![]() |
Prinsen van Oranje en Nassau |
![]() |
Prins Willem III van Oranje, Koning van Engeland, Schotland en Ierland
Prins Willem III werd geboren op 14-11-1650 te 's Gravenhage als zoon van Prins Willem II (1626-1650) en Maria Stuart I de Engelse Prinses Royal. Hij trad in het huwelijk omstreeks 4/14-11-1677 te Londen met Maria Stuart II, die geboren werd tussen 30-04 en 10-05-1662 en die overleed op 28-12-1694. Zij was de dochter van Engelse Koning Jacobus III. Willem III Hendrik (Engels: William) (Binnenhof (Den Haag), 14 november 1650 - Hampton Court Palace, 8 maart 1702), Prins van Oranje was stadhouder van Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijssel (1672-1702) en koning van Engeland, Schotland en Ierland (1689-1702). Ook voerde hij de titel koning van Frankrijk, zoals alle koningen van Engeland van Eduard III tot George III deden. Bekende bijnamen zijn koning-stadhouder, Dutch William en King Billy. De Staten waren in grote problemen en omdat Prins Willem III (1650-1702) nog geboren moest worden, werd in januari 1651 in de 'Grote Vergadering der Provinciën' geprobeerd een opvolger te kiezen voor Prins Willem II. Deze opvolger kwam er niet - geen een vond men geschikt - zodat de Raad van Regenten besloten om maar zonder Stadhouder door het leven te gaan. Het lukte ook niet om de functie van Kapitein-Generaal vervuld te krijgen en daarmee begon het Eerste Stadhouderloze tijdperk (1651-1672). Op 14-11-1650, zes dagen na het overlijden van zijn vader (kinderpokken), werd te 's Gravenhage Prins Willem III geboren. Een wat magere baby en moeders vreesde al het ergste. Al spoedig werd haar bezorgdheid tendele waarheid. Het was duidelijk dat de gezondheid van de kleine te wensen overliet. |
|
Prins Willem III van Oranje |
Willem III van Oranje kwam acht dagen na het plotselinge heengaan van zijn vader, stadhouder Willem II die aan de pokken overleed, ter wereld. De regentenpartij onder het beheer van Cornelis de Graeff en Andries Bicker maakten van het overlijden van zijn vader gebruik om het Eerste Stadhouderloze Tijdperk in te luiden. Met alleen Leiden tegen, werd in Holland besloten geen stadhouder te benoemen en om een afvaardiging te sturen naar Zeeland om daar hetzelfde te bewerkstelligen. De Staten namen het recht om landdrosten en baljuws te benoemen nu zelf in handen. Op het eind van de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog 'verplichtte' de provincie Holland zich in de geheime Akte van Seclusie aan het republikeinse Engelse regime van Oliver Cromwell om de Prins nooit als stadhouder aan te stellen — of toe te staan dat een andere provincie dat wel deed. De kleine Prins leed aan astma en had daardoor op latere leeftijd vaak last van hoestbuien, zware hoofdpijnen en andere kwalen. Uitzicht op genezing was er niet omdat men niet beshikte over de juiste medicijnen om de ziekten die Prins Willem III had, te genezen. Toch was het kind - van nature - geestelijk zo sterk dan het in leven bleef, zij het met moeite. En zoals vaak gebruikelijk in die kringen en op dat niveau, begon er een hevige strijd wie de Prins zou mogen opvoeden. Zou dat Prinses Maria - zijn moeder - worden of zou het toch grootmoeder Amalia worden. Moeders won ruim op punten. Bij het overlijden van de vrouw van Willem III, Maria Stuart II, kwam de opvoeding toch bij grootmoeder Amalia terecht en die was opgetogen. Want Prinses Amalia ergerde zich bont en blauw aan de Engelsgezinden aan het hof van haar kleinzoon en dit werd nog eens versterkt toen Maria's broer Karel II de troon besteeg. Willem, werd vanaf 1656 onderricht in de staatsreligie van het calvinisme door dominee Cornelis Trigland. Hij kreeg vanaf 1659 onderwijs op de Universiteit van Leiden, zonder daar echt student te zijn. De Prins interesseerde zich weinig voor boekenwijsheid maar meer voor de schone kunsten, met name tuinarchitectuur. Prins Willem III overleed ten gevolge van een ongelukkige val van zijn paard op of omstreeks 08 of 19-03-1702 in Londen. Prins Willem III werd als King William III of England, Scotland and Ireland begraven in de Westminster Abbey in Londen Engeland naast alle andere Vorsten van het Britse Rijk. |
