geen voorbeeld van trouw en respect.
De schandalen waarin Prins Hendrik verwikkeld was, maakten het er niet beter op. De escapades van de Prins werden - diverse gevallen -
vakkundig geregeld door Francois van 't Sant, een vertrouweling van de Koningin. Koningin Wilhelmina had een hoge plichtsbetrachting waarin
voor haar man geen ruimte was. Het paar groeide uit elkaar.

Wilhelmina kreeg haar eerste miskraam in 1902 en het gerucht deed de ronde dat deze het gevolg was van de Syfilis van de Prins. De wat ruwe
goedhartigheid van Prins Hendrik paste slecht bij de doortastende en trotse Koningin. De geboorte van een dochter, pas in 1909, die het enige kind
uit dit huwelijk zou blijven, heeft slechts tijdelijk de echtgenoten dichter bij elkaar gebracht. Ofschoon zij zich bij plechtigheden te zamen vertoonden
en als gezin op vakantie gingen, kon het op den duur niemand ontgaan dat Wilhelmina en Hendrik geheel van elkaar losstaande levens leidden.

De werkzaamheden en verplichtingen van elk afzonderlijk maakten dit ook gemakkelijk. Zeker in de jaren twintig begonnen geruchten de ronde te doen dat de prins buiten gezin en hof zijn genoegen zocht en schulden maakte. Nog in 1979 werd opgerakeld dat hij bij een buitenechtelijke verhouding een onwettig kind zou hebben verwekt en dat de Koningin omstreeks 1920 echtscheiding overwogen had. Ofschoon iets dergelijks tijdens het leven van Prins Hendrik nooit in de Nederlandse publiciteit kwam, werden verhalen van deze aard omtrent geringe huwelijkstrouw en behoefte aan een goed glas toen reeds rondverteld en grif geloofd, ook wanneer zij geen grond hadden. Pijnlijk was het voor de Prins dat hij na 1918 zijn bron van inkomsten uit eigen geërfd Duits vermogen zag opdrogen en financieel aangewezen was op de steun van zijn echtgenote, die hem, naar werd verteld, erg krap hield.

In het algemeen heeft men bij het Nederlandse publiek wel begrepen dat het leven van Prins Hendrik niet gemakkelijk was, en een zeker gevoel van medelijden ging hem omringen. In zijn persoonlijk leven zocht hij in later jaren steun bij een vrij mystiek geloof, dat een tijdlang aangemoedigd werd door de prediking van een goeroe uit India. Wanneer hij hartelijkheid ontmoette, zoals van zijn dochter Juliana, was hij dankbaar. Het kon hem, vreemde gebleven in zijn gastland, nooit geheel uit zijn wezenlijke eenzaamheid weghalen.Reeds vroeg begon Prins Hendrik uiterlijk oud te lijken, er was in de jaren twintig sprake van fysieke kwalen. De laatste jaren van zijn leven ging de gezondheid van Prins Hendrik snel achteruit. Zijn reuma verhevigde en hij werd te dik. In 1929 kreeg de Prins zijn eerste hartaanval. De tweede volgde op 28 juni 1934. Nog geen maand later op 3 juli 1934 overleed Prins Hendrik om 13.30 in zijn kantoor aan een hartverlamming ten gevolge van een langdurige niervergiftiging. Hij werd maar 58 jaar oud.

Prins-Gemaal

Prinses Juliana werd telefonisch op de hoogte gesteld van het overlijden van haar vader. Zij was in Engeland op vakantie bij een dochter van een
zuster van Koningin Emma, de Gravin van Athlone. Toch kwam zijn overlijden door een hartaanval in 1934 nog onverwachts. Als rouwkleur had
de Prins verzocht om in plaats van zwart het wit aan te nemen. Hij wilde met een dergelijke 'witte begrafenis' duidelijk maken dat de overgang tot
de eeuwigheid eerder een reden tot vreugde dan verdriet moest zijn. Koningin Wilhelmina, door het verlies van haar echtgenoot diep getroffen,
besefte plotseling de eenzaamheid in het leven van haar echtgenoot en hield zich getrouw aan dit laatste verzoek van Prins Hendrik.

