OranjelogoDe Huizen van Oranje en NassauNassau
De Nassau's
Vlag BelgieVlag NederlandGouden KroonVlag LuxemburgVlag Duitsland

De Geslachten van Nassau

De Walramse Linie I

Nassau-Usingen

Nassau-Usingen was een tot de Boven-Rijnse Kreits behorend Graafschap (1688 Vorstendom) binnen het Heilige Roomse Rijk. De oorsprong van het
Graafschap Usingen lag in het Middeleeuwse Graafschap Weilnau. In 1326 verwierf de Walramse tak van Nassau de Heerlijkheid Neuweilnau als pand,
in 1565 de ene helft van de Heerlijkheid Altweilnau van de Heren van Eppstein en in 1631 de andere helft van de Graven van Nassau-Hadamar.
De Graaf van Nassau bouwde in Neuweilnau de burcht Usingen, waarbij een stad ontstond.

Sinds 1605 waren alle landen van de Walramse tak van het Huis Nassau onder Graaf Lodewijk II verenigd. Hij voerde een gecentraliseerd bestuur,
waarbij Saarbrücken het centrum was. Dit had echter geen blijvende effecten, want in 1629 vond er een nieuwe verdeling van de landen plaats,
midden in de Dertigjarige Oorlog en dat maakte de gebieden weerloos tegen militair geweld. De deling van 1629 kon aanvankelijk niet uitgevoerd
worden omdat de Graven op de vlucht waren voor oorlogsgeweld. De definitieve verdeling vond plaats op 6 maart 1651,
dus na afloop van de Dertigjarige Oorlog.

  • Jan krijgt het graafschap Wiesbaden-Idstein met de heerlijkheid Lahr en het halve ambt Kirberg.
  • Willem Lodewijk krijgt het graafschap Saarbrücken met Jugendheim, Wöllstein, Alt- und Neuweilnau, Usingen en Kirberg
  • Ernst Casimir krijgt het graafschap Weilburg met Reichelsheim, Kirchheim, Stauf en de Rijndorpen

Bij deze deling was de toewijzing van het gebied van Weilnau, Usingen en Kirberg aan Nassau-Saarbrücken kennelijk een afronding.
Het gebied lag ver verwijderd van het kerngebied rond Saarbrücken.

Saarbrücken nu! (Nederlands voorheen: Saarbruggen, Frans: Sarrebruck) is de hoofdstad van de Duitse deelstaat Saarland. De stad aan de Saar telt 180.515 inwoners en heeft een oppervlakte van 167,07 km². De universiteitsstad is het politieke, economische en culturele centrum van Saarland. Saarbrücken werd voor het eerst genoemd in 999 (castellum Sarabrucca).

De Alte Brücke (rechts), de oudste brug op deze plaats, dateerde echter pas uit 1547. De nog steeds bestaande brug verbindt het oorspronkelijke Saarbrücken op de linkeroever met St. Johann op de rechter, het stadsdeel waarmee Saarbrücken in 1909 zou worden samengevoegd. IJzersmelterijen en kolenmijnen maakten van Saarbrücken vanaf de 18de eeuw een belangrijke industriestad. In deze 18de eeuw beleefde de stad haar bloeitijd.

Friedrich-Joachim Stengel, ontwierp het Slot van Saarbrücken en de Ludwigskirche, beide in barokstijl. De kerk geldt als een van de voornaamste barokke kerk- gebouwen in Duitsland en als het symbool van de stad.