Willem had een introverte gesloten persoonlijkheid. Naar buiten toe liet hij zelden iets van zijn emoties blijken en plachtte zijn standpunten zoveel mogelijk voor zichzelf te houden. Hij verkeerde ook niet graag in onbekend gezelschap. Dat was uitzonderlijk in de 17e eeuw daar Vorsten meestal een zeer publiek leven leidden. Tijdgenoten vonden het daarom moeilijk een goed beeld van hem te krijgen. Ook in geschriften drukte hij zich vaak bijzonder behoedzaam uit. Dat werd tevens in de hand gewerkt door de bloemrijke taal die toen in officiële teksten in de mode was. We kennen veel van zijn diepste gevoelens slechts uit losse opmerkingen die hij in intiem gezelschap maakte en die ons overgeleverd werden in de dagboeken van zijn hovelingen. Ondaks dit was hij bepaald geen emotieloos man. Integendeel juist uiterst fel in zijn opvattingen. Fel was Willem III ook in de persoonlijke trouw aan zijn vrienden die hij zelden in de steek liet, hoezeer ze die trouw ook beschaamden door het najagen van eigenbelang. Tijdens zijn bewind nam in Nederland de corruptie fors toe.De Prins van Oranje ontwikkelde vaak een zeer diepe gehechtheid aan zijn mannelijke vrienden, zoals zijn gouverneur Frederik van Nassau en zijn jeugdvriend Hans Willem Bentinck. Zijn mannelijke favorieten beloonde Willem III met invloedrijke posities en hoge titels. Het is - in elk geval - niet met zekerheid bekend dat hij ooit seksuele relaties had voor of buiten zijn huwelijk, dat kinderloos bleef. Uiteraard had hij een soort maîtresse, Elizabeth Villiers. Die relatie schijnt gebaseerd te zijn geweest op de grote intelligentie van die hofdame. Al vrij snel na zijn aantreden in Engeland werd het daar gebruikelijk hem in pamfletten te bespotten om zijn vermeende homoseksualiteit. Ook in Nederland echter vonden sommigen van zijn staf het verdacht dat hij met enige regelmaat bezoek kreeg van mannen waarvan het onduidelijk was hoe hij ze eigenlijk kende en waarmee hij zich voor korte tijd in zijn privévertrekken terugtrok.Tegenwoordig zijn de meningen van de historici verdeeld. Sommigen achten het zeer waarschijnlijk dat Prins-Stadhouder er homoseksuele relaties op na hield. Anderen menen dat die indruk slechts gewekt werd doordat Willem een introverte verlegen man was. Hij was daarbij tamelijk lelijk, erg klein met te korte benen, gedrongen en had een veel te lange kromme neus. |
|
Johan de Witt werd In 1653 gekozen tot Raadpensionaris (landsadvocaat) van Holland. Johan de Witt was bepaald geen voorstander van de Oranje's en hij had zich meermalen laatdunkend uitgelaten over de bras- en zuippartijen. Bovendien zag hij die Royals helemaal niet zitten om Holland te leiden. Daarom liet hij in 1654, na de Engelse zeeoorlog (1652-1654), samen met de Engelse leider Cromwell en de Staten van Holland vastleggen in de 'Akte van Seclusie' dat, Prins Willem III (1650-1702), zoon van Prins Willem II, Stadhouder der Gewesten en Prins van Oranje zelf geen Stadhouder kon worden. Desondanks die vervelende maatregel, bleven de Oranje's uiterst populair onder de bevolking. Om het roerige volk rustig te houden en de zaak niet uit de hand te laten lopen, werd Prins Willem III uitgeroepen tot 'Kind van de Staat ', wat zoveel betekende dat hij werd opgeleid in Staatszaken. Deze opdracht zou Johan de Witt op zich nemen, ondanks het feit dat hij de Oranje's niet zo zag zitten. De Acte van Seclusie werd herroepen in 1660 na de Restauratie in Engeland van de monarchie. Zijn moeder en grootmoeder Amalia van Solms probeerden verschillende provincies zover te krijgen de Prins alvast als hun toekomstige stadhouder aan te wijzen, maar dat mislukte. Gedurende de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog 1665-1667 begonnen echter al stemmen op te gaan voor sterkere leiding. De astmatische en gebochelde Willem werd tot Kind van Staat verklaard, nadat Amalia omgekocht was met een staatspensioen, zodat de overheid pro-Engelse elementen uit zijn omgeving kon verwijderen. Willem speelde samen met de zonen van De Graeff - Pieter en Jacob - in het huis aan de dijk naar Soest (het latere Paleis Soestdijk). In 1667 namen de Hollandse Staten