De begrafenis vond zeven dagen na het overlijden van de Prins plaats op 10 juli, een warme zomerdag. De stoet vertrok 's ochtends om half tien vanaf
Paleis Noordeinde. Bij de ingang van het paleis stonden afdelingen van het Rode Kruis opgesteld. De kist was geplaatst op een witte baar en werd door
twaalf lakeien naar de lijkkoets gedragen. De weduwe en haar dochter Juliana namen vanaf het bordes afscheid van de Prins Hendrik. De Koningin
droeg een losse zwarte mantel over een wit kleed, met daarover heen een witte weduwesluier.


Begrafenis Prins Hendrik

Prinses Juliana was geheel gekleed in het wit en droeg een witte hoed. Nadat de rouwstoet was vertrokken, gingen Wilhelmina en Juliana het paleis
weer binnen. Zij reden dus niet mee met de stoet en reden een afzonderlijke weg naar Delft. In tegenstelling tot bij latere Koninklijke begrafenissen,
was het niet het gewone volk dat getuige was van het afscheid nemen van de overledene. Bij Prins Hendrik werd het plaatsen van de kist in de
lijkkoets gadegeslagen door een honderdtal burgemeesters die tegenover het Paleis stonden opgesteld. De koets werd getrokken door acht met
witte kleden bedekte paarden.

Dezelfde koets was gebruikt bij de begrafenis van Emma, maar voor deze gelegenheid naar - wens van de Prins - in het wit uitgevoerd. De wagen
had zilveren tuitbanden. De gala-bok was gedrapeerd met wit laken, omzoomd met zilver en franje en draagt ter weerszijden het Koninklijk Wapen
in zilver. De hemel van den wagen was afgezet met een zilveren omlijsting en droeg een zilveren Kroon, terwijl aan de vier hoeken witte struispluimen
met zilveren franje waren aangebracht. Ook de lantaarns werden met een witte rouwhoes omhangen. Op het rouwkleed met
daarover de Nederlandse Driekleur lag, naast het kussen met de eretekenen van Prins Hendrik, een tweetal gekruiste sabels en zijn admiraalssteek.
Als slippendragers fungeerden verschillende hooggeplaatste gepensioneerde militairen en medewerkers uit de persoonlijke staf van de Prins.

De rouwstoet werd begeleid door een uitgebreid militair escorte waarin de verschillende legeronderdelen deelnamen. Vooraf aan de lijkkoets liepen
ondermeer infanterie, marechaussee en huzaren te paard. Voorop reed een detachement van het Koninklijke Marechaussee te paard met omfloersten
standaard en standaardwacht. De Marechaussee droegen de zwarte kolbak en de nestels. Dadelijk daarachter kwam generaal Van Andel met zijn staf,
allen dragende de martiale stalen helm. De infanterietroepen waren gekleed in het grijze veldtenue met ransel. De officieren droegen een stalen helm,
een draagriemstel, wandelsabel en witte handschoenen. De huzaren hadden ook hun kolbak op. Direct achter de lijkkoets reden verschillende rijtuigen,
waarin naast de familieleden andere hoog geplaatste gasten plaats hadden genomen. Achter de hofrijtuigen volgde de rest van het militair escorte.
Voorop reed de commandant, luitenant-kolonel J. E. Haitsma Mulier.


De corridor en de open Grafkelder in de Nieuwe Kerk te Delft

Vervolgens kwam de vertegenwoordiging van de Koninklijke Marine. De tamboers en pijpers liepen aan het hoofd, gevolgd door een compagnie
mariniers en twee compagnieën matrozen. Achter de marine kwam een compagnie van honderd man van de Koloniale Reserve uit Nijmegen in hun
mooie zwarte uniformen met gele tressen, aan dit gedeelte van het escorte een bijzonder cachet gevende. Daarna ging in den stoet het muziekkorps
van het 5e regt. infanterie uit Amersfoort onder leiding van de kapelmeester Van der Glas. Hierachter vier compagnieën infanterie, gevolgd door
twee batterijen veld-artillerie, terwijl de marechaussee de stoet sloot. De totale lengte van de stoet was ongeveer 2 ½ kilometer! Langs de route
stonden daarnaast nog circa 2.000 militairen om de overledene de laatste eer te bewijzen. Tijdens de tocht van Den Haag via Rijswijk naar Delft klonk
iedere minuut een kanonschot. Na aankomst van de rouwstoet werd de kist de kerk ingedragen door een aantal jachtopzieners en jagers.
In de Grote Kerk in Delft waren ruim 900 personen aanwezig, meer dan bij de bijzetting van Emma.