Saarbrücken

Nassau-Usingen (1659-1735)

De situatie veranderde als het Graafschap Nassau-Saarbrücken in 1659 verder werd verdeeld:

  • Johan Lodewijk krijgt Ottweiler (uitgestorven 1728)
  • Gustaaf Adolf krijgt Saarbrücken (uitgestorven 1723)
  • Walraad krijgt Usingen (uitgestorven 1816)

De jongste van de drie broers kreeg niet het beste deel uit de vaderlijke erfenis. De nieuwe residentie Usingen voldeed niet aan de eisen van Graaf Walraad
en hij bouwde een nieuwe barokke residentie. Walraad was een bekend Nederlands veldheer, die op 4 augustus 1688 in de Rijksvorstenstand werd
verheven. Na de dood van Willem Hendrik in 1718 voerde zijn weduwe Charlotte Amalia van Nassau-Dillenburg tot 1735 de regering voor haar beide
minderjarige zoons. Het bezit van de vorsten van Nassau-Usingen breidde zich in die tijd sterk uit door het uitsterven van de Nassau-Idstein in 1721,
Nassau-Saarbrücken in 1723 en Nassau-Ottweiler in 1728. Na het uitsterven van Nassau-Ottweiler kwamen deze drie erfenissen aan Nassau-Usingen.
Bijna alle landen van de Walramse tak waren nu herenigd, alleen Nassau-Weilburg was nog een afzonderlijk Graafschap.

Nassau-Usingen (1735-1816)

In 1735 wordt het bezit echter weer verdeeld na de beëindiging van het regentschap:

  • Karel krijgt Nassau-Usingen (uitgestorven 1816)
  • Willem Hendrik krijgt Nassau-Saarbrücken (uitgestorven 1797).

Dit was de laatste deling binnen het huis Nassau. In 1755 voerde Nassau-Usingen de priomogenituur in.

Usingen was nu weer een tweede rang's plaats voor het Vorstenhuis. Vorst Karel verlegde dan ook in 1744 zijn residentie naar Biebrich en de
regeringszetel naar Wiesbaden. In 1797 stierf de tak Nassau-Saarbrücken uit maar dat had geen directe gevolgen. Het geslacht Nassau-Usingen
erfde alleen de aanspraken, want het Graafschap was inmiddels ingelijfd bij Frankrijk. In de Vrede van Lunéville van 1801
werd deze inlijving van de kant van het Heilige Roomse Rijk erkend.

In paragraaf 12 van de Reichsdeputationshauptschluss van 25 februari 1803 werd het volgende vast gelegd:

De Vorst van Nassau-Usingen krijgt voor het verlies van het Vorstendom Saarbrücken, 2/3 deel van het Graafschap Saarwerden,
de Heerlijkheid Ottweiler en Lahr in de Ortenau:

  • de Ambten Königstein, Höchst, Kronenburg, Rüdesheim, Oberlahnstein, Eltville, Haarheim en Kassel van het voormalige keurvorstendom Mainz en de bezittingen van het domkapittel op de rechter oever van de Main.
  • het Ambt Kaub met onderhorigheden van het Keurvorstendom van de Palts.
  • de rest van het keurvorstendom Keulen met uizondering van de Ambten Altwied en Neuburg.
  • de Ambten Katzenelnbogen, Braubach, Ems, Eppstein en Kleeberg van het landgraafschap Hessen.
  • de dorpen Weiperfelden, Soden, Sulzbach (Taunus), Schwanheim en Okriftel.
  • het Graafschap Sayn-Altenkirchen.

In paragraaf 32 kreeg Nassau-Usingen een zetel in de Raad der Vorsten van de Rijksdag.

Vorst Frederik August trad in 1806 toe tot de Rijnbond en verenigde zijn Staat op 30 augustus van dat jaar met Nassau-Weilburg tot het Hertogdom Nassau.

De Rijnbondakte van 12 juli 1806 legde het volgende vast:

  • Artikel 5: de chef van het huis Nassau voert de titel Hertog.
  • Artikel 16: de Hertog van Nassau staat aan het Groothertogdom Berg af de stad Deutz met bijbehorend gebied, de stad en het Ambt Königswinter en het ambt Willich.
  • Artikel 24: Onder de soevereiniteit van de Hertog van Nassau-Usingen en de vorst van Nassau-Weilburg komen de Ambten Dierdorf, Altenwied en Neuerburg, het gedeelte van het Graafschap Nieder-Isenburg dat Wied-Runkel bezit, de Graafschappen Wied-Neuwied en Holzappel, de Heerlijkheid Schaumburg, het Graafschap Dietz en onderhorigheden, het deel van het dorp Mensfelden dat Nassau-Fulda bezit, het Ambt Wehrheim en Burbach, het deel van de Heerlijkheid Runkel dat op de linker oever van de Lahn ligt, de Rijksridderlijke heerlijkheid Cransberg en de Ambten Hohensolms, Braunfels en Greifenstein. Dit is de mediatisering.