het 'Eeuwige Edict' aan, waarmee het Stadhouderschap voor eeuwig werd afgeschaft. In 1668 verklaarde de Prins zich naar aanleiding van zijn 18e verjaardag, eigenmachtig meerderjarig, een in die tijd zeer ongebruikelijk daad. In datzelfde jaar liet Willem III zich uitroepen tot Eerste Edele van Zeeland. Hierdoor lukte het hem om zich te laten benoemen (in 1670) tot gewoon lid van de Raad van State. Ook in dat jaar vertrok de Prins naar het hof van zijn oom Koning Karel van Engeland. Deze vond Willem III een 'hartstochtelijke Hollander en protestant'. In maart 1672 was het zover en Engeland verklaarde de Republiek der Verenigde Provinciën de oorlog. In april deden Frankrijk, Munster en Keulen hetzelfde. Frankrijk nam gelijk het kleine Prinsendom Orange in. |
Johan de Witt |
De Oranjepartij greep de macht. De Prins werd op 4 juli benoemd tot stadhouder van Holland en op 16 juli van Zeeland. Op 5 juli bezocht Lord Arlington, op zijn reis Willem III in Nieuwerbrug en eiste zijn capitulatie. De Prins weigerde echter resoluut. Arlington sloot toen met de Fransen het Akkoord van Heeswijk om geen aparte vrede te sluiten. Karel II, die wat ongelukkig was met Arlingtons intimiderende aanpak, stuurde Willem III op 18 juli een sussende brief. Zijn neef moest goed begrijpen dat dit alles niet persoonlijk bedoeld was maar tegen het regentenregiem gericht. Was dat eenmaal verdwenen dan zou vrede snel volgen. De Prins antwoordde met een tegenaanbod. Hij zou Prins van Holland worden en met Engeland apart vrede sluiten in ruil voor £400.000 ineens, jaarlijks £10.000 pond haringrechten, Suriname en de stad Sluis. Karel II wees dit echter af. Op 15 augustus publiceerde Willem III Karels brief van 18 juli om het volk tegen raadpensionaris Johan de Witt op te zetten. Johan en Cornelis de Witt werden hierop op 20 augustus door een orangistische burgerwacht vermoord. Wellicht was Willem direct bij het moordcomplot betrokken. Gaspar Fagel werd nu raadpensionaris. In 1672 ontsloeg de Prins 130 staatsgezinde regenten, zoals Andries de Graeff in Amsterdam en Pieter de Groot in Rotterdam. Ondertussen verliep de oorlog al gunstiger. Op 7 juli waren de inundaties van de Hollandse Waterlinie uitgevoerd, waarmee een verdere Franse opmars onmogelijk werd gemaakt. Men zou Lodewijk niets betalen, hoewel de kosten van de oorlog veel hoger zouden uitvallen dan zijn eis van twintig miljoen gulden. Hoewel de Staten van Overijssel zich overgaven aan de Bisschop van Münster Bernhard von Galen, wist de stad Groningen op eigen kracht zijn belegering doorstaan. Von Galen zag zich door geldgebrek gedwongen het beleg op te breken. In december werd ook Coevorden heroverd en was heel Drenthe bevrijd. |
|
De moord op de gebroeders Johan en Cornelis de Witt |
Gezien het succes van de Prins stelden de Staten-Generaal hem - definitief en zonder beperkende voorwaarden - aan als Opperbevelhebber. Dit ondanks de aanwezige 'Akte van Seclusie'. Prins Willem III en de Staten-Generaal accepteerden de vredesvoorstellen van de Franse Koning Lodewijk XIV niet. Er was daardoor veel beroering onder het volk. Oranje voerde de boventoon weer en degene die weinig of niets ophad met het Prinselijk Geslacht, moesten het wel ontgelden. Zo nam Johan de Witt, Raadpensionaris van Republiek der Verenigde Provinciën zijn ontslag op 04-08-1672. Het had voor hem en zijn broer vervelende gevolgen, dat men de familie De Witt haatte om wat zij hadden verwoord en gedaan. Op 20-08-1672 werden de gebroeders de Witt (Cornelis en Johan) vermoord door een menigte, voor de gevangenenpoort in Gravenhage. Zij werden beschuldigd van Hoogverraad tegen Zijne Hoogheid. Prins Willem III had nu de macht en hij liet in tal van steden de magistraten vervangen door eigen aanhangers. De Prins toonde als krijgsman en als staatsman grote kwaliteiten en reeds in 1674 kon vrede met Engeland, Munster en Keulen gesloten worden. Frankrijk volgde pas vier jaar later. De Vrede kon gesloten worden, mede door door formidabele overwinningen van grote Zeehelden, zoals Cornelis Tromp en Admiraal Michiel Adriaanszoon de Ruyter (* 1607 - + 1676). |