Het koor bood een schitterenden aanblik; Velen waren in hun ambtskostuum aanwezig en dat gaf - ondanks de treurige dag - toch wat fleur aan het
geheel. Fraai uitgedoste hoogwaardigheidsbekleders, diplomaten, officieren wisselden elkaar af met de zwarte of purperen toga's gekleedde
geestelijkheid en professoren. Links van de ingang zaten diegenen die met de stoet naar de kerk waren gekomen: Vorstelijke gasten, Groot-officieren
van het Huis der Koningin, leden der Hofhouding en anderen. Ook waren aanwezig deputaties van het Rode Kruis, van de Johanniterorde en van de
M altezer Ridders. De overleden Prins was lid geweest van beide Orden. Aan weerszijden van de ingang van de grafkelder stond een erewacht
opgesteld van het korps adelborsten en van de cadetten, met hun korpsvaandels. Ter zijde van het monument van
Willem de Zwijger stonden vier bazuinblazers.

Naar eigen wens, werd Hendrik op 11 juli 1934 in het wit begraven in de Nieuwe Kerk te Delft. Deze uitvaart trok tot ver buiten ons land de
aandacht, alleen al omdat het ging om een begrafenis in het wit. Dathadden Wilhelmina en Hendrik wel goed afgesproken. Zijn dochter,
Prinses Juliana zag van de erfenis van haar vader af. Gedurende de hofrouw droeg zij steeds witte kleding en zij besliste voorts dat
bij haar begrafenis, die bijna dertig jaar later plaats zou vinden, het wit opnieuw de rouwkleur zou zijn. Er heerste een grote drukte langs de
route en de meeste ramen langs de route waren bezet. Een firma, Meddens, had alle raamplaatsen van haar gebouw verhuurd
ten bate van het Rode Kruis.

De Nederlandse Spoorwegen hadden extra treinen ingezet om alle belangstellenden te kunnen vervoeren naar Den Haag en Delft. Vele reizigers waren
getooid met een oranjezwart knoopje of strikje. In alle vroegte waren mensen begonnen een plaatsje te zoeken langs de route of op de Nieuwe Markt.
Voor een plekje op één van de tribunes of achter een raam was men al snel 1 tot 2 gulden kwijt, tot aan wel 10 gulden op het marktplein. Om half tien
was er geen plekje mee te krijgen en had de brandende zon vrij spel. Het Rode Kruis en de E.H.B.O. zorgden er voor dat zowel publiek als militairen
niet bezweken onder de hitte. De corridor was 45 meter lang en was nodig om het schip van de kerk aan het oog te onttrekken,
aangezien de kerk op het moment van de begrafenis gerestaureerd werd.

Een gelijksoortige tunnel was er ook bij de begrafenis van Emma geweest. De tunnel had een wit plafond en bestond feitelijk uit twee lange wanden,
die werd onderbroken door inspringingen. In de brede nissen hingen drie-armige muurkandelaars met grote elektrische kaarsen. Daaronder de kransen
van Regeringen en Staatshoofden en die van de Belgische en Engelse vorstenhuizen. Eveneens hing er een reusachtig bloemstuk van de Japanse
Keizer. Aan het eind van de gang een dubbel openslaande deur naar het koor, waarvan het voorste deel overhemeld werd door een zwevende
baldakijn, wit met lila banen. Rechts, direct na de corridor, de spreekstoel voor de predikant prof. Obbink. Na de ceremonie en de kerkdienst nam de
chef van Militaire Huis het kussen van de lijkkist. De kist werd ontdaan van het lijkkleed en de vlag om de kelder ingedragen te worden. De Koninklijke Commissaris van de Grafkelder (burgemeester van Delft) en prof. Obbink gingen de kist, met daarin het ontzielde lichaam van de Prins,
vooraf naar zijn laatste rustplaats.