>Heersers

Regering

Naam

Geboren

Overleden

Familie

1640/59-1702 Walraad 5-3-1635 17-10-1702 zoon van Willem Lodewijk van Nassau-Saarbrücken
1702-1718 Willem Hendrik 2-5-1684 14-2-1718 zoon
1718-1775 Karel 1-1-1712 26-6-1775 zoon
1775-1803 Karel Willem 9-11-1735 17-5-1803 zoon
1803-1806 Frederik August 23-4-1738 24-3-1816 broer

Nassau-Weilburg

Nassau-Weilburg was een tot de Boven-Rijnse Kreits behorend Graafschap binnen het Heilige Roomse Rijk.
Het in 1912 uitgestorven huis Nassau-Weilburg regeerde van 1816 tot 1866 over het Hertogdom Nassau en sinds 1890 over Luxemburg.

Nassau-Weilburg (1304-1324).

In deze periode was het Graafschap Nassau van de Walramse tak gesplitst in een tak te Weilburg en een tak te Idstein.

Nassau-Weilburg (1355-1605).

In 1344 deed Graaf Gerlach I van Nassau uit de Walramse tak afstand van zijn Graafschap ten gunste van zijn zoons.
Deze zoons regeerden tot 1355 gemeenschappelijk, waarna de bezittingen verdeeld werden:

  • Adolf I krijgt Wiesbaden-Idstein (uitgestorven 1605)
  • Johan krijgt Weilburg (uitgestorven 1912)
  • Ruprecht krijgt Sonnenberg (uitgestorven 1396)

De eerste Graaf, Johan, had door zijn huwelijk met Gertrude van Merenberg ook het Graafschap Merenberg geërfd. Hij was een aanhanger van
Keizer Karel IV en voerde een actieve politiek om zijn bezittingen uit te breiden. Zijn broer, Keurvorst Gerlach van Mainz speelde daarin
een belangrijke rol. Op 26 september 1366 werd Johan op persoonlijke titel door Keizer Karel IV tot Vorstelijk Graaf verheven,
maar dit had geen rijksrechtelijke gevolgen.

In 1381 erfde Graaf Filips I via zijn moeder Johanna van Saarbrücken het Graafschap Saarbrücken met Commercy en Morley in Lotharingen.
Dit Graafschap lag ver verwijderd van zijn stamlanden maar werd wel de kern van een nieuw conglomeraat van bezittingen. In 1393 verkreeg hij via
zijn vrouw Johanna van Hohenlohe de Heerlijkheid Kirchheimbolanden (met Dannenfels en Altenbaumberg) en de heerlijkheid Stauf.
Verder verwierf de Graaf in 1393 de helft van Ottweiler. In 1405 werd Neuweilnau met Usingen, dat al in pandbezit was, als eigendom aangekocht.
In 1412 verwierf hij Homburg aan de Blies.

In 1442 delen de twee zoons van Filips I van Nassau-Weilburg het Graafschap Nassau-Weilburg-Saarbrücken:

  • Jan II krijgt Saarbrücken (uitgestorven 1574)
  • Filips II krijgt Weilburg (uitgestorven 1912)

De bezittingen in de Palts (Dannenfels, Stauf, Kirchheim, Altenbaumberg, Wöllstein) blijven gemeenschappelijk.