Vanaf november 1670 tot februari 1671 bezocht Willem Engeland om zijn oom Karel II te bewegen eindelijk eens wat te gaan aflossen van de enorme schuld die het Huis Stuart sinds de Engelse burgeroorlog aan het Huis van Oranje had. Oom Karel, steeds balancerend op de rand van het bankroet, kon in dit opzicht niets voor de Prins betekenen maar probeerde hem wel tot het Katholicisme te bekeren. Willems geschokte reactie hierop, zorgde ervoor dat Karel zijn neef geen deelgenoot werd gemaakt van het geheime Verdrag van Dover dat hij met Lodewijk XIV had gesloten. Daarin werd bepaald dat Engeland en Frankrijk samen de Republiek omver zouden werpen en Willem als Soeverein Prins van een Hollandse 'rompstaat' werd benoemd. n het rampjaar 1672 veranderde alles. De Republiek werd van alle kanten aangevallen. Door de Engelsen, Fransen en de bisschoppen van Münster en Keulen. Het gewapende conflict dat in dat jaar uitbrak met de Engelsen, ging de geschiedenis in als de Derde Engels-Nederlandse Oorlog. Dat met de Fransen als de Hollandse Oorlog, hoewel er nog zes andere partijen bij betrokken waren. Willem III had Karel in januari nog aangeboden de Republiek tot een volgzaam bondgenoot van Engeland te maken, als hijl met Frankrijk zou breken en druk zou uitoefenen Willem tot stadhouder benoemd te krijgen. De Engesle Koning meende echter dat hij na een militaire overwinning de vredesvoorwaarden eenvoudigweg zou kunnen dicteren en ging dus niet op het aanbod in. |
|
De Ruyter, Hertog en Admiraal |
|
Michiel Adriaanszoon de Ruyter werd geboren in Vlissingen op 24 maart 1607 als zoon van een bierbrouwersknecht. Hij kwam op de lijnbaan om het touwslagerswiel te draaien maar ging al snel op een koopvaardijschip van de Gebroeders Lampens mee (zijn ideaal). Door eigen studie klom de Ruyter snel op in korte tijd. Van 1627 tot 1651 arbeidde hij afwisselend bij de koopvaardij en in Staatse Dienst in diverse functie's. In die periode streed de Ruyter zeer regelmatig tegen de Barbarijse zeerovers. In 1962 trad hij eindelijk in dienst bij de Marine als Vice-Commandeur ( dat was wel tegen zijn zin) onder Admiraal Maarten Harpertszoon Tromp - 1597-1653 - (in die tijd een beroemdheid) in het begin van de Eerste Engelse Oorlog. Toen deze Oorlog voorbij was, hield de Ruyter zich voornamelijk bezig met het achterna zitten van de Duinkerkense Kapers en Zeerovers op de Middelandse Zee. Tijdens de Zweeds-Noorse Oorlog, versloeg hij de Zweden in de Oostzee. Dit om onze handelsbelangen veilig te stellen. Voor deze grote verdienste, kreeg de Ruyter van de Koning van Denemarken de Olifantsorde en verhief men hem in de Adelstand. Bij het uitbreken van de Tweede Engelse Oorlog in 1665, werd Michiel Adriaanszoon de Ruyter bevorderd door de Staten tot Luitenant-Admiraal van Holland en West-Friesland. In juni 1666 won hij overtuigend de 4-daagse Zeeslag tegen de Engelsen maar verloor de 2-daagse Zeeslag erna. Toch wist de Ruyter zijn in goede staat terug te brengen. In het jaar 1667 leidde hij de onvergetelijke toch naar Chatham en liet zien dat een invasie in Groot-Britannie tot de echte mogelijkheden behoorde. Met dien verstande dat deze door Hollandse soldaten dienden te worden uigevoerd. Dit was een hoogtepunt in de Hollandse maritieme geschiedenis. Admiraal de Ruyter en zijn kapiteins voeren de Engelse rivier de Theems op in de richting van Londen en brachtten de Britten een zware slag toe. Tijdens de Derde Engelse Oorlog (1672-1674) versloeg de Admiraal de Frans-engelse vloot drie keer. Na deze oorlog, werd de Ruyter naar de Middelandse zee gestuurd, om bijstand te verlenen aan de Spaanse Koning te de oprukkende Franse vloot. Bij Napels (Italie) redde hij een aantal Hongaarse Predikanten van de veroordeling om te beulen op de Spaanse Galeien (1676) door gratie voor hem de vragen aan de Spanjaarden. Nog steed wordt - als teken van dankbaarheid - jaarlijks een krans gelegd door de Hongaarse ambassadeur bij het Praalgraf van de Ruyter in de Nieuwe kerk te Amsterdam. |
Hertog Michiel Adriaenszoon |