De Koningin, Prinses Juliana en Hertog Adolf Friedrich zu Mecklenburg-Schwerin en zijn vrouw volgden. Ondertussen zongen alle aanwezigen staande
gezang 209 vers 1 en 3. Bij het eerste vers speelden de bazuinen de melodie mee. De erewachten, opgesteld aan beide zijden van de grafkelder,
brachten de laatste militaire eer. Vervolgens werd de toegang tot de grafkelder afgesloten met een gordijn. De bazuinblazers speelden hierna het
Wilhelmus, waarna Prof. Obbink in de Koninklijke Grafkelder het Onze Vader bad. Hierna verlieten de Koningin en de Prinses, tezamen met de
familie van de Prins de kerk. De daadwerkelijke bijzetting zou later plaatsvinden in aanwezigheid van Wilhelmina en Juliana. Kort na de
begrafenis vertrokken de Koningin en de Prinses voor een zestal weken naar Noorwegen, om daar tot rust te komen en te herstellen.

In de bergen van dat land zocht Wilhelmina - in de daarop volgende 6 weken - rust en probeerde zo haar gedachten die haar bestormden, te ordenen.
Het dringt erg duidelijk en helder tot haar door dat zij haar man nooit goed had begrepen. Alles draaide immers om haar persoon. Een pijnlijke
constatering. Temeer omdat nimmer meer goedgemaakt kon worden wat zij hem tekort had gedaan. Het was Prinses Wilhemina wel duidelijk
geworden dat die prijs heel hoog was geworden. Met die waarheid heeft Wilhelmina met de rest van haar leven, moeten leren omgaan. Een gegeven
dat de oude Vorstin niet zo leuk vond. Eenzaam maar niet alleen. Tot welke prijs? Er is weinig bekend over eventuele bezoeken van leden van de
Koninklijke familie aan de Koninklijke Grafkelder, maar van Juliana wordt gezegd dat ze jarenlang op de verjaardag van haar vader een bezoek
bracht aan de grafkelder. Het bevestigde de bijzondere band die zij had met haar vader.

Jeugdige Hendrik in 1890

Hendrik Wladimir Albrecht Ernst (Schwerin, 19 april 1876 – Den Haag, 3 juli 1934), Prins der Nederlanden,
Hertog van Mecklenburg, geboren als Heinrich Wladimir Albrecht Ernst, Hertog van Mecklenburg, Vorst van Wenden, Schwerin, Ratzeburg, Graaf van Schwerin, Heer van de landen Rostock en Stargard, was de echtgenoot van Koningin Wilhelmina der Nederlanden. Hij werd geboren als Heinrich, als het vierde kind en de derde zoon van Groothertog Frederik Frans II van Mecklenburg-Schwerin en diens derde echtgenote Prinses Marie van Schwarzburg-Rudolstadt.

Hij had een oudere zus, Elisabeth (1869-1955), die was getrouwd met Groothertog Frederik August II van Oldenburg, en twee oudere broers, Frederik Willem (1871-1897, verdronken) en de politicus Adolf Frederik
(1873-1969). Hij had ook oudere halfzusters en vijf oudere halfbroers (twee overleden voor zijn geboorte), onder wie Groothertog Frederik Frans III van Mecklenburg-Schwerin (1851-1897) en de Hertog-regent Johan Albrecht van Mecklenburg (1857-1920).Toen Heinrich zeven jaar oud w
as, overleed zijn vader. Hij bezocht het gymnasium in
Dresden en maakte na het behalen van het schooldiploma
een reis naar Griekenland, Brits-Indië en Ceylon, waarvan
in de plaatselijke krant uitvoerig verslag werd gedaan.

Verloving Hendrik en Wilhelmina

In zijn de militaire carrière verkreeg Heinrich de rang van eerste luitenant bij het gardebataljon jagers in Potsdam. Heinrich en Wilhelmina waren
familie van elkaar. Tsaar Paul I en diens vrouw Maria Fjodorovna waren hun gemeenschappelijke overgrootouders.Het huwelijk was gearrangeerd,
maar desondanks koesterden de echtelieden een zekere genegenheid voor elkaar. Het paar verloofde zich op 16 oktober 1900. De voorbereidingen
voor het huwelijk werden overschaduwd door de dood, 5 januari 1901, van Wilhelmina's oom Groothertog Karel Alexander van Saksen-Weimar-
Eisenach en 22 januari van de Britse Koningin Victoria.