In 1526 voert Graaf Filips III de reformatie in. Hij breidt het gebied in 1536 uit met het Ambt Burgschalbach en een aandeel in Löhnberg, welke door het
Landgraafschap Hessen worden afgestaan. In 1574 sterft Nassau-Saarbrücken uit en valt het gebied aan Nassau-Weilburg. Omdat de broers Albrecht en
Filips IV Nassau-Weilburg hebben gedeeld, delen ze in 1574 ook de Saarbrücker erfenis: Albrecht krijgt Ottweiler en Filips IV krijgt Saarbrücken.
Na de dood van Philps IV in 1602 wordt alles weer herenigd.

De Walramse gebieden onder één Graaf (1605-1629):

Na het uitsterven van Nassau-Idstein in 1605 waren alle landen van de Walramse tak van het Huis Nassau onder Graaf Lodewijk II herenigd.
Hij voerde een gecentraliseerd bestuur, waarbij Saarbrücken het centrum was. Dit had echter geen blijvende effecten, want in 1629 er vond een
nieuwe verdeling van de landen plaats, midden in de Dertigjarige Oorlog en dat maakte de gebieden weerloos tegen militair geweld.

Nassau-Weilburg

(1629-1801):

De deling van 1629 kon aanvankelijk niet uitgevoerd worden omdat de Graven op de vlucht waren voor oorlogsgeweld. De definitieve verdeling vond
plaats op 6 maart 1651, dus na afloop van de Dertigjarige Oorlog. Jan kreeg het Graafschap Wiesbaden-Idstein met de Heerlijkheid Lahr en het halve
Ambt Kirberg. Willem Lodewijk het Graafschap Saarbrücken met Jugendheim, Wöllstein, Alt- und Neuweilnau, Usingen en Kirberg. Ernst Casimir
kreeg het Graafschap Weilburg met Reichelsheim, Kirchheim, Stauf en de Rijndorpen. Op 9 september 1737 werd de Graaf tot Rijksvorst verheven.
In juni 1783 sloten alle linies van het Huis Nassau een erfovereenkomst, waarin de eenheid en onvervreemdbaarheid van Nassau en het
eerstgeboorterecht werd vastgelegd. De Keizer keurde deze overeenkomst op 29 september 1786 goed. Karel August verlegde zijn residentie naar
Kirchheim in de Palts, terwijl de regeringszetel in Weilburg bleef. Het lukte de Graven wonderwel het gebied goed af te ronden.

In 1703 werd het ambt Hüttenberg dat gemeenschappelijk met het Landgraafschap Hessen-Darmstadt werd bestuurd opgedeeld. In 1706 werd het
aandeel in het gemeenschappelijk bezit van de Rijndorpen aan het keurvorstendom van de Palts afgestaan in ruil voor het ambt Bolanden. In 1716 werd
1/3 van de heerlijkheid Cleeberg gekocht van het Leiningen-Westerburg. Het andere deel was in eigendom van Hessen-Darmstadt. In een conflict met
Nassau-Saarbrücken over het Graafschap Saarwerden in 1745, verwierf men 1/3 deel van dit Graafschap (ambt Neusaarwerden). In 1755 werd het ambt
Alsenz verworven van Palts-Zweibrücken in ruil voor 4/9 van de heerlijkheid Homburg bij Zweibrücken. In 1773 werden tevens alle aandelen in
Löhnberg verworven door een ruil met Nassau-Oranje. Tenslotte werd in 1799 het Sayn-Hachenburg geërfd ten gevolge van het huwelijk van
Vorst Frederik Willem met Louise, Burggravin van Kirchberg. In 1797/1801 werden de gebieden op de linker Rijnoever door Frankrijk ingelijfd.