Op 1 augustus 1660 (Juliaanse kalender) verhief Frederik III Koning van Denemarken, Michiel Adriaenszoon de Ruyter in de Deense adelstand als Ridder en verleende hem een familiewapen, waarvan de afbeelding voorkwam op de adelsbrief. In de zeeslag- ter hoogte van de vulkaam Stromboli en de Etna - behaalde de Admiraal een eclatante overwinning. Helaas raakte hij bij dat gevecht gewond, zodanig dat de Admiraalstierf aan de gevolgen daarvan op 29 april 1676, des avonds tussen 21.00 - 22.00 uur. Voordat de Ruyter overleed, werd hem door de Spaanse Koning - als blijk van grote erkenning voor zijn verdiensten - de titel van Hertog geschonken. Het lichaam van de Admiraal werd vervolgens gebalsemd en in een loden kist gelegd. Het duurde namelijk - door de strenge winter - tot 16 februari 1677 eer het stoffelijk overschot van de Ruyter kon worden bijgezet in zijn definitieve rustplaats. Een en ander op kosten van de Staten-Generaal van Holland. Het was eigenlijk de bedoeling dat de Admiraal in de Oude kerk zou worden begraven, bij andere bekende Hollanders als, van der Zwaan, Sweers, van der Hulst en Jacob van Heemskerk.De eigenaar van dat deel van de Oude kerk, dat men op het oog had om een grafkelder voor de Ruyter aan te leggen, weigerde. Helaas kon men de man niet dwingen en daarom werd besloten om de Hertog zijn laatste rustplaats te geven in de Nieuwe Kerk. Uiteindelijk werd Hertog Michiel Adriaanszoon de Ruyter op 18 maart 1677 bijgezet. Zijn uitvaart werd begeleid door een zeer aanzienlijk stoet die voorop ging in de volgende van: De vier Onderschouten van de Stad met Wacht, twee Compagnieen Stad-soldaten, tien Aansprekers, vier Trompetters, Commandant Boot met de grote Admiraalsvlag met daarop de Ruyter's Wapen geborduurd en de Vier Kwartieren versierd met de Hertogelijke Kroon en ander verleedne Onderscheidingen van de Admiraal. Een en ander gevolgd door het rouwpaard en de kist, gedragen door 36 Boden die elkaar afwisselden. Buiten aan het kleed liepen 16 Scheepkapiteins, vier Hoofdofficieren, Vice- en Luitenant-Admiraals. Achter de baar liep Constantijn Huygens, prive-secretaris van en vertegenwoordiger van de Prins van Oranje (de Erf-Admiraal-Generaal), de afgevaardigden van de Admiraliteit's Colleges en zijn vrouw Engel de Ruyter met verdere familieleden. Voorts Afgevaardigden van Spanje, Denemarken, Bewindvoerders van de W. O. C. en W. O. , Staten van Holland en West-Friesland, Officieren van 't Hof ter Admiraliteit en ter Zee, de Consuls van Spanje en Genua (een Dogendom) en velen meer. Boven zijn grafkelder staat: Intaminatus Fulget Honoribus, oftewel Hij, die blinkt in onbezoelde eer. |
|
Lodewijk XIV trekt bij het Tolhuis |
In februari werd de Prins benoemd tot Kapitein-Generaal. Zijn eerste optreden als legeraanvoerder was weinig gelukkig. De meeste soldaten van de Republiek bevonden zich in de drie grote zuidelijke vestingen, Breda, 's-Hertogenbosch en Maastricht. Het Franse leger liet deze machtige vestingsteden echter letterlijk links liggen en viel in juni langs de Rijn Gelderland binnen via de Betuwe. Willem III kleine veldlegertje viel spontaan uiteen. De IJsselsteden wisten niet hoe snel ze zich moesten overgeven. De Prins viel met de resten van zijn strijdmacht terug op Utrecht, waar hij de poorten echter voor hem gesloten vond. De Utrechtse burgerij had weinig trek in een belegering en liet de Fransen binnen. Toen stokte de Franse opmars omdat Lodewijk, de oorlog al gewonnen wanend, op zijn gemak zoveel mogelijk geld van de rijke Hollanders poogde af te persen. De nationale catastrofe voor de Republiek leidde evenwel tot een panisch volksoproer. De Fransen trokken op en belegerden Maastricht en gingen - en passant - ook de Rijn over. Het ging toch lekker zo. Daardoor moest Prins Willem III, die inmiddels was terug gekeerd van zijn Engelse reis, zich terugtrekken tot achter de Hollandse Waterlinies. Op 21-06-1672 viel Utrecht in de Franse handen en Drenthe en Overijssel werden evenzo snel veroverd door de troepen van Munster en Keulen. Koning Lodewijk XIV van Frankrijk stuurde daarna zijn voorwaarden naar de Staten van Holland. Onder druk van de bevolking die het allemaal zat was, werd de Prins fluks door de Staten-Generaal benoemd tot Kapitein-Generaal maar slechts voor een veldtocht. Dag Eeuwig Edict, want niet lang daarna werd Willem III benoemd tot Stadhouder van Holland en Zeeland (02-06-1672) en vervolgens van de andere Gewesten, met uitsluiting van Friesland, Groningen en Drenthe. |
In 1673 mengden zowel Spanje, dat nog maar 25 jaar tevoren de soevereiniteit van de Republiek had moeten erkennen, als de Duitse Keizer zich in de oorlog aan de kant van de Republiek. De gezamenlijke vloten van Engeland en Frankrijk werden door Michiel de Ruyter in drie opeenvolgende zeeslagen in de Nederlandse kustwateren voldoende toegetakeld om een invasie vanuit zee af te wenden; Engeland beëindigde de Derde Engels-Nederlandse Oorlog met de Vrede van Westminster (1674). In datzelfde jaar trok Willem III met een legertje van 12.000 man richting Bonn, de regeringsstad van de keurvorst van Keulen. Samen met een Brandenburgs leger omsingelde hij deze stad, waarop die capituleerde. Dit had grote gevolgen: Frankrijk trok zich terug van de IJssellinie, omdat de aanvoerlinies via de Rijn waren afgesneden, en Keulen en Münster werden tot vrede gedwongen. Zo herwon de Republiek alles behalve Grave en Maastricht die nog door de Fransen bezet werden gehouden. Nu werd Willem ook stadhouder van Utrecht en Overijssel, nadat Willem een voorstel van Fagel had afgewezen om er Generaliteitslanden van te maken als straf voor hun defaitisme en collaboratie. In Gelderland boden de Staten in 1675 Willem zelfs de titel van Hertog aan, die hij noodgedwongen moest weigeren na zeer negatieve reacties van Zeeland en de stad Amsterdam; ook hier moest hij genoegen nemen met het stadhouderschap. Later werd hij ook stadhouder over Westerwolde en in 1696 ook van Drenthe. Het stadhouderschap werd in 1674 door Utrecht in mannelijke lijn erfelijk verklaard. Maar in 1678 was het enthousiasme alweer geluwd en lag Willem opnieuw overhoop met Amsterdam, waar burgemeester Hendrik Hooft de lakens uitdeelde. Deze probeerde steun te krijgen voor het vredesvoorstel van Lodewijk XIV van Frankrijk. Maar juist toen hij zijn zin leek te krijgen, gooide de Koning zelf roet in het eten. Deze weigerde het beleg van Bergen in Henegouwen op te breken. De Prins kreeg nu zelfs de steun van Hooft om met een leger van 35.000 man naar de belegerde stad op te rukken. Lodewijk had globaal gesproken voldoende van zijn plannen gerealiseerd en in 1678 sloot hij de vrede Vrede van Nijmegen, waarmee zijn Hollandse oorlog ten einde was. De Prins viel desondanks aan, vier dagen na de ondertekening, wat leidde tot de Slag bij St. Denis. Dit resulteerde in een overwinning voor Willem III maar ook in veel onaangename woorden en beschuldigingen over en weer met de Fransen. De Prins en Lodewijk zouden hun hele leven vijanden blijven. Brandenburg was niet gelukkig, omdat de Republiek een aparte vrede gesloten had, hetgeen betekende dat de Keurvorst Pommeren nietvan de Zweden terugkreeg. Nederland kreeg de naam een slechte en onbetrouwbare bondgenoot te zijn. |
|
In 1680 was Lodewijk alweer uit op gebiedsuitbreiding. Hij probeerde nog meer van de Zuidelijke Nederlanden in te palmen en bood de Republiek 'vriendschap' aan die echter binnen twee weken aanvaard moest worden. Spanje van zijn kant deed een beroep op de Republiek om troepen te sturen, toen in 1682 Luxemburg geblokkeerd werd. De Prins was voor, maar de regenten en de stadhouder van Friesland (Hendrik Casimir II van Nassau-Dietz) waren tegen. Terwijl er onderling gekrakeeld werd, brak in 1683 de Herenigingsoorlog uit en vielen Kortrijk en Diksmuide in Franse handen. In 1684 werd duidelijk dat Willem zijn zin niet zou krijgen. Uiteindelijk werd het vriendschapsverdrag met Frankrijk aanvaard, zij het dat de Prins een vergoeding kreeg voor de schade aan zijn bezittingen in het Prinsdom Orange en in Luxemburg. De betrekkingen met de steden werden daarna wat beter voor de Prins. De Herenigingsoorlog werd door Frankrijk met het Verdrag van Regensburg in 1684 op voordelige wijze beëindigd met de andere belanghebbenden: Spanje, het Duitse Keizerrijk en Engeland. In 1688 nodigen Engelse protestanten de Nederlandse Willem III uit om hun Koning (zijn schoonvader), Jacobus II, te verdrijven omdat deze een te pro-katholieke koers zou varen. Met 