Overzicht van het gebied van Nassau-Weilburg in 1797/99 Op de rechter Rijnoever: de Ambten Weilburg, Weilmünster, Merenberg, Löhnberg,
Reichelsheim, de tweeherenlanden (Ambt Mielen en voogdij Schönau), Ambten Gleiberg, Hüttenberg, het graafschap Sayn-Hachenburg, Burbach
(gemeenschappelijk met Nassau-Oranje), het Ambt Cleeberg (gemeenschappelijk met Hessen-Darmstadt). Op de linker Rijnoever: 1/3 van het
Graafschap Saarwerden (Ambt Neusaarwerden), de Heerlijkheden Kirchhheim en Stauf, het Ambt Alsenz. Gebiedsveranderingen in 1803:
In paragraaf 12 van de Reichsdeputationshauptschluss van 25 februari 1803 werd de schadeloosstelling geregeld: de Vorst van Nassau-Weilburg kreeg
voor het verlies van 1/3 deel van Saarwerden en de Heerlijkheid Kirchheimbolanden de rest van het keurvorstendom Trier met de abdijen Arnstein,
Schönau en Marienstatt. De twee laatste abdijen maakten deel uit van het Keurvorstendom Trier, terwijl de abdij Arnstein rijksvrij was.

In paragraaf 32 krijgt de Vorst een zetel in de Raad der Vorsten van de Rijksdag toegewezen. Het Trierse gebied bestond uit de volgende ambten:
Wellmich, Boppard, Ehrenbreitenstein, Vallendar, Sayn, Herschbach, Grenzau, Montabaur, Limburg, Camberg (gemeenschappelijk met Nassau-Oranje),
Wehrheim (idem) en Hammerstein. De opname in het nieuwe Hertogdom Nassau (1806): De Rijnbondakte van 12 juli 1806 legt het volgende vast:
Artikel 5: de chef van het huis Nassau voert de titel Hertog. Artikel 16: de Hertog van Nassau staat aan het Groothertogdom Berg af de stad Deutz met
bijbehorend gebied, de stad en het ambt Königswinter en het ambt Willich. Artikel 24: Onder de soevereiniteit van de Hertog van Nassau-Usingen en de
Vorst van Nassau-Weilburg komen de ambten Dierdorf, Altenwied en Neuerburg, het gedeelte van het Graafschap Nieder-Isenburg dat Wied-Runkel bezit
de Graafschappen Wied-Neuwied en Holzappel, de heerlijkheid Schaumburg, het Graafschap Dietz en onderhorigheden, het deel van het dorp Mensfelden
dat Nassau-Fulda bezit, het ambt Wehrheim en Burbach, het deel van de heerlijkheid Runkel dat op de linker oever van de Lahn ligt, de rijksridderlijke
heerlijkheid Cransberg en de ambten Hohensolms, Braunfels en Greifenstein. Dit is de mediatisering.

Omdat de Hertog van Nassau-Usingen geen erfgenamen heeft en dus op afzienbare termijn door de Vorst van Nassau-Weilburg zal worden opgevolgd,
besloten de beide Vorsten al een gemeenschappelijke regering te vormen. Op 30 augustus 1806 gingen beide Vorstdendommen op in het
Hertogdom Nassau. De dynastie Nassau-Weilburg in Luxemburg (1890-1912/1964): De afgezette Hertog Adolf van Nassau kwam na de dood van
Willem III in 1890 op de troon van Luxemburg, omdat Willem's dochter Wilhelmina daar, op grond van de Salische Wet niet tot opvolgen gerechtigd was.
Adolf's opvolger Willem IV Alexander maakte, daar hij enkel dochters had, opvolging in de vrouwelijke lijn alsnog mogelijk, zodat hij in 1912 werd
opgevolgd door zijn dochter Maria Adelheid, op wie in 1919 haar zuster Charlotte volgde, tot haar afstand in 1964.

Charlotte Adelgonde Elisabeth Maria Wilhelmina (23 januari 1896 – 9 juli 1985), tweede dochter van Groothertog Willem IV, was Groothertogin van Luxemburg van 1919 tot 1964. Charlotte werd geboren op Kasteel Berg in Luxemburg. Op 15 januari 1919 volgde zij haar oudere zuster Maria Adelheid op en op 6 november van dat zelfde jaar huwde zij Prins Felix van Bourbon-Parma, zoon van Robert I van Parma en een rechtstreekse afstammeling van Lodewijk XIV.