15.000 man aan troepen landt hij op 5 november 1688 in Torbay. Het merendeel van de Engelse adel schaart zich achter Willem III en Jacobus II wordt gedwongen naar Frankrijk te vluchten. Om meer overmacht te hebben op de katholieken, weigert prins Willem III om als prins-gemaal naast zijn echtgenote in Engeland te regeren. Na goedkeuring van het Engelse parlement worden 'William and Mary' op 22 januari 1689 gekroond tot Koning en Koningin van Engeland. Lodewijk XIV reageert hierop met een oorlogsverklaring aan Engeland en de Nederlandse Republiek. Het Schotse parlement accepteert de nieuwe heersers, het voornamelijk katholieke Ierland moet echter met geweld overtuigd worden. Dit gebeurt in 1690 bij de slag om de Boyne. Daarbij worden Jacobus II en zijn Frans-Ierse leger verslagen. |
||
King William of England |
Wapen van King William |
Queen Mary Stuart II |
Willems echtgenote Maria Stuart was de oudste dochter van de in 1685 Koning geworden Jacobus II van Engeland en dus zijn volle nicht. Zij was in 1677 tot een huwelijk met Willem gedwongen door haar oom Karel die even een anti-Franse politiek moest volgen om zijn binnenlandse positie te versterken. Tot de geboorte van Jacobus' zoon in 1688 was zij de erfgename van de drie tronen van Engeland, Schotland en Ierland. Haar vader was katholiek en streefde een absolute monarchie na. Inmiddels had Lodewijk de Republiek economisch de oorlog verklaard. De Franse nijverheid had dan ook grote moeite te concurreren met de import vanuit Nederland. Leiden kon zijn laken niet meer in Frankrijk verkopen. Het gevaar was dat Engeland opnieuw de kant van Frankrijk zou kiezen en er opnieuw een rampjaar zou komen. Zo rijpte het plan om Engeland voorgoed tot bondgenoot te maken. Willem vertrok met een leger van 14.000 Nederlanders en 7.000 anderen (onder meer Hugenoten, Engelsen, Schotten, Duitsers, Denen, Franse, Zweedse, Finse (in berenvellen), Poolse, Griekse en Zwitserse soldaten) van Hellevoetsluis naar Engeland in 1688. De armada van 500 schepen was zo'n vier keer groter dan de Spaanse Armada van 1588. De snelheid waarmee de hele operatie werd opgezet maakte diepe indruk. Willem ging aan de Engelse zuidkust in Brixham, tegenover Torquay aan land. Het leger van Jacobus was in eerste instantie sterker dan dat van Willem, maar al spoedig liepen met name de protestantse officieren uit Jacobus' leger over. De bekendste onder hen was John Churchill, de latere hertog van Marlborough. Jacobus talmde en verloor daardoor de controle over zijn land. Willem vaardigde een bevel uit aan alle troepen in en rond Londen, om zich terug te trekken. Hier werd veelal gevolg aan gegeven. Op 18 december trokken de toekomstige Koning en Koningin van Engeland Londen binnen. De stad werd daarna maandenlang door Nederlandse troepen bezet gehouden. |
||
Op 13 februari 1689 aanvaardde Willem, tesamen met zijn vrouw, de Kronen van Engeland (als Willem III) en Ierland (als Willem I). Op 11 april 1689 werden Willem (als Willem II) en Maria tot Koning en Koningin van Schotland gekroond. Tot de Slag aan de Boyne in Ierland 1690 bleef Willems positie echter wankel en kon hij zich alleen door zijn buitenlandse troepen handhaven. Er was nog heel wat steun voor Jacobus, vooral in Ierland en Schotland, maar ook in Engeland zelf. In 1691 gaven de Ieren zich eindelijk over en in oktober werd het Verdrag van Limerick getekend, waarin Willems bevelhebber, Ginkel, de katholieken milde voorwaarden oplegde. Deze zouden echter niet nagekomen worden door de Ierse protestanten, die hiermee wraak namen voor de gebeurtenissen van 1641, toen zij door de katholieken belaagd waren. King Billy is tot vandaag de dag de held van de protestantse Unionisten gebleven. De kroning van Prins Willem III van Oranje-Nassau tot Koning van Engeland, was voor Koning Lodewijk XIV een van de redenen om aan Nederland en Engeland de oorlog te verklaren. Deze Negenjarige oorlog (1688-1697) speelde zich vooral af in de Zuidelijke Nederlanden en de Palts. Prins Willem III van Oranje-Nassau die zich vooral ophield in Engeland, liet het bestuur in Nederland over aan vrienden. Wel verenigde de Nederlandse Vloot zich met de Engelse vloot, jammer genoeg onder Engels commando. De oorlog verliep niet zo gunstig voor de Koning-Stadhouder en daarom was niet iedereen zo tevreden over. De Nederlanders vonden dat hij de binnenlandse belangen opofferde aan de buitenlandse en de Republiek gebruikte in zijn strijd tegen de Fransen. Op 20-09-1697 werd er Vrede getekend met Frankrijk, die bekend stond als De Vredestraktaten van Rijswijk. Hierin erkende de Franse Koning Lodewijk XIV, Prins Willem III van Oranje-Nassau als Koning van Engeland. De ‘Herenigingen’ uit de jaren 1680-1684 werden erkend maar Luxemburg was hier een uitzondering op. Alle veroveringen op Spanje werden ongedaan gemaakt en "Het Handelstraktaat" van 1678 werd weer van kracht. De Republiek der Verenigde Provinciën kreeg van Spanje het recht om in de belangrijkste Zuid-Nederlandse grensvestigingen een garnizoen te stationneren, volgens het eerste Barrière-traktaat. |
King William of England, |
De Republiek werd heen en weer geslingerd tussen vrees voor gegroeide macht van Oranje en vrees voor de externe dreiging van Lodewijk XIV. Amsterdam was de meest prominente anti-orangistische stad maar de vrij algemeen gerespecteerde en bewonderde stadhouder-Koning kon in het algemeen op samenwerking met de Staten rekenen. Er werd door Lucas Rotgans zelfs een epos aan Willem gewijd (Willem III). Willems Glorious Revolution luidde een keerpunt in voor de Nederlands-Engelse betrekkingen, dat uiteindelijk ten gunste van Engeland zou uitpakken. Voor Engeland betekende dit het definitieve einde van de strijd tussen Koning en parlement, en met de komst van Willems bankiers werd het Engelse financiële systeem herzien. Voortaan kon het land zich op de kolonisatie gaan richten. De Republiek had weliswaar een machtige traditionele rivaal veranderd in een machtige bondgenoot tegen Frankrijk, maar die zou haar steeds meer gaan overvleugelen. De oorlog eindigde onbeslist in 1697 met de Vrede van Rijswijk, waarbij Frankrijk uiteindelijk Luxemburg het West-Vlaamse Kortrijk en de Henegouwse steden Aat, Charleroi en Bergen aan Spanje teruggaf. Lodewijk deed het ook voorkomen dat de Nederlandse handel hervat kon worden, maar zodra de Vrede van Rijswijk getekend was, interpreteerde hij die weer anders I.n 1702 stierf Willem aan longontsteking, als complicatie bij een gebroken sleutelbeen, na een val van zijn paard dat struikelde over een molshoop. Vanwege zijn kinderloosheid ontstond ook hier een opvolgingsprobleem. Hij had wel geprobeerd om Johan Willem Friso van Nassau-Dietz, de zoon van de Friese stadhouder Hendrik Casimir (en kleinzoon van Albertine Agnes, dochter van Frederik Hendrik van Oranje-Nassau), tot opvolger aan te wijzen. Na 1697 bleef de spanning in Europa voortduren. Er werden vele onderhandelingen gevoerd, onder leiding van Willem III, tussen de Republiek der Verenigde Provinciën, Engeland, Frankrijk en Spanje. De Spaanse Koning Karel II was zwaar ziek en de Franse Koning Lodewijk XIV richtte zich volledig op de opvolging van de verre verwant Karel II. De Spaanse Koning Karel II stierf in November 1700 en liet de gehele Spaanse Monarchie na aan Filip van Anjou na. In Engeland werd King William opgevolgd door Anne, de zuster van Mary. In Holland werd het Tweede Stadhouderloze Tijdperk uitgeroepen. Koning Frederik I van Pruisen riep zich tot Prins van Oranje uit, waarbij hij zich beriep op het testament van stadhouder Frederik Hendrik die bepaalde dat bij het uitsterven van de mannelijke lijn van Oranjes al zijn bezittingen zouden vererven op de nakomelingen van zijn oudste dochter Louise Henriëtte, die de moeder was van Frederik I van Pruisen. Het Prinsdom Orange ging echter over op het huis Bourbon-Conti en in hun naam verdreef koning Lodewijk XIV in 1703 alle protestanten uit de stad. De strijd om de nalatenschap zou zich nog dertig jaar voortslepen. In 1732 werd tenslotte het Traktaat van Partage getekend. Pruisen kreeg het Graafschap Lingen, Moers en Opper-Gelre, behalve Venlo en Roermond. Zowel Oranje-Nassau als Brandenburg mochten de titel Prins van Oranje voeren, hoewel daar geen enkele bestuurlijke macht in het Prinsdom zelf meer aan verbonden was. |