Tijdens de regering van haar zuster was er in Luxemburg een sterke stroming ontstaan voor de aansluiting bij Frankrijk. Die tendens werd door Parijs niet aangemoedigd, om de vriendschappelijke betrekkingen met België niet te vertroebelen. De nieuwe Groothertogin liet over deze kwestie op 28 september 1919 een referendum houden, waaruit bleek dat 78% van de Luxemburgers tégen de republiek en tégen een eventuele aanhechting bij België was. Haar bewind tussen de jaren 1920 en 1940 was er een van welvaart en sociale vrede. Het Groothertogelijke paar kreeg zes kinderen, die allen een geslaagd huwelijk sloten.

Op 10 mei 1940, bij de Duitse inval, vertrok groothertogin Charlotte met haar gezin en haar ministers naar de Verenigde Staten en daarna naar Londen, waar zij tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef. Enthousiast zette de populaire vorstin zich daarna in voor de wederopbouw van haar land, dat tijdens het Ardennenoffensief voor de helft verwoest was.

Groothertogin Charlotte

Dankzij het toerisme, de financiële instellingen en de staalindustrie verrees Luxemburg sterker dan tevoren uit het oorlogspuin. Door de vestiging van
enkele belangrijke Europese instellingen kreeg het landje onder haar impuls internationale allure en verwierf het de hoogste levensstandaard van Europa.
Ondanks de grondwetswijziging van 1919, die de Vorstelijke bevoegdheden aanzienlijk hadden beperkt, gebeurde er in Luxemburg maar weinig waar
Groothertogin Charlotte zich niet direct of indirect mee bezighield. Zelfs de oprichting van de populaire zender Radio Luxemburg was haar initiatief.

Zij droeg op 4 mei 1961 de regering over aan haar oudste zoon Jan, als stadhouder, en deed 12 november 1964 te zijnen gunste volledig afstand van de
troon, tot ergernis van haar echtgenoot Prins Felix (die in 1970 overleed, enkele maanden na hun gouden bruiloft). Sindsdien leidde zij een
teruggetrokken leven op het kasteel van Fischbach waar zij zich bezighield met haar hobby's: lectuur, muziek en tuinieren. Groothertogin Charlotte
overleed 9 juli 1985, 89 jaar oud, op Kasteel Fischbach. Haar stoffelijk overschot werd bijgezet in de Kathedraal van Luxemburg-stad.

Heersers

Regering

Naam

Geboren

Overleden

Familie

1344/55-1371 Johan I 1309 20-9-1371 zoon van Gerlach van Nassau
1371-1429 Filips I 1368 2-7-1429 zoon
1429-1442 Johan II 4-4-1423 25-7-1472 broer
1429-1482 Filips II 12-3-1418 19-3-1482 zoon
1482/92-1523 Lodewijk I 1466 28-5-1523 zoon van Filips II
1523-1559 Filips III 20-9-1504 4-10-1559 zoon
1559-1593 Albrecht 26-12-1537 11-11-1593 zoon
1559-1602 Filips IV 14-10-1542 12-3-1602 broer
1593-1625 Lodewijk II 9-8-1565 8-11-1627 zoon van Albrecht
1625/29/51-1655 Ernst Casimir 15-11-1607 16-4-1655 zoon
1655-1675 Frederik 16-4-1640 19-9-1675 zoon
1675-1719 Johan Ernst 13-6-1664 27-2-1719 zoon
1675-1684 Frederik Willem 21-8-1665 14-8-1684 broer
1719-1753 Karel August 17-9-1685 9-11-1753 zoon van Johan Ernst
1753-1788 Karel Christiaan 16-1-1735 28-11-1788 zoon
1788-1806/16 Frederik Willem 25-10-1768 9-1-1816